Het blauwe uur

Kroyer
Een tijd geleden zette ik een artikel online over een franse politicus die aan de boorden van de Middellandse Zee zijn toehoorders herinnerde aan het feit dat de boorden rondom deze half-open zee in culturele zin altijd sterk met elkaar verbonden zijn geweest. Met name had hij het over Griekenland en de invloed die van daaruit over heel Europa uitging.
Kort daarvoor had een inmiddels overleden nederlandse schrijver de term “het blauwe uur” (l’heure bleu) aangezien voor het ochtendlicht. Een reactie daarop kon niet wachten: we hebben de “rozevingerige dageraad”, een term die voorkomt in Homerus’ Odyssee, en we hebben “l’heure bleu”, het blauwe uur, de korte tijd waarin de zon nog net niet onder de aardbol is weggezakt.
De rozevingerige dageraad is uiteraard zo duidelijk als wat, maar toen wist ik niet wie met die term “het blauwe uur” op de proppen was gekomen. In een 28 november 2018 herhaalde franse documentaire over Karen Blixen, de Pippi Langkous van de deense literatuur, werd het helder. Het was Peder Severin Krøyer (1851–1909) die niet alleen de term “het blauwe uur” bedacht, maar het ook heel mooi schilderde.

Het leven van de vlieg

meidoorn

De vlieg

Onlangs werd het leven van de vlieg proefondervindelijk aangetoond. Tegen het eind van het zomerseizoen kwamen een paar takjes meidoornbessen in huis. Na ekele dagen openden een paar van die bessen en vielen er minuscule kronkelende wurmpjes uit.
Zo gaat dat dan: ergens in de voorjaarstijd zet de vlieg haar eitjes af in het binnenste van de meidoornbloem. Daar raken ze ingesloten in wat uitgroeit tot een bes. Zodra die bes rijp is opent het zich en valt het van eitje tot wormpje getransformeerde begin van een vlieg er uit. Als die wormpjes de aanslag overleven van vogels die voor de winter een goede vetlaag moeten aanleggen, dan verschuilen ze zich onder het afgevallen blad en in de bovenste laag aarde.
Zodra er een warme voorjaarsdag is stijgt er — simsalabim, waar komen die nu vandaan? — een clustertje vliegen op uit de warme bodem en begint het spel van voren af aan.

Voorwaardelijk, afhankelijk ontstaan
In de canonieke Samyútta- resp. de Samyúkta-collectie van het Kleine Voertuig wordt het 12-ledige rad van Afhankelijk, Voorwaardelijk Ontstaan, (P.) paticca-samuppāda / (Skr.) pratitya-samutpāda, wordt deze gedachtegang in de Nikāya-, resp. de Āgama-collecties(1) als volgt gegeven:

“En wat is Afhankelijk, Voorwaardelijk Ontstaan? 1/ Onwetendheid is de voorwaarde voor samenstellen. 2/ Samenstellen is een voorwaarde voor bewustzijn. 3/ Bewustzijn is een voorwaarde voor naam en vorm. 4/ Naam en vorm is een voorwaarde voor de zes zintuigen. 5/ De zes zintuigen zijn de voorwaarde voor contact maken. 6/ Contact maken is de voorwaarde voor voelen. 7/ Voelen is een voorwaarde voor begeerte. 8/ Begeerte is een voorwaarde voor hechten. 9/ Hechten is een voorwaarde voor [embryonair] ontstaan. 10/ [Embrionair] ontstaan is de voorwaarde voor geboren worden. 11/ Geboren zijn is de voorwaarde voor ouder worden en dood, leed, gelamenteer, pijn, afzien en wanhoop. Zo komt deze hele massa van dukkha (duhkha) [op basis van voorwaarden en condities] tot ontstaan (en mondt uit in 12/ dood).”

Een onderzoeker naar boeddhistische teksten vroeg zich af hoe het mogelijk zou kunnen zijn dat uit dood (stadium 12) weer geboorte (stadium 10) kan ontstaan, want uit onwetendheid (stadium 1) ontstaat toch geen leven!
Toen wist ondergetekende het antwoord nog niet. Vandaag, met het leven van de vlieg voor ogen wel. Voorafgaand aan stadium 12, wordt op stadium 10 al de voorwaarde voor nieuw leven geschapen, niet in de zin van een wederopstanding, maar in de zin van een voortgaan van, in dit geval, materieel leven in een nieuwe vorm.
Op het moment van de dood, zo ontdekte Boeddha, is er al nieuw leven dat, mits de keten doorbroken wordt, opnieuw richting eitjes afzetten en sterven snelt, onwetend (stadium 1) van die cirkelgang en wat er na de geboorte als wetmatigheid volgt: accouplement, eitjes afzetten, nog een beetje rondvliegen, en dood neervallen.
Tot zover de vlieg. Warmbloedigen blijven nog een tijd leven, maar het principe is hetzelfde: de daad van propageren is bij het hoofdstuk “Ontstaan” gepleegd.

Reïncarnatie / wedergeboorte

Het is precies op basis van dit leerstuk dat diegenen die de genoemde Samyútta– resp. Samyúkta-leerredes meenemen nog de ernstigste bedenkingen hebben met betrekking tot diegenen die het door (pré-)hinduïsten aangereikte “reïncarnatie” huldigen. Of sterker nog, de “reïncarnisten” worden hartelijk uitgelachen: een terugkeer van het zelfde is niet mogelijk. Wel is het zo dat het ene, zonder dat er echt fysiek contact ontstaat, zonder dat er “hands-on” een duwtje wordt gegeven, het nieuwe mogelijk maakt te ontstaan. En dan spreken we over “wedergeboorte”, hoewel strict genomen ook deze term volkomen onjuist is. In die zin moeten we de oude daoïsten gelijk geven wanneer zij woorden hanteren die met “continuüm” vertaald zouden kunnen worden.

Niet-zelf
In het licht van dit leerstuk leerde Boeddha dan ook het “niet-zelf”. In die hele cirkelgang van gedachten, van lichamelijke en mentale gevoelens waar we, oppervlakkig denkend als we zijn, “mijn zelf” tegen zeggen, zien we bij nauwkeurige beschouwing dat voor het ontstaan van die nieuwe gedachte die nog komen moet de aanleiding al in embrionaal stadium aanwezig is. De aanleiding voor de opvolger van de huidige of “oude” gedachte was er al, maar manifesteert zich pas werkelijk nadat het oude heeft opgehouden te bestaan: we denken nooit aan twee dingen tegelijk, zelfs niet wanneer we schijnbaar tegelijk fysieke en mentale ondervindingen waarnemen. Een aangescherpte geest neemt waar dat de geest heen en weer gaat, van het ene fenomeen naar het andere, en zolang het ene wordt waargenomen is het andere er (even) niet.
Mijn zelf, zo leert Boeddha ons gedurende zijn hele onderwijzende leven na het uitspreken van de Eerste Leerrede waarin het twaalfvoudig pad al in beknopte zin wordt besproken, is niet meer dan een continuüm: niets blijft.

Zeg nu niet dat Boeddha het had van Ovidius die het in zijn Metamorphosen (418R) had over de geest die niet sterft. Dat is zó kinderachtig, en verraadt zózeer de imperialistische inborst van de westerse mens die desnoods stampvoetend laat weten dat híj en híj alleen de eerste was, de beste is, en de laatste zal zijn.
Het is heel wel mogelijk dat op verschillende punten op deze aardkloot verschillende personen op dezelfde gedachte komen. Zoals de hak die we afgebeeld zien op de oude egyptische monumenten ook wordt aangetroffen op die van de Mayas en Azteken, zo zijn ook de “oude Europeanen” en de aziatische denkers soms op ideeën gekomen die min of meer op elkaar lijken, en in het verschil ertussen tonen ze binnen welke cultuur ze zijn ontstaan.

(1) Dit zijn de canonieke Kleine Voertuig-collecties van respectievelijk het zuidelijke en het noordoostelijke Kleine Voertuig. (De Kanjur uit de Himalayas wordt hier buiten beschouwing gehouden).
Zie ook Avatámsaka soetra boek 23-2.

 

Tempelpilaren

Wanneer het over de pilaren gaat die in het interieur en op het exterieur van chinees-boeddhistische tempels te zien zijn, zien we steeds vaker dat deze pilaren, die men graag van een opschrift wil voorzien, van hardsteen of marmer gemaakt zijn, of van cement met een vrij dikke laag rode of goudkleurige verf. En we zien dan dat de teksten die er in zijn uitgebeiteld vervolgens zijn verguld. Er zijn ook steeds meer voorbeelden van als scrolls beschilderde vlakke platen die na het plaatsen van een pilaar er op worden aangebracht, zonder altijd rekening te houden met de aanwezige rondingen.

pillar

Zo niet met de vroeg twintigste-eeuwse tempels van de Cantonezen, de Hokkien, en de Teochew (spreek: hokjèn en tjo-tsjoew) in Zuid-Azië. In ieder geval in de iets kleinere tempels zijn de teksten “flush” aangebracht, zoals dat in steenhouwers en metselaarstermen heet, op één lijn met de omringende kleine steentjes.

En omdat het er toch nog redelijk wat zijn lopen we er doorgaans aan voorbij, zeker diegenen die niet in staat zijn de oude schrijfwijze en het antieke lopende schrift dat er vaak naast staat te lezen.

Zo’n pilaar decoreren vergt een vakmanschap dat waarschijnlijk verdwenen is. Eerst moeten de karakters uit harde zwarte steen worden gesneden. Dan moeten ze aangebracht worden, en vervolgens is het zaak om de miniatuursteentjes waarin de teksten gezet zijn zo nauw, maar ook zo regelmatig mogelijk aan te brengen, zonder al te veel voegrandjes. Dat vergt een aantal manuren dat vandaag onbetaalbaar zou zijn.

De bijgaande foto toont er een in een andere dan de onderbeschreven tempel. De foto is genomen in een hal waar memoriaalplaquettes voor de overledenen in de muren zijn aangebracht.

Een voorbeeld van zo’n viertal pilaarteksten zijn voor de bouw van een nieuwe tempel in de maleisische plaats Ampáng, de Sam Poh Tong, te zien. Daar heeft de etnisch-cantonese bevolking een nieuwe thuishaven gekregen. Op die nieuwe plek heeft de abdis Sing Kan fashih besloten de teksten te laten verwijderen van de pilaren in een tempelgebouw dat op de slooplijst stond, om ze naast elkaar, als min of meer platte tekst, maar toch een beetje afgerond tegen een muur in haar nieuwe tempel te tonen. (Fashih = dharmapersoon = moniaal; spreek ongev. : faa suh)
De etnisch-indiase metselaar-restaurateur laat op de video terecht trots zien hoe hij ook het oude ronde raam opnieuw inmetselt. Hij noemt het een chakra (spreek: tsjàkra).
Op de video zien we de grote tekst vergezeld van een kleinere, links bovenaan, in wat “running script” wordt genoemd, een van de oudste schrijfwijzen van China.

Het komt nog niet voor dat specialisten op het gebied van tempelarchitectuur en -decoratie aandacht hebben voor dergelijke details. Daarom is het goed dat de eerwaarde Sing Kan fashih zo vooruitziend is geweest een paar voorbeelden van dit ambacht te bewaren voor een komende generatie die ze waarschijnlijk zal gaan ontdekken als typerend voor de zuid-chinese tempelinrichting van de negentiende, begin twintigste eeuw.

Californië

bierstadt

In 1874 schilderde Albert Bierstadt, een van de eerste-generatie immigranten naar Amerika, in Californië de grote Redwoods, de sequoioideae of sequoia. Zijn werk hoort tot de “Hudson River School”, de vroeg-amerikaanse romantiek — waarbij we bij rond vroeg-amerikaans een paar aanhalingstekens moeten plaatsen, gezien de geschiedenis van het continent. Thomas Cole, de stichter van die schildertrant, was een Brit, en bracht de engelse Romantiek naar het voor de settlers nieuwe continent. De in Solingen geboren Bierstadt legde er met zijn op de duitse Romantiek geïnspireerde schildertrant nog een schepje bovenop.

Een enkele boom op Bierstadt’s schilderij was eind 19de eeuw al zo groot dat mensen bij zware regens konden schuilen in de stam, rechtop staand. In het onderstaande blog lezen we dan ook dat ze vuurtjes stookten in die stammen, om ze nog verder uit te hollen en er min of meer in te kunnen leven, althans slapen.
Bierstadt schilderde hier de oorspronkelijke bevolking van deze streek: van 1821 tot 1846 stond de staat onder mexicaans bewind, na de europeaanse bontjagers, de spaanse overheersing, en de russische aanwezigheid. Tot 1850 leefden nog 12 verschillende indigene bevolkingsgroepen in de Redwood-bossen langs de kust, daarna kwamen Bierstadt en de noordamerikaanse kolonisten.

Het genoom

Lorraine Dechter van Action News Now had op 30 juni 2018 een artikel waarin onderandere gemeld werd dat de Senaat van Californië 2018 tot “jaar van de Redwoods” had verklaard.
Lorraine kondigde ook aan dat er een tv-uitzending zou komen over de manier waarop het genoom van deze bomen in kaart gebracht is. Misschien wordt die uitzending ook wel aangekocht door tv-zenders aan deze kant van de eendenvijver.

Gauguin in de aandacht

gauguin wave 1888
Nu Jeroen Krabbé begonnen is aan zijn tv-serie over Paul Gauguin viel de afbeelding van een doek van deze schilder extra op.
Uit de boedel van de Rockefeller-familie, die rond 10 mei bij Christie’s werd geveild, viel Gauguin’s “golven” op dat hij schilderde in 1888, het jaar waarin hij een tijd doorbracht met Vincent van Gogh in Arles. Van Gogh schilderde Gauguin als de man “met de rode baret”, en Gauguin schilderde de kustlijn, voor of na zijn verblijf bij Van Gogh, met een stukje landmassa zo rood als een kroot, en een paar schetsmatig aangebrachte mensjes op de grens tussen land en water, waarbij je je mag afvragen of ze vluchten voor de de aanstormende golven, of gewoon aan het spelen zijn.

Gauguin wilde, zegt een biografie, “de ziel van de natuur” vastleggen, toch in een poging om zich af te wenden van het impressionisme. Niettemin gaat de aandacht van de kijker hier in eerste instantie naar de twee mensjes die als op een klassiek chinees naturalistisch werk bijna in het niet vallen in vergelijking met de overweldigende natuur.

De pogingen van Gauguin om die ziel van de natuur te pakken is naar mijn mening nooit geslaagd; zijn krachtigste werk toont mensen, en wel als raadselachtige wezens die niets prijs geven van wat hen bezighoudt, of in wier gemoed de schilder niet weet door te dringen — voor zover een mens dat ooit helemaal kan.
Allebei de kunstenaars, Van Gogh en Gauguin, waren zo ongelukkig als wat, en ik wil er van uitgaan dat het rood van de baret, en dat van de kustlijn een onbewuste uiting was van een gemoed in tumult.

Eluard en het zen

Bij zennis lijkt het gedicht Liberté van Paul Eluard nogal wat indruk te hebben gemaakt; er wordt over geblogt, en ook de schoolkinderen in de “hexagoon” zullen het als verplicht werk moeten lezen en/of uit het hoofd leren. Maar voor zover bekend heeft deze dadaïst (een kunststroming uit het begin van de 20ste eeuw) het nooit over zen, laat staan het boeddhisme, gehad. En toch moet hij over zen gehoord of gelezen hebben, want in zijn gedicht dat begint met de regel vinden we een

Ne dites pas sur un chemin de pierre

Si tu heurtais mon front
Tu rejoindrais l’immensité à tête d’épingle:
“Zeg, gaande op een steenweg niet


Zou je met mij in aanraking komen
Dan zou je meedelen aan die oneindigheid ter grootte van een speldenknop.”

Excuseer de beroerde vertaling, maar het thema is duidelijk: Eluard heeft iets gelezen over “het hele universum op de punt van een speld”.
Het gezegde verwijst naar het concept sunyata (noot 6), de realisering dat uiteindelijk, wanneer we tot de kern van de redenering over “zijnden” zijn aanbeland, er niets is dan het zwarte gat dat alles opslokt en niets laat ontsnappen.
Dat is geen enge, zwartgallige constatering, maar simpelweg de realisering dat — kijk naar die dans van stofdeeltjes op een kolom licht die door het raam valt — er niets vastigs, niets blijvends, niets permanents is dan alleen dat. Ware er wel iets vastigs, iets blijvends, iets onveranderlijks, in of aan ons, dan zouden we niet kunnen evolueren, dan zouden we altijd dezelfde blijven en geen enkele inspanning hoeven te doen om een vollediger mens te worden, het zou toch allemaal voor niets zijn. Het realiseren van het begrip sunyata (spreek: soenjataaa) bevrijdt ons van die status quo. Voortgang is mogelijk.

Nu was Eluard wel een van die dichters die vrij met zijn materiaal omging; wat hij vond moest binnen zijn kaders passen, en niet andersom. Dus dat hij zich in dit werk de oneindigheid waande die zijn sunyata meedeelde aan wie hem maar ontmoette, zullen we maar onder de dichterlijke overdrijvingen scharen, hoewel, tot het gaatje geredeneerd, wat wel moet, want anders komen we er niet uit. Maar of de goede Paul tot het gaatje heeft geredeneerd, we weten het niet.

Ecologie

ade adesina

In het midden van een aangeharkte stedelijke omgeving, Dubai, de hollandse windmolen en de skyline van Londen op de achtergrond, en in het centrum van keurig aangeharkte plantages, plaatst Ade Adesina een eeuwenoude babobab, en boven die baobab schildert hij een mirage, een oceaan met kelp en vissen, de wereld op zijn kop.
Het is een heel krachtig beeld. Er gaat niet veel hoop van uit, tenzij Ade’s voorspellende droom als waarschuwing gaat worden gezien, en de aanstormende jonge ecologen, planologen en anderen er in slagen in te grijpen en het wiel van vernietiging tot staan weten te brengen. Alles wijst er op dat hen dat gaat lukken, maar wel op het moment dat dit wiel op de rand van de klip staat en in de afgrond dreigt te storten.