De blauwe aap

santorini

Tot ongeveer 1500 Bc schijnt het eiland Santorini een pré-klassieke griekse cultuur te hebben gehad waar hier en daar de naam Minoïsch aan wordt gegeven. Gisteren zagen we op de tv-zender Arte een herhaling van een tweedelige britse tv-serie over de griekse geschiedenis, en over de grotten en restanten van huizen op het eiland Santorini waar in die oudheid met zoveel verve en kennis van het beestje apen op de wanden zijn geschilderd.

De kleur blauw zette meteen de herinnering open naar de wandschilderingen te Kizl waar eveneens blauwe apen te bewonderen vallen, hun gang gaand tussen de lotussen, of opgejaagd door een krokodil (Kizl ligt aan een rivier).

De overeenkomst in kleur en voorstelling is opmerkelijk, maar we mogen ervan overtuigd zijn dat Kizl niets van Santorini had geleerd, noch Santorini van Kizl. Blauw pigment moet in beide streken veelvoorkomend zijn geweest, en apen waren er in ieder geval tot genoemd jaartal ook in Zuid-Europa.

kizil

Ook hier zien we de schommelingen van klimaat: zoals ongeveer 600 jaar vC Noord-India met name de deelstaat Bihar sneeuw kende — en het vandaag op een februari-ochtend alleen maar enigszins kil is — zo kende het europese continent de aap. Planet of the monkeys meldt dat de “Old World monkey” is uitgestorven, maar laat niet weten wanneer. (De berber-apen van Gibraltar zijn geïmporteerd.)

Vanishing race

Vandaag werden ter veiling aangeboden een aantal fotos van de Amerikaan Edward Sheriff Curtis, een man op de grens van de 19de en de 20ste eeuw. Deze etnoloog was het die in 1905 het beroemd geworden portret maakte van Djerónimo, de verslagen hoofdman van de Apache (niet apágge, maar appádsjie).
Een van de prenten, hier getoond, is getiteld “the vanishing race – Návaho”. We zien hoe een groep Návaho in de schemering wegrijdt, en hoe zeker twee figuren nog eens omkijken naar de fotograaf, als een laatste teken van leven, zouden we kunnen denken — een aangrijpend beeld.

edward-sheriff-curtis-the-vanishing-race-navaho-photographs

Daarmee verdwenen ook de Návaho van het toneel en lieten het barre land achter aan economische vluchtelingen uit Europa van wie een enkele jonge nazaat deze zomer door Frankrijk liep, bij een meer dan 200 jaar oude pelgrimskerk aankwam, en uitriep: besef dat dit toch heel bijzonder is; deze kerk is ouder dan mijn land!
O ja?

BETONBOUW

va-dundee

Op de noordoever van de Tay-rivier in Dundee, Schotland, zo schrijft Martin Bailey op 14 september voor The Art Newspaper, komt onder architectuur van Kengo Kuma een nieuwe “franchise” van het V&A museum in Londen te staan. Voor boeddhisten is het hoofdkantoor van het Victoria and Albert helemaal niet onaardig. Ju kunt er al rondstappend nog eens wat mijmeren over uit hun context getrokken voorwerpen en beeldhouwkunst, en hoe het westen helemaal geen bezwaar heeft tegen kapotte kommetjes en afgebladderde beelden.

Wat er in Dundee komt te staan, daar heeft het V&A ongetwijfeld al over nagedacht. In ieder geval ziet de buitenkant er op het aangeleverde plaatje uit als een spectaculaire betonnen waaier die, zoals een enkeling bij de presentatie opmerkte, het Guggenheim in Bilbao naar de kroon zou kunnen gaan stoten — ware het niet dat het weer in Bilbao vaak aangenamer is dan in Dundee.

We hebben het dan over betonbouw, een materiaal waarmee in de gewone woningbouw spuuglelijke flats in elkaar geschroefd worden; het is hoe dan ook pas buiten het gebied van woningbouw dat we mooie architectuur aantreffen, of het nu van beton is of van een ander materiaal.

reiyuka-shakaden

In een recent door de WDR uitgezonden documentaire over de grafmonumenten op Okinawa zagen we een ander gebruik van beton. Helaas is van het nieuwste grafmonument online geen afbeelding te vinden, maar we vinden er een afspiegeling van in het Reiyuka-shakaden in Tokyo, althans voor zover het de boogvormige dakconstructie aangaat.

De hoefijzervormige grafmonumenten op Okinawa staan helemaal in de daoïstisch-confucianistische grafmonumententraditie van China. In het engels wordt het daar “turtle shell” genoemd (2de foto van boven). We vinden die graven tot in een land als Maleisië waar de immigranten dit deel van hun cultuur hebben geïmporteerd.
Het monument op Okinawa toonde ons de zachte kant van betonbouw: op één wand lijkt het de aanblik van fluweel te hebben, op een andere die van een losgeweven stuk textiel, en op het wierookvat is het glad als glas. De combinatie van drie materiaalsamenstellingen en gietmethoden is beslist fascinerend, ook al weten we dat weer en wind het aanzien van dit monumentje danig gaat beïnvloeden.

kiyomizudera

De aaibaarheid van beton, als het goed gegoten is, zien we in de gebogen muren van de Kiyomizu-dera in Awaji die ontworpen werd door Tadao Ando. Een documentaire over deze tempel liet zien hoe de schaduw als een lichte sluier over deze muren glijdt — het is best mogelijk dat een en ander er tijdens beestenweer heel anders uitziet, maar ’t giet en stormt niet alle dagen.
Ando is ook verantwoordelijk geweest voor de bouw van de Komyoji-tempel  (komjo-dji) in Saijo met zijn “gecapitoneerde” wanden die een soortgelijk effect geven.

komyoji

Mét de nieuwste uitvinding van buigbaar beton, in Singapore, hebben we misschien wel de lelijkste periode van de betonbouw achter ons gelaten. Als iets vanuit zichzelf niet mooi is, maar ook niet weg te toveren valt omdat we ’t nodig hebben, dan moet je er iets mee doen. En als dat ‘iets’ dan niet zomaar kosmetiek is, dan is ’t goed.

Fantasiewereld in Bangkok

chira
bij afbeelding: Chira Chirapravati Na Ayudhya

Hoewel de lopende tentoonstelling van werk van thaise kunstenaars in de Bangkok Sombát Permpóen Gallery begin oktober 2016 afloopt is het best aardig hier een van de werken te tonen van Dzjiira Dzjiira-právati Na Ajóeddja. In de tentoonstelling onder de naam “Tribute” toont hij een van zijn meest succesvolle werken van kleurrijke fantasiefiguurtjes die fantasiedieren berijden.

Chira was op 6 mei 2014 nog van plan een eigen Mahanák gallery op te richten waar hij het werk van zijn familieleden en van hemzelf wilde tonen. Daar is voorlopig nog niet veel van gekomen, maar een plaats in een gezamenlijke tentoonstelling is ook niet gek.

sombat

De naam Na Ayudhya werd voor het eerst door koning Rama VI ingesteld en wordt gedragen door personen die verre, of verdere familie zijn van de koninklijke familie.

Kabuki-families

nakamura2013

De kabuki-familie Nakamura uit Tokyo is erg beroemd. Maar om toch hun kunstvorm onder de aandacht van het publiek te brengen stappen ze ieder jaar een keer door de straten van de stad, omringd door kabuki-liefhebbers, en met drommen fotografen die hen achteruitlopend voorgaan om zo de beste foto te kunnen maken van de vier mannen.
Het kabuki is, naar men zegt, ik ben geen kenner, een lichte vorm van het klassieke Nōh.

De foto toont zo’n vrolijke mars uit 2013. In september 2015 was er weer zo’n optochtje, en verklaarde de senior-leider van de groep, Nakamura Hashinosuke III dat hij van dan af de artiestennaam van zijn overleden vader zou aannemen: Nakamura Shikan.
In Japan News van 3 september 2016 ging het verhaal verder, of werd het nog eens herhaald, dat van het aannemen van de artiestennaam. Niet alleen dat, ook zijn zoons hebben nu een artiestennaam, in volgorde van senioriteit: Hashinosuke IV, Fukunosuke III, en Utanosuke IV.

kotaro

In mei 2016 had de TNP het verhaal dat een “kabuki musical, gepaard met ‘Buddhist chanting'” voor het eerst buiten Japan te zien was. Hier was sprake van een andere Nakamura, namelijk Kótaro Nakamura die in het kabuki-gedeelte de rol van “godin Hímiko” speelde (zie de foto).
Met ‘Buddhist chanting’ werd de liturgische zing-zeg recitatie van canonieke of post-canonieke teksten bedoeld. In het zuidelijke boeddhisme heeft men het dan over ‘paritta‘, en in het japanse voorbeeld uit met name de tendai en shingón-tradities over ‘shomyó‘. Beide recitatie-tradities, de zuidelijke en de japanse, hebben in klank niets met elkaar gemeen, maar naar inhoud komt het steeds neer op 1/ Boeddha of een ander rolmodel prijzen, 2/ de wens uitspreken zelf tot dat stadium te geraken, en 3/ de beste wensen uitzenden naar alle wezens en hen er aan herinneren dat innerlijke en uiterlijke vrede nog zo gek niet is.

Er staan twee erg op elkaar lijkende uitvoeringen van shomyó online. Het eerste voorbeeld stamt uit de tendai-richting van het japanse boeddhisme. Het zal u erg lang voorkomen, en u zult na een paar minuten al de neiging hebben om door te zappen/schakelen naar iets anders. Sta dan even op, loop een beetje rond, doe iets — kopje thee inschenken, laat de chant op de achtergrond meelopen, en kom dan weer, gekalmeerd, terug. ’t Is maar een raad; u hóeft het niet te doen. Hier is de doorklik.

Het tweede voorbeeld stamt uit de shingón-traditie en is veel korter.

Mocht u na het aanhoren ervan zijn blijven hangen, dan vervolgt de video-sliert met een opname van spel op de shakuhachi, gevolgd door een andere opname over de shakuhachi en de shamisen. De laatste video begint met de shamisen, gespeeld door mevr. Fukuda. (Het kabuki is nog steeds een mannenaangelegenheid; het Nōh experimenteert op dit moment met vrouwelijke acteurs.)

Kim Hong-do

In een artikel over een tentoonstelling in het Dongdaemun Design Plaza in Seoul deed de koreaanse krant JoongAng Daily van 8 augustus verslag van een tweetal schilders van wie werk te zien is tijdens deze door de Seoul Design Foundation georganiseerde opstelling.
An Gyeon, actief tussen ongeveer 1440 en 1470, was een van de landschapschilders in de absoluut traditionele stijl.
kim hong-do yeombulseoseung

De andere kunstenaar van wie de JoongAng twee werken toonde, Kim Hong-do, die leefde tussen 1745 en 1806 schilderde vanuit zijn boeddhistische gemoed. Beslist ontroerend is zijn schildering op textiel, de Yeom-bul-seo-seung, De Oude monnik die de Naam van Boeddha reciteert. Kijk naar dat nekkie, dat is toch absoluut treffend weergegeven!

Eigenlijk mogen we niet “nekkie” zeggen. Hong-do plaatst de monnik op een wolk, waarmee hij maar wil aangeven dat deze tijdens dit leven al een fors eind op weg is om na zijn dood in Amitabha Boeddha’s Gelukzalige Land aan te komen teneinde daar, met Boeddha als directe leraar, supersnel door te stoten naar volledige verlichting.

Verbasteringen

De Groene Amsterdammer van de week van 11 augustus had het notabene over boeddhisten (Ssssst, er zijn cactussen die ook pas na 50 jaar bloeien). Jos Campman had een best aardig artikel over de “bedelmonniken in Bangkok” die te dik zijn.
Dat zeg ik al jaren, de burgerij geeft hen de rijst van gisteren, veel te weinig groente, een sliertje vlees, bergen snoep, en zelfs een handje kauwtabak, ook al mogen ze het niet gebruiken. De ziekenhuiszalen liggen dan ook vol met monniken met ernstige vormen van diabetes.

ayutthaya

Ook aardig was een artikel over een nieuw museum in ‘s-Gravenhage — in dat deel van “De Haag” gebruik je de deftige naam. Huis Huguetan aan de Lange Voorhout, waar een paar jaar geleden nog tot op de draad versleten vitrage voor de ramen hingen, heeft er als eerste een tentoonstelling ingericht over kunst uit Azië, gecurateerd door Arin Rungjang (aríen roengdjáng). Er hangt niet alleen werk van aziaten, maar ook een schilderij van Johannes Vickboons, gemaakt tussen 1662 en 1663: Gezicht op Judea, de Hoofdstad van Siam.

Da’s lachen. Judea blijkt een van de verbasteringen van Ayutthaya (ajóe-taja) te zijn. Fotos van het schilderij zijn nog niet online, maar om het even te duiden, Johannes maakte een geïdealiseerd Midden-Europa, compleet met een lekker zonnetje, grote schaduwrijke bomen en wat bergen op de achtergrond. Ayutthaya heeft geen bergen, zegt de curator droogjes, de streek is net zo plat als Nederland.

Die verbastering herinnert aan gesprekjes met een oude Zeeuwse, een tijd geleden. Op vakantie op Curacao moesten haar kinderen betalen met “itelaanse huldens”. — Moeten ze niet betalen met amerikaanse dollars?  — Niiii-je, itelaanse huldens!
Weinig valutair ontwikkeld heeft het me toch enige tijd gekost voordat ik doorhad dat ze het had over “antiliaanse huldens”.

En als we het dan toch over verbasteren hebben, en ook over Thailand waar van 10 op 11 augustus stevige aanslagen werden gepleegd op een paar badplaatsen in het zuiden, nog maar even een paar uitspraken van thaise plaatsen:
Hwaa Híen (thais: Hua Hin), Soerát Tanie (thais: Surat Thani) Pang Ná (thais: Phang Nga).