De ekster en het verlangen

images
Er werd een gebouw afgebroken, en de twee bomen die ernaast stonden gingen er ook aan. Eksters hadden bezit van die bomen genomen en brachten er generatie na generatie hun jongen groot.
Nadat de bomen weg waren kwamen de twee eksters nog regelmatig terug naar de nu kale vlakte, druk heen en weer wippend, luid kwetterend. Ze waren nog niet gewend aan de nieuwe situatie.

Een jaar later hadden ze elders opnieuw een nest jongen grootgebracht, en nu kwamen de jongen op zoek naar de familiebomen-van-oudsher, ook druk heen en weer wippend, ook luid kwetterend. Het duurde een paar weken voordat dit verlangen naar het nest, dat ze nooit gekend hadden, was weggesleten.

Aan de eksters zien we hoe gehechtheid aan plaats iets is dat binnen families aan jongere generaties doorgegeven kan worden, in het geval van mensen waarschijnlijk zelfs zonder er ooit met elkaar over te spreken. Tot voor kort zouden we dan zeggen dat hier een marker op de genen zit. Nu het “dna, dna” door de zalen galmt zal gezegd worden dat er een stukje dna is dat een connectie tot stand brengt met oude plaatsen. De hersenspecialist weet ons inmiddels te tonen welk stukje van de hersenen oplicht bij het denken aan een roeiwedstrijd of chocolademelk.

Daar houdt de hersenwetenschap (science of the brain) voorlopig op, en begint de geesteswetenschap (science of the mind).
De hersenwetenschap toont ons zijn voorlopige kunnen: dat ene stukje hersen licht op bij het denken aan een roeiwedstrijd of aan chocola. Dat is al een hele winst, en teken van groot vakmanschap. Je moet het maar kunnen.

Niettemin treedt daarna de science of the mind, de geesteswetenschap uit de dharmische systemen naar voren. Waarom licht dat stukje hersen op bij het denken aan een roeiwedstrijd? Omdat er verlangen is. En waarom is er verlangen? Omdat de situatie, bewust of onbewust, als onbevredigend wordt ervaren? En waarom is er dat gevoel van onbevredigd zijn? Omdat niets volmaakt is, omdat er altijd wel iets te wensen overblijft.

Heel opmerkelijk is dat het mannelijk deel van het mensdom eindeloos in dat besef van onvolmaaktheid — doekkha in het Pāli en Sanskriet — kan blijven rondtollen, en dat vrouwen na kortere of langere tijd op zoek gaan naar een oplossing: Wat doen we er dan aan. In die zin had onze historische Boeddha zowel mannelijke kenmerken – het besef van onvolmaaktheid, als vrouwelijke – het oplossingsgerichte.
Voorbij de science of the brain, op het terrein van de science of the mind, heeft hij zijn denksysteem gebaseerd op het dóór dat besef van onvolmaaktheid heen gaan naar een doel waarin tenminste toch in de geest (mind) van het individu sprake kan zijn van een bevrijding, een verlost zijn van het blijven draaien en keren van onbevredigd zijn naar verlangen en weer terug. Dan hebben we het over verlichting, of we het nu nirvána noemen of het een andere naam geven.

Ullàmbana en Hungry Ghost-festival

Het gaat hier over een paar gebruiken binnen de etnisch-chinese gemeenschappen.

Of het nu expres is gedaan, dat een bevolking beide feestelijke weken in elkaar heeft geschoven om er niet al te veel tijd aan te hoeven besteden, is eigenlijk niet bekend, maar het Ullàmbana-gebeuren valt samen met een semi- of neo-daoïstisch gebruik, en wel dat waarin men eens per jaar offerandes brengt aan de geesten van overledenen, het Hungry Ghost Festival.

In principe staan beide gebeurtenissen haaks op elkaar. Daarbij moeten we erkennen dat hier het concept mythe meespeelt; voor wie er in gelooft is een mythe waar, voor wie er niet in gelooft is het ofwel een sprookje, danwel een gebeuren waar enige lering uit te trekken valt:

Het Ullàmbana is bedoeld, zoals onder de bovenstaande doorklik al gegeven wordt, om de restanten van overledenen die zich, net als alle andere wezens in het immer doorgaande rad van leven na leven bevinden (samsára) te helpen zo spoedig mogelijk weer tot een gelukkig bestaan op aarde te komen, want het is immers alleen in een mensenleven dat verlichting bereikt kan worden, het doel van het boeddhisme.

Het min of meer daoïstische “Hungry Ghost Festival” heeft een andere betekenis en doel. Van oudsher zijn er verhalen over geesten van overledenen die de levenden hier op aarde komen bezoeken en lastigvallen. Of het nu waar is of niet — waarschijnlijk niet —, dat wil men niet. Het “Hungry Ghost Festival” is dan ook uitsluitend bedoeld om de geesten “in hun hok” te houden: blijf alsjeblieft weg! we geven wel wat eten, en maken ook mooie buigingen, maar hecht je niet aan een levend wezen want zo’n wezen trekt dat niet en overlijdt. (Het filosofische daoïsme zal het “Hungry Ghost Festival” afwijzen, maar daar trekt de meerderheid van de bevolking zich weinig of niets van aan.)

Dan is er eens per jaar nog het Ching Ming-festival, dat dit jaar 2019 op 5 april viel, waarop de graven een beetje schoon worden gemaakt, familiebanden worden aangehaald, en de voorouders, die trailblazers, eerbiedig worden herdacht: zonder hen waren wij er ook niet geweest. Dit Ching Ming-festival, dat ooit in leven werd geroepen door een van de eerste chinese keizers heeft noch met Ullàmbana (Yü Lan Pen in het Chinees), noch met het Hungry Ghost Festival te maken. Ullàmbana vindt op 15 augustus 2019 plaats; wanneer de overigen hun Hungry Ghost Festival houden moeten ze zelf maar weten.

De online informatie die gegeven wordt door Hello Travel, de advertentie die als eerst op het scherm getoond wordt na het intypen van Hungry Ghost Festival is compleet verkeerd: ze hebben, zoals zovelen doen dit geestenfestival verward met Ullàmbana.

De persoonlijke godheid

tpl
Een volgeling van de overleden Sri Prabhupáda is Madhu Pandit Dasa de leer van Prabhupāda, stichter van de Rama Krishna-beweging voor. Volgens Prabhupāda’s leeropvatting is er een “Ultieme Werkelijkheid”, die de “Verhevenste Persoon” is (in dit geval Krishna), die niet een niet-persoon-zijnde entiteit is.
Het hinduïsme, of althans een flink deel ervan, stelt dat iedere godheid een levende persoon is. Er moet aan toegevoegd worden dat een ander deel van het hinduïsme weliswaar het concept god kent, maar stelt dat dit goddelijke alomtegenwoordig is, vooral IN de persoon die de godheid eert. Niettemin zegt deze stroming van het hinduïsme, net als de eerdergenoemde, dat deze geïnternaliseerde godheid zich toont in externe gedaante.
Boeddhisme kent geen godheden. Wat vandaag bekend is als de niet-menselijke wezens zijn de in de oudheid voorgestelde gelukzalige wezens die deva en brahma worden genoemd. Westerse vertalers — fundamenteel overschillig als ze zijn — hebben daar de naam “goden” aan gegeven, en het aziatische boeddisme heeft, onbekend met de betekenis er achter, die benaming overgenomen.
Hoe dan ook, de hindugod is dus niet een abstract concept dat voor het gemak in een mensachtige gedaante wordt voorgesteld. Hij/zij/het is “de levende god”, of de “persoonlijke god” zoals de christenen dit noemen, maar dan, althans voor een deel van die gelovigen, wel zichtbaar aanwezig in de verschillende beelden die ervan gemaakt zijn.
Dit, d.w.z. godheid met alles wat er bij komt kijken aan priesters etc., en het verschil van mening over het Ene onderscheidt het hinduïsme en het boeddhisme fundamenteel van elkaar.

Het blauwe uur

Kroyer
Een tijd geleden zette ik een artikel online over een franse politicus die aan de boorden van de Middellandse Zee zijn toehoorders herinnerde aan het feit dat de boorden rondom deze half-open zee in culturele zin altijd sterk met elkaar verbonden zijn geweest. Met name had hij het over Griekenland en de invloed die van daaruit over heel Europa uitging.
Kort daarvoor had een inmiddels overleden nederlandse schrijver de term “het blauwe uur” (l’heure bleu) aangezien voor het ochtendlicht. Een reactie daarop kon niet wachten: we hebben de “rozevingerige dageraad”, een term die voorkomt in Homerus’ Odyssee, en we hebben “l’heure bleu”, het blauwe uur, de korte tijd waarin de zon nog net niet onder de aardbol is weggezakt.
De rozevingerige dageraad is uiteraard zo duidelijk als wat, maar toen wist ik niet wie met die term “het blauwe uur” op de proppen was gekomen. In een 28 november 2018 herhaalde franse documentaire over Karen Blixen, de Pippi Langkous van de deense literatuur, werd het helder. Het was Peder Severin Krøyer (1851–1909) die niet alleen de term “het blauwe uur” bedacht, maar het ook heel mooi schilderde.

Het leven van de vlieg

meidoorn

De vlieg

Onlangs werd het leven van de vlieg proefondervindelijk aangetoond. Tegen het eind van het zomerseizoen kwamen een paar takjes meidoornbessen in huis. Na ekele dagen openden een paar van die bessen en vielen er minuscule kronkelende wurmpjes uit.
Zo gaat dat dan: ergens in de voorjaarstijd zet de vlieg haar eitjes af in het binnenste van de meidoornbloem. Daar raken ze ingesloten in wat uitgroeit tot een bes. Zodra die bes rijp is opent het zich en valt het van eitje tot wormpje getransformeerde begin van een vlieg er uit. Als die wormpjes de aanslag overleven van vogels die voor de winter een goede vetlaag moeten aanleggen, dan verschuilen ze zich onder het afgevallen blad en in de bovenste laag aarde.
Zodra er een warme voorjaarsdag is stijgt er — simsalabim, waar komen die nu vandaan? — een clustertje vliegen op uit de warme bodem en begint het spel van voren af aan.

Voorwaardelijk, afhankelijk ontstaan
In de canonieke Samyútta- resp. de Samyúkta-collectie van het Kleine Voertuig wordt het 12-ledige rad van Afhankelijk, Voorwaardelijk Ontstaan, (P.) paticca-samuppāda / (Skr.) pratitya-samutpāda, wordt deze gedachtegang in de Nikāya-, resp. de Āgama-collecties(1) als volgt gegeven:

“En wat is Afhankelijk, Voorwaardelijk Ontstaan? 1/ Onwetendheid is de voorwaarde voor samenstellen. 2/ Samenstellen is een voorwaarde voor bewustzijn. 3/ Bewustzijn is een voorwaarde voor naam en vorm. 4/ Naam en vorm is een voorwaarde voor de zes zintuigen. 5/ De zes zintuigen zijn de voorwaarde voor contact maken. 6/ Contact maken is de voorwaarde voor voelen. 7/ Voelen is een voorwaarde voor begeerte. 8/ Begeerte is een voorwaarde voor hechten. 9/ Hechten is een voorwaarde voor [embryonair] ontstaan. 10/ [Embrionair] ontstaan is de voorwaarde voor geboren worden. 11/ Geboren zijn is de voorwaarde voor ouder worden en dood, leed, gelamenteer, pijn, afzien en wanhoop. Zo komt deze hele massa van dukkha (duhkha) [op basis van voorwaarden en condities] tot ontstaan (en mondt uit in 12/ dood).”

Een onderzoeker naar boeddhistische teksten vroeg zich af hoe het mogelijk zou kunnen zijn dat uit dood (stadium 12) weer geboorte (stadium 10) kan ontstaan, want uit onwetendheid (stadium 1) ontstaat toch geen leven!
Toen wist ondergetekende het antwoord nog niet. Vandaag, met het leven van de vlieg voor ogen wel. Voorafgaand aan stadium 12, wordt op stadium 10 al de voorwaarde voor nieuw leven geschapen, niet in de zin van een wederopstanding, maar in de zin van een voortgaan van, in dit geval, materieel leven in een nieuwe vorm.
Op het moment van de dood, zo ontdekte Boeddha, is er al nieuw leven dat, mits de keten doorbroken wordt, opnieuw richting eitjes afzetten en sterven snelt, onwetend (stadium 1) van die cirkelgang en wat er na de geboorte als wetmatigheid volgt: accouplement, eitjes afzetten, nog een beetje rondvliegen, en dood neervallen.
Tot zover de vlieg. Warmbloedigen blijven nog een tijd leven, maar het principe is hetzelfde: de daad van propageren is bij het hoofdstuk “Ontstaan” gepleegd.

Reïncarnatie / wedergeboorte

Het is precies op basis van dit leerstuk dat diegenen die de genoemde Samyútta– resp. Samyúkta-leerredes meenemen nog de ernstigste bedenkingen hebben met betrekking tot diegenen die het door (pré-)hinduïsten aangereikte “reïncarnatie” huldigen. Of sterker nog, de “reïncarnisten” worden hartelijk uitgelachen: een terugkeer van het zelfde is niet mogelijk. Wel is het zo dat het ene, zonder dat er echt fysiek contact ontstaat, zonder dat er “hands-on” een duwtje wordt gegeven, het nieuwe mogelijk maakt te ontstaan. En dan spreken we over “wedergeboorte”, hoewel strict genomen ook deze term volkomen onjuist is. In die zin moeten we de oude daoïsten gelijk geven wanneer zij woorden hanteren die met “continuüm” vertaald zouden kunnen worden.

Niet-zelf
In het licht van dit leerstuk leerde Boeddha dan ook het “niet-zelf”. In die hele cirkelgang van gedachten, van lichamelijke en mentale gevoelens waar we, oppervlakkig denkend als we zijn, “mijn zelf” tegen zeggen, zien we bij nauwkeurige beschouwing dat voor het ontstaan van die nieuwe gedachte die nog komen moet de aanleiding al in embrionaal stadium aanwezig is. De aanleiding voor de opvolger van de huidige of “oude” gedachte was er al, maar manifesteert zich pas werkelijk nadat het oude heeft opgehouden te bestaan: we denken nooit aan twee dingen tegelijk, zelfs niet wanneer we schijnbaar tegelijk fysieke en mentale ondervindingen waarnemen. Een aangescherpte geest neemt waar dat de geest heen en weer gaat, van het ene fenomeen naar het andere, en zolang het ene wordt waargenomen is het andere er (even) niet.
Mijn zelf, zo leert Boeddha ons gedurende zijn hele onderwijzende leven na het uitspreken van de Eerste Leerrede waarin het twaalfvoudig pad al in beknopte zin wordt besproken, is niet meer dan een continuüm: niets blijft.

Zeg nu niet dat Boeddha het had van Ovidius die het in zijn Metamorphosen (418R) had over de geest die niet sterft. Dat is zó kinderachtig, en verraadt zózeer de imperialistische inborst van de westerse mens die desnoods stampvoetend laat weten dat híj en híj alleen de eerste was, de beste is, en de laatste zal zijn.
Het is heel wel mogelijk dat op verschillende punten op deze aardkloot verschillende personen op dezelfde gedachte komen. Zoals de hak die we afgebeeld zien op de oude egyptische monumenten ook wordt aangetroffen op die van de Mayas en Azteken, zo zijn ook de “oude Europeanen” en de aziatische denkers soms op ideeën gekomen die min of meer op elkaar lijken, en in het verschil ertussen tonen ze binnen welke cultuur ze zijn ontstaan.

(1) Dit zijn de canonieke Kleine Voertuig-collecties van respectievelijk het zuidelijke en het noordoostelijke Kleine Voertuig. (De Kanjur uit de Himalayas wordt hier buiten beschouwing gehouden).
Zie ook Avatámsaka soetra boek 23-2.

 

Tempelpilaren

Wanneer het over de pilaren gaat die in het interieur en op het exterieur van chinees-boeddhistische tempels te zien zijn, zien we steeds vaker dat deze pilaren, die men graag van een opschrift wil voorzien, van hardsteen of marmer gemaakt zijn, of van cement met een vrij dikke laag rode of goudkleurige verf. En we zien dan dat de teksten die er in zijn uitgebeiteld vervolgens zijn verguld. Er zijn ook steeds meer voorbeelden van als scrolls beschilderde vlakke platen die na het plaatsen van een pilaar er op worden aangebracht, zonder altijd rekening te houden met de aanwezige rondingen.

pillar

Zo niet met de vroeg twintigste-eeuwse tempels van de Cantonezen, de Hokkien, en de Teochew (spreek: hokjèn en tjo-tsjoew) in Zuid-Azië. In ieder geval in de iets kleinere tempels zijn de teksten “flush” aangebracht, zoals dat in steenhouwers en metselaarstermen heet, op één lijn met de omringende kleine steentjes.

En omdat het er toch nog redelijk wat zijn lopen we er doorgaans aan voorbij, zeker diegenen die niet in staat zijn de oude schrijfwijze en het antieke lopende schrift dat er vaak naast staat te lezen.

Zo’n pilaar decoreren vergt een vakmanschap dat waarschijnlijk verdwenen is. Eerst moeten de karakters uit harde zwarte steen worden gesneden. Dan moeten ze aangebracht worden, en vervolgens is het zaak om de miniatuursteentjes waarin de teksten gezet zijn zo nauw, maar ook zo regelmatig mogelijk aan te brengen, zonder al te veel voegrandjes. Dat vergt een aantal manuren dat vandaag onbetaalbaar zou zijn.

De bijgaande foto toont er een in een andere dan de onderbeschreven tempel. De foto is genomen in een hal waar memoriaalplaquettes voor de overledenen in de muren zijn aangebracht.

Een voorbeeld van zo’n viertal pilaarteksten zijn voor de bouw van een nieuwe tempel in de maleisische plaats Ampáng, de Sam Poh Tong, te zien. Daar heeft de etnisch-cantonese bevolking een nieuwe thuishaven gekregen. Op die nieuwe plek heeft de abdis Sing Kan fashih besloten de teksten te laten verwijderen van de pilaren in een tempelgebouw dat op de slooplijst stond, om ze naast elkaar, als min of meer platte tekst, maar toch een beetje afgerond tegen een muur in haar nieuwe tempel te tonen. (Fashih = dharmapersoon = moniaal; spreek ongev. : faa suh)
De etnisch-indiase metselaar-restaurateur laat op de video terecht trots zien hoe hij ook het oude ronde raam opnieuw inmetselt. Hij noemt het een chakra (spreek: tsjàkra).
Op de video zien we de grote tekst vergezeld van een kleinere, links bovenaan, in wat “running script” wordt genoemd, een van de oudste schrijfwijzen van China.

Het komt nog niet voor dat specialisten op het gebied van tempelarchitectuur en -decoratie aandacht hebben voor dergelijke details. Daarom is het goed dat de eerwaarde Sing Kan fashih zo vooruitziend is geweest een paar voorbeelden van dit ambacht te bewaren voor een komende generatie die ze waarschijnlijk zal gaan ontdekken als typerend voor de zuid-chinese tempelinrichting van de negentiende, begin twintigste eeuw.

Californië

bierstadt

In 1874 schilderde Albert Bierstadt, een van de eerste-generatie immigranten naar Amerika, in Californië de grote Redwoods, de sequoioideae of sequoia. Zijn werk hoort tot de “Hudson River School”, de vroeg-amerikaanse romantiek — waarbij we bij rond vroeg-amerikaans een paar aanhalingstekens moeten plaatsen, gezien de geschiedenis van het continent. Thomas Cole, de stichter van die schildertrant, was een Brit, en bracht de engelse Romantiek naar het voor de settlers nieuwe continent. De in Solingen geboren Bierstadt legde er met zijn op de duitse Romantiek geïnspireerde schildertrant nog een schepje bovenop.

Een enkele boom op Bierstadt’s schilderij was eind 19de eeuw al zo groot dat mensen bij zware regens konden schuilen in de stam, rechtop staand. In het onderstaande blog lezen we dan ook dat ze vuurtjes stookten in die stammen, om ze nog verder uit te hollen en er min of meer in te kunnen leven, althans slapen.
Bierstadt schilderde hier de oorspronkelijke bevolking van deze streek: van 1821 tot 1846 stond de staat onder mexicaans bewind, na de europeaanse bontjagers, de spaanse overheersing, en de russische aanwezigheid. Tot 1850 leefden nog 12 verschillende indigene bevolkingsgroepen in de Redwood-bossen langs de kust, daarna kwamen Bierstadt en de noordamerikaanse kolonisten.

Het genoom

Lorraine Dechter van Action News Now had op 30 juni 2018 een artikel waarin onderandere gemeld werd dat de Senaat van Californië 2018 tot “jaar van de Redwoods” had verklaard.
Lorraine kondigde ook aan dat er een tv-uitzending zou komen over de manier waarop het genoom van deze bomen in kaart gebracht is. Misschien wordt die uitzending ook wel aangekocht door tv-zenders aan deze kant van de eendenvijver.