des p’tits Poulbots

steinlen-1902
Bij het zien van een van de vele tekeningen van katten door Théophile-Alexandre Steinlèn, die leefde van 1879 tot 1946, en die de vaste illustrateur was van chanson-schrijvers in de cabarets van Montmarte en Menilmontant, moet je meteen denken aan zijn nog beroemdere tekeningen van arme Parijse kindertjes uit die 19de-20ste eeuw. Hij noemde ze “des p’tits Poulbots”.
De studie van een kat werd overigens getoond door de Art Newsletter van 11 februari.

steinlein

Aristide Bruant, de grote mond uit Le Chat Noir, noemde in zijn liedje à Montmerte die kindertjes “des p’tits Poirier”, maar we hebben het nog steeds over dezelfde scharminkeltjes.

Tiffany Singh

In een artikel in Otago Daily werd het werk van Tiffany Singh besproken, een kunstenares die heel veel doet met van plafond tot vloer hangende gekleurde stroken textiel. Het werk dat de Otago Daily toont heet “Om Mani Padme Hum”, de Himalaya-boeddhistische ode aan Avalokiteshvara: O, juweel in de lotus. De verklaring bij dit werk en de indruk die het achter zou moeten laten gaat over spectraal licht, hoe kleur wit kan worden, en hoe Tiffany dat ziet als een verbeelding van “reine verlichting” (pure enlightenment).

knock-on-the-sky-listen-to-the-sound

In 2012 had ze eveneens een linten-installatie, deze keer met er aan vastgebonden klankstaven. De in Sydney getoonde installatie had de titel “Knock on the sky – Listen to the sound”. Dat is een titel waar een doorgewinterde zenmeester wel wat mee kan. Zie de foto.

Tiffany Singh blijft graag bij het thema boeddhisme en heeft dan ook een tentoonstelling, “Mahā-bhutā”, gehad in de Foguangshan-tempel in Australië.

De Genji Monogatari

In 1998 kwam de tiendelige hertaling gereed van de eerste japanse novelle, “Het verhaal van Genji” (Genji Monogatari).

Het naar het moderne japans overzetten werd gedaan door de boeddhistische Tendai-non Jakóetsjo Setóetsji (1922 – [schrijf: Jakucho Setouchi]) die in 1973 intrad en sindsdien een van de meer belangrijke en geliefde tendai-leraren is geworden. Vandaag is ze “met pensioen”.

Blijkbaar bereikte de roem van deze hertaling van “de Genji” ook de kunstenaarsgemeenschap in Amerika want Helen Frankenthaler maakt in datzelfde jaar een schilderij met de titel “Tale of Genji”. Zie de afbeelding.

helen-frankenthaler-tales-of-genji-iv-1998

De rechtvaardiging voor een boeddhistisch non om “de Genji” (spreek: Géndji) opnieuw ter hand te nemen is eigenlijk maar heel dun. De edelman Genji wordt op een gegeven moment ervan overtuigd om “de Derde Prinses” van het dan regerende vorstengeslacht te huwen. Kort na de geboorte van haar eerste kind, een zoon, verlaat deze prinses het huwelijk en treedt in als boeddhistisch non. Het verhaal berust op de werkelijkheid. De historische werkelijkheid komt onderandere voor in Paul Groner’s “Ryōgen and Mount Hiei: Japanese Tendai in the Tenth Century” (Kuroda Inst. 2002).

Het Tendai heeft naar we mogen aannemen vanaf het begin een nonnenorde gekend, en het is bekend dat bijvoorbeeld iemand als de hofdame Sei Shonagón tendai-priesteres werd. Zo lijkt het er op dat het tendai-nonschap een aanvaarde en gewilde uitweg was voor weduwen, voor vrouwen die het huwelijk niet zo op prijs stelden, en voor verstoten vrouwen uit de hogere strata van de japanse samenleving. Oude prenten laten zien dat ze vergelijkerderwijs luxe kleding droegen en het hoofd niet kaal schoren. Daar is in de loop van de eeuwen drastische verandering in gekomen.

Judith Leyster

judith-leyster

Ergens op een landgoed in Engeland, schrijft Amah-Rose Abrams op 5 januari, is het zelfportret gevonden van Judith Leyster. Het werd gemaakt in 1633, voordat ze, volgens de gelovigen, het schilderen opgaf om zich aan haar vijf kinderen te gaan wijden.

Geloof dat maar niet. De generatie van Judith mocht eigenlijk niet schilderen, dat was niet des vrouws. Dat zij het toch deed begrijpen we nu aan de hand van het portret: een stevige tante die zich niet zomaar liet gezeggen. En toen Judith en nog een heel klein aantal vrouwen het penseel ter hand mochten nemen werd hen meegedeeld dat leuke schilderijtjes over tafereeeltjes in en om het huis oké waren, maar toch geen zeegezichten, laat staan slagvelden, generaals en stervende paarden.
Daar hield die generatie zich aan. Of anders gezegd, andere dan de toegestane onderwerpen zouden ze aan de straatstenen niet kwijt zijn geraakt.

Die onderdrukking heeft heel lang geduurd. In de vijftiger, zestiger jaren van de vorige eeuw werd een meisje dat geïnteresseerd toekeek hoe een fiets werd gerepareerd er door potige tantes op attent gemaakt dat dit “niks voor vrouwen” was; “ga naar je moeder”.
In diezelfde jaren sprak een vader een “meisjes lezen geen kranten; daar krijg je maar rimpels van en je gaat bezorgd kijken; dat vinden mannen niet leuk” uit.
In de zeventiger jaren op een bankje langs de kust in Nice eiste de mannelijke persoon de krant op: vrouwen lezen geen kranten.
Ook in die jaren kon geen vrouw zelfstandig een huis kopen of een zaak openen. Daar had ze de mede-handtekening van een mannelijk familielid voor nodig, want vrouwen konden dit soort moeilijke transacties toch niet overzien.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de huidige generatie vrouwen van rond de zeventig/tachtig met onbegrip kijkt naar een jonge generatie die al dan niet in gangsta-rap-clips zich als dom sexobject laten gebruiken en dan ook nog trots zeggen dat het hen niet deert en dat ze er zelf voor gekozen hebben. Jaja, dat zal wel.

Sneeuw

Om mijn paard halt te laten houden
om mijn mouwen af te schudden —
nergens een afdakje!
Rondom heel Sano
sneeuwt het tot aan de ochtend.

Fujiwara Sadaie (alias Teika) 1162 – 1241

david-hockney-snow-from-the-weather-series-prints-and-multiples-lithograph-zoom_550_654

Twee Amerikanen, David Hockney (1937) en Roy Lichtenstein (1923 – 1997) hebben zich bezig gehouden met een veramerikaanste variant van de japanse en chinese prentkunst, en dan met name met winterlandschappen.
Hockney maakte in 1973 het hier getoonde winterlandschap met drie huizen in de sneeuw, in een stylistisch geslaagde “japonoiserie” waarin het groen van de pijnboom nog eerder de aandacht opeist dan de huizen onder de sneeuw.

Roy Lichtenstein kwam een jaar voor zijn dood, in 1996, met een variant op het chinese landschap waarin zo de nadruk ligt op de nietigheid van het menselijk leven ten opzichte van een overweldigende natuur. Hij gebruikte zijn bekende stippelmethode om op een doek van 1024 x 623 mm de golven van een machtige rivier aan te duiden met in de linkerhoek een petieterig bootje. Je moet er naar zoeken.

landscape-with-boat-1024x623-lichtenstein-1996

In een gesprek (http://pages.cs.wisc.edu/~dyer/ah336/papers/newyorker-looking-glass.pdf)
stelde David Hockney wel de retorische vraag “of iemand precies weet hoe Roy Lichtenstein zijn effecten creeërde”, maar ik ben toch geen bron tegengekomen waaruit zou blijken dat beide kunstenaars elkaar hebben ontmoet.

Vairocana en de mandorla

Op 19 december toonde de Joong Ang Daily een foto van een uit ijzer vervaardigd beeld van Vairocana Buddha (ook op deze pagina). Het beeld staat in de Bórimsa-tempel in Jangheung in de streek Zuid-Jólla (schrijf Jeolla) van Zuid-Korea. Het werd in het jaar 858 gemaakt.

18193911
Er zijn twee opvallende zaken aan dit berichtje. Ten eerste wordt hier gesproken over een ijzeren beeld. Dat is opvallend omdat het mahāyāna-boeddhisme zoals dat vanuit China naar Korea migreerde naar voor-boeddhistische opvatting geen voorliefde heeft voor de combinatie ijzer en tempel, c.q. boeddhabeeld, hoewel er, wellicht bij gebrek aan nobeler metalen, in China wel een paar oude boeddhabeelden uit ijzer zijn te vinden.
Het tweede opvallende is dat de auteur van het stuk over Nationaal Erfgoed 117 spreekt over een “mandórla“, een aureool dat achter het hoofd van het boeddhabeeld bevestigd zou zijn geweest, maar dat inmiddels zoek is.
Het komt voor dat in Korea, achter beelden van Vairocana Buddha, voorzover het een alleenstaand beeld is, zo’n aureool te zien is. Maar zodra op de achtergrond de menigte zichtbaar is die volgens de Avatámsaka soetra aanwezig is wanneer deze boeddha op zijn lotustroon gezeten is — en hij zit er altijd op — dan vormen zij het aureool, en worden hun portretten niet in de schaduw gesteld door een versierd, rond of ovaal gevaarte.

Hokusai-museum

hokusai-museum

Het ontwerp van het Sumida Hokusai Museum in Tokyo, schrijft John L. Tran voor The Japan Times van 6 december, lijkt recht uit de jaren 1990 te komen. Veel en veel glimmender dan het Guggenheim in Bilbao, en naar vorm net zo extreem als de ontwerpen van wijlen Zaha Hadid, maar dan met scherpe hoeken, waar je bij Zaha niet mee aan hoefde te komen, is er een eerste tentoonstelling georganiseerd die op 15 januari 2017 alweer sluit. Tegen die tijd hebben de bezoekers aan “The Return of Hokusai” onderandere kunnen kijken naar een 7 meter lange rolschildering genaamd “landschapschildering van het land ter weerszijden van de Sumida-rivier”. Een ander krantenartikel laat zien wat er bedoeld wordt met die zeven meter lange rolschildering van Hokusai. Mari Hiratsuka, de schrijver van het Timeout-artikel toont daarin wel het resultaat van architect Kazuyo Sejima, maar is zo gefocust op wat er in het gebouw allemaal plaatsvindt, dat ze aan een beoordeling eigenlijk niet is toegekomen.