Bali

Het is toch van belang het af en toe over de woorden en beelden te hebben die buitenstaanders op het boeddhisme loslaten zodra ze er iets van zien of over horen, om dan het geleerde of geziene te beschrijven met gebruikmaking van de terminologie uit de eigen levensbeschouwing of religie — uiteraard; dat er andere levensbeschouwingen zijn dan het christendom op het westelijke halfrond, en het jodendom en de islam meer naar het oosten, is immers nog steeds grotendeels onbekend. Nog in 2002 had een met vluchtelingen werkende ambtenaar nog nooit van boeddhisme gehoord — en deed navraag bij een katholiek priester — want die boeddhisten zelf gaan je bekeren, en dan ben je voor de rest van je leven van de leg af.

Zo heeft Creative market bij een leuke foto, die gekocht kan worden, een onderschrift dat luidt: “Sacrifice oblation, traditional offerings for Gods in Buddhist temple, Bali.”

280318

Voor wat betreft “sacrifice oblations“: Op mijn engelstalige blog wordt uiteengezet dat een begrip als zelfopoffering (sacrifice) geen boeddhistisch begrip is. Ook de bijdrage onder de titel Pity and martyrdom geeft aan dat “offering” (sacrifice) als “opoffering” problematisch is in het licht van het boeddhistische denken. We hebben het liever over geven (dana). Dana is een woord uit het Sanskriet en aanverwante talen en dialecten zoals het Pali.

Voor wat betreft “Gods” is een en ander nog problematischer. In het Kleine Voertuig (theravāda) worden porties van het eigen voedsel symbolisch aangeboden aan Boeddha — die geen god is. In het (oostaziatische) Grote Voertuig gebeurt hetzelfde, plus een eveneens symbolische aanbieding van voedsel aan de bodhisattvas en welke andere levende wezens dan ook die honger hebben. Eventuele “goden” daarentegen zorgen maar voor zichzelf, voorzover goden eten, natuurlijk.

Natuurlijk is zo’n symbolische offering niet “echt”. Zelfs, of zeker, boeddhisten maken gebruik van allegorieën, sprookjes, sterke verhalen, e.d., alles met het doel om bepaalde gewenste levenshoudingen vast in het bewustzijn te vestigen, in dit geval dus gulheid resp. hulpvaardigheid.

Of op het fototje sprake is van “Buddhist temple, Bali“, is onwaarschijnlijk. Bali is voor het merendeel een hinduïstisch eiland. De een of twee boeddhistische tempels op Bali leggen voedselofferandes niet neer op de plint van een verlaten tempel, maar binnenshuis, op een speciaal daarvoor ingerichte plek, wellicht met uitzondering van de grootste bijeenkomst in het jaar die in mei gehouden wordt. Dan kiest men een plek in de open lucht opdat zoveel mogelijk mensen deel kunnen nemen.

Advertenties

Nieuwe .nl-uitgang

Stichting White Jade River, instituut voor boeddhisme (KvK nummer 20138036)
Boszicht 56
4462BJ Goes (Nederland)
infowjr@yahoo.nl
whitejaderiver@gmail.com

Van http://www.buddha-dharma.eu naar http://www.buddha-dharma.nl

Met het hostingbedrijf waar de website http://www.buddha-dharma.eu was ondergebracht gaat het niet goed. De server waarop de site geplaatst is, is “uit de lucht” en als gevolg is de site onzichtbaar. Dat gaat niet op korte termijn goedkomen.

Er is daarom bij een ander hostingbedrijf een site geregistreerd onder de titel http://www.buddha-dharma.nl. Voorlopig, tot 1 februari 2018, staan hier alleen de doorklikken naar de meest belangrijke archieffiles die zijn samengebracht op de overzichtspaginas ARCHIEF, en CANONIEKE TEKSTEN.

De nieuwsrubriek komt binnenkort weer op gang onder http://www.buddha-dharma.nl
Voorlopig zijn een aantal artikelen geplaatst op mijn Facebookpaginas BOEDDHISME MAAND NA MAAND, en RÁTANA SIFU (dat ben ik).

Verder blijven beide blogs bereikbaar: TULPEN EN TEMPELS, en WORDS IN PICTURE.

De doorklik naar deze twee Facebookpaginas en twee blogs zijn te vinden op de voorlopige voorpagina van http://www.buddha-dharma.nl
De website is nu ondergebracht bij hostingbedrijf iXL.

Roze pagoda

WatSamphran

This is colossal — zegt u dat wel — gaf een serie fotos van een roze toren waarlangs zich een draak naar boven slingert. Het gaat dan over Wat (= tempel) Samprán in Thailand. Onder de doorklik naar deze video zien we op 0:28min een standbeeld dat Quanyin moet voorstellen. En dus is het bouwwerk neergezet door Chinese Thai, en mogen we ons afvragen of er een monialengemeenschap leeft. Het kan zomaar zijn dat het complex leeg staat, en dat de bouwer nog steeds op zoek is naar Chinese monialen die zijn extra-ordinaire bouwexperiment willen gaan runnen.

 

Tempels en boeddhabeelden

Zowel de architect Tadao Ando met zijn boeddhabeeld op een begraafplaats, als de architect en zijn opdrachtgevers van langs de Tangshan-rivier zullen de stoepas met boeddhabeelden er in op de top van de Borobudur in gedachten hebben gehad. De bouwer van de Borobudur heeft met het plaatsen van boeddhabeelden in stoepas gedacht aan de dharma-dhátu, in de zin van het universum dat in al zijn aspecten de leer van Boeddha illustreert.

ando

Onderandere de DIRT, c.q. Jared Green, toonde in een artikel met begeleidende video de “Boeddha-heuvel” van architect Tadao Ando. De heuvel, met verzonken Boeddha, een kopie van de beroemde Nara Boeddha, waarvan de ingang achter een vijver ligt, is deel van een begraafplaats in Saporro, Japan.
De heuvel is inmiddels beplant met lavendel, schrijft Jared.
De foto van het interieur van de kunstmatige grot, hier getoond door een andere architectuurliefhebber, lijkt wanden te hebben die min of meer de plooien van een lotusbloem zouden kunnen verbeelden. En Ando heeft er kennelijk voor gekozen een modern soort wierookvat te plaatsen, in de vorm van dunne, als een mat bijeengebonden riet- of bamboestengels, waarop alleen die soort wierook brandt die niet vrij in de lucht dient te staan.

Ando’s werk is aanvaardbaar omdat hij er zorg voor heeft gedragen het beeld min of meer op een heuvel te plaatsen, en niet in een kunstmatige grot zoals de architect van opdrachtgever Floor Nature heeft gedaan.

tangshan

Langs de boorden van de Tangsjan staat het overigens prettig uitziende gebouw, ontworpen door Han Wen-Qiang en Archstudio. Het is zodanig ontworpen dat het beeld van in een verzonken ruimte lijkt te staan, waar het zo mooi belicht wordt door de zon die er slechts min of meer horizontaal op kan schijnen. Han Wen-Qiang heeft er overigens zorg voor gedragen dat het hele gebouw, met kunstmatige grot, boven het maaiveld uitsteekt.

Per oostaziatische traditie staat een tempel op de hoogst mogelijke plek — een bergtop of heuveltop. En voorts staat het centrale boeddhabeeld ook op de hoogste plaats, is het niet op de bovenste verdieping van een tempel, dan toch op de bovenste etage van een gebouw, en zeker op een hoogste plaats tegen een muur, zonder een of ander leuk dingetje er boven — niets mag de aandacht afleiden.
Het beeld in een holte in de grond plaatsen, bijvoorbeeld, geeft het de plek van de daoïstische aardegod Tudi. Dat concept wijst het boeddhisme af. Er wordt dus bij de aankoop bij voorkeur voorbijgegaan aan altaartafels/-kasten die onderin een uitsparing hebben, want je kan er op wachten dat daoïsten binnengeraken met een wierookpot, een rood stuk papier waarop de naam van die aardegod staat, en een vuistvol wierook. Waar een tempel een altaar-meubel heeft met zo’n uitsparing wordt er zorg voor gedragen dat er iets anders staat dat niet verwijderd kan of mag worden. En soms is de uitsparing dichtgetimmerd. In de Thekchen Choling in Singapore, een ‘tibetaanse’ tempel, heeft men het probleem opgelost door het portret van de leider onderin te zetten. Persoonlijk vind ik het nog steeds een kelderachtige situatie, maar zij schijnen er vrede mee te hebben.

De enige omstandigheid waarin een boeddhistisch beeld ondergronds geplaatst zou kunnen is in het geval van de bodhisattva Ksiti-gárbha, Dii-dzáng in het chinees. De legende heeft het dat deze kracht in de aarde is afgedaald om daar de overledenen te helpen in hun passage door een moeilijk niet-menselijk bestaan.

En wanneer we het er dan toch over hebben: de traditionele boeddhist wil in een tempelhal graag oog in oog met het boeddhabeeld verkeren. De zuidaziaat zit op de grond, het boeddhabeeld staat daarom ook op de grond. Maar de oostaziaat staat tijdens de ceremonieën, en dus staat het boeddhabeeld hoog, op zo’n genoemde altaarkast. Ook daaraan valt te herkennen tot welke stroming de tempel behoort die u op vakantie betreedt.

De Tibetanen zitten aan de voet van zo’n beeld, ook dat is een weerslag van, in dit geval, hun houding naar Boeddha en het concept verlichting.

Eindeloze knoop

vienne
Op de archeologische site van Sainte-Colombe in de buurt van Vienne in het oosten van Frankrijk, zijn de restanten van een romeinse villa nog wat verder blootgelegd. Op het stuk mozaiekvloer dat voorzichtig met een vegertje werd afgestoft zien we het motief van de eindeloze knoop.

endless knot

Lang hebben voornamelijk de Himalaya-stromingen van het boeddhisme gedacht dat zij daar het patent op hadden. Maar na later bleek komt het motief van de, in ’t Sanskriet shrivátsa, en in ’t Tibetaans dpal be’u, de naar rechts draaiende knoop, dat daar staat voor Boeddha’s eindeloze wijsheid en mededogen, én voor de onderliggende werkelijkheid van het bestaande, bijna overal voor.

terschellinger

Zelfs vonden we het op de Terschelliger matten. Matten die schippers vlochten van niet meer voor het bedrijf geschikte sisaltouwen. De platte knoop kenden ze uit het schippers- en visserswezen, en die knoop werd herhaald in de deurmatten. Wat hier getoond wordt is niet gemaakt van sisal, en heeft niet de “ouderwetse” vorm; die lijkt helemaal verdwenen te zijn.

Hemel en hel in San Antonio

amidatriade

Een betere illustratie van het westerse denken in tegengestelden — goed vs slecht — had het San Antonio Museum of Art in de VS niet kunnen geven. Op 16 juni 2017 opende een tentoonstelling onder de titel “Heaven and Hell: Salvation and Retribution in Pure Land Buddhism“. Het museum had zich voorgesteld het mahāyanistisch-boeddhistische concept van “Pure Land” te illustreren, een van de belangrijke stromingen van het boeddhisme in Japan.
Ter illustratie werd de hier getoonde triade online gebracht van een Amitābha Boeddha (Amidá in het japans) met flankerende beelden van de twee bodhisattvas Kannon (Ava-loki-teesh-vara in het hybride Sanskriet) en Seishi (Mahā-stháma-prápta eveneens in het hybride Sanskriet).

Het “Pure Land” is dan in de ogen van de tentoonstellingmakers in San Antonio een “hemel”, en waar er een hemel is, daar móet dús ook een hel zijn — het dualisme volgens de oude Grieken, de bijbel en de koran.

Pure Land is een vertaling van het hybride Sanskriet-woord “soekháá-vati” (géén klemtoon op –va), en “hel” is in principe een vertaling van de verzamelnaam, eveneens in het hybride Sanskriet, dóer-gati (ook op –ga géén klemtoon).
Soekháá-vati (officieel Sukhavati) valt in twee delen uiteen: sukha– staat voor geluk of gelukzaligheid, en –vati staat voor een bestaanssfeer: plek van opperst geluk. Geabstraheerd kunnen we het voorstellen als de staat van geest na het behalen van (een vorm van) verlichting.

Dóer-gati (officieel Durgati) valt ook in twee delen uiteen: dur– (afgeleid van duh, ongeluk, lijden, staat voor onfortuinlijk, en –gati betekent hetzelfde als –vati, dus: onfortuinlijke bestaanssfeer.

De beide leerredes (sūtra) over Amitābha Boeddha hebben het uitgebreid over Sukhavati, maar niet over Durgati. Het oude boeddhisme en enkele overige nieuwere boeddhistische stromingen spreken wel over Durgati, en dan over een soort ongelukkig tussenbestaan waar de mens (na de dood) terecht komt die ’t verknoeid heeft, een staat waarin hij er, zeg maar, nog eens over na kan denken, en goede voornemens kan formuleren, om daarna weer door te stomen naar een betere zijnstoestand.

We kunnen zeggen dat dit alles — van het mensenleven naar Durgati naar Sukhavati — zich in dit ene leven van ons kan voordoen: we begonnen zo goed, als babytje, sloegen daarna hier of daar misschien de plank goed mis, gingen een beetje zitten miezemuizen, en kwamen er daarna weer bovenop. Zo moeten we hemel en hel in het boeddhisme zien, met uitzondering van het Pure Land (Reine Land) boeddhisme waar die helse toestand helemaal ongewenst en overbodig wordt geacht. Ze wijzen dit concept van Durgati ferm van de hand.  “San Antonio” heeft de Reine Landboeddhisten uit de buurt dus geen dienst bewezen met hun lollige titel over de hemel en de hel.
Boeddhisten zijn dan ook niet of nauwelijks bereid te gaan kijken naar tentoonstellingen over boeddhistische kunst, ten eerste niet omdat we het niet zo nodig vinden dat datgene waarvoor we opperst respect hebben wordt geprofaniseerd, of wanneer kapotte beelden juist mooi gevonden worden omdát ze kapot zijn, en ten tweede niet omdat we telkens weer in de stress schieten wanneer een of andere lolbroek zelf iets boeddhistisch’ gaat zitten bedenken.

Kaikei, japans beeldhouwer

 

p12-larking-kaikei-a-20160524-200x200

Matthew Larking, die op 23 mei een artikel schreef voor de Japan Times, noemt bodhisattvas dan wel “gods”, maar verder is zijn verhaal een goede aanvulling op het Tulpen en Tempels / White Jade River-artikel over de bodhisattva Ksiti-gárbha.

Het beeld dat hierboven getoond wordt werd gemaakt door de japanse beeldhouwer Kaikei die ergens rond 1190 leefde — een belangrijk werk van Kaikei is de zogenoemde “staande Amida Nyorei”. (Amida is de verjapanste vorm van Amitābha, en Nyorei is japans voor Tathágata)

Kaikei’s vader was Kōkei, en zijn broer heette Unkei. Aan Unkei’s werk is eveneens een TT-pagina gewijd.

Zo oppervlakkig gezien lijkt Kaikei net zo’n strenge persoon te zijn geweest als zijn broer Unkei. Hoewel Ksitigarbha, in het japans Jizó, de meest zachtaardige onder de bodhisattvas wordt verondersteld te zijn — aangenomen dat we deze concepten willen antropomorfiseren — en dat willen we niet allemaal, dit beeld van Jizó (spreek: djie-zó) geeft hem toch een zekere strenge kracht, meer dan in andere beelden en schilderingen.