Harsha en Yodmanee

Punarapi

Jeff Michael Hammond liet op 28 februari een artikel online brengen over de indiase kunstenaar N.S. Harsha. Het artikel werd geïllustreerd met een foto van het supergrote doek ‘Punarapi Jananam Punarapi Maranam,’ vertaald met “Opnieuw geboren (worden) – opnieuw dood (c.q. sterven)” (spreek ongeveer: póenar-aapi djáána-nam, póenar-aapi máára-nam).
Het werk stamt uit 2013. N.S. Harsha is een hinu; hij verstaat de cirkelgang van het leven ietsje anders dan de boeddhist. De eerste wil nog wel eens in reïncarnatie geloven: dezelfde essentie die in een andere gedaante terugkomt, de boeddhist, met uitzondering van het latere Himalaya-geloof, ziet het eerder als een niet-essentie, een continu veranderende stroom, die bij de dood het voortzetten van een deels ander, deels hetzelfde continuum in een nieuw leven aanjaagt.
Overigens werd Harsha’s werk m.i. niet zo mooi tentoongesteld; het zo’n beetje voor te stellen als een opgespannen tentdoek doet er geen recht aan.

N-Harsha

Bij een artikel over de 2017 Indian Art Fair werd nog een werk van Harsha getoond dat ongeveer hetzelfde thema heeft: een kalligrafie-achtige zwier over een kapotte stoel. Helemaal niet slecht.

yodmanee

De Japan Times, d.w.z. John L. Tran, publiceerde een stuk over de net afgelopen Singapore Biennale. Tijdens die tentoonstelling viel het werk van Pannaphan Yodmanee op (spreek: Pánnapan Jod-manii). Zijn ‘Aftermath’ uit 2016 lijkt vanuit de verte op wat er overbleef na een natuurramp, maar bij nadere beschouwing zien we speelgoedgrote stoepatjes die soms wel, soms net niet verbrijzeld lijken te zijn door twee stukken omver getrokken muur.
De sfeer van het werk is ook vanwege de gebruikte kleuren erg aantrekkelijk.

Banksy en Palestina

Op 3 maart 2017 lieten zowel Emma Graham-Harrison van The Guardian als de britse tv zien hoe Banksy een “Bethlehem Barrier Wall Hotel” had ingericht, met een sterke verwijzing naar het Palestina- Israëlprobleem.
En opnieuw werd de vraag gesteld wie Banksy is. Is het een man, is het een vrouw, is het — ook gezien een groot project als dit “hotel” — een collectief?
Het zou kunnen dat Banksy deze keer wat dat betreft door de mand zal gaan vallen: iemand, of een groepje, moet toch naar de winkels in of rond Bethlehem zijn gegaan om daar meubelen, gordijnen, bedden en what have you in te slaan voor dit protesterende kunstproject. Mochten die winkeliers achteraf hun waar in dit “hotel” zien staan, dan zullen ze zich wellicht ook de koper(s) herinneren en gaan vertellen hoe hij / zij/ zij (meerv.) er uit zag of er uit zagen.

banksy-palestine-wall

Met projecten als deze heeft Banksy zijn manier van werken uitgebreid van haastig uitgevoerde heel of half- of niet-illegale muurstencils op gebouwen tot ware “installaties” in de kunstzinnige betekenis van het woord. Hij (laten we voorlopig het ‘mannelijk, enkelvoud’ gebruiken) is in ieder geval “politieker” gaan werken. Zagen we tot voor kort nog voornamelijk werk dat pacifistisch geïnspireerd was, en dat verder geen specifiek standpunt innam (bv. die relschopper die met een bos bloemen smijt en tanks die voor vrolijker doeleinden zijn ingezet dan waarvoor ze bedoeld zijn), met bijvoorbeeld de naar klassiek model gegoten gipsen buste in zijn “hotel”, die een doek voor de mond gebonden heeft gekregen en omringd is door wolken die (gif-)gas moeten voorstellen, is het werk hier en daar harder en pertinenter geworden. Zijn verrekijker voor de muur (zie boven) is een “echte” situatie, maar hij had het zo op een muur in Londen kunnen stencillen/schilderen, hoewel er dan wel iets bij had gemoeten in de trant van “dit is Bethlehem”. Toch schuilt er nog steeds vrolijkheid achter het geweld wanneer hij daarop wijst. Zie daarvoor de muurschildering achter een hotelbed waarop een palestijnse strijder en een (israëlische) soldaat te zien zijn die een kussengevecht houden zoals broertjes dat voor het slapen gaan kunnen doen.

Jeroen Krabbé heeft misschien gelijk wanneer hij zegt dat Pablo Picasso de belangrijkste kunstenaar van in ieder geval de 20ste eeuw is geweest, zeker gezien zijn Guernica, maar misschien kunnen we nu alvast stellen dat Banksy het stokje van hem over aan het nemen is, in een totaal ander genre, maar dit is dan ook een andere eeuw. We zijn nog maar in de eerste helft van de 21ste eeuw, er kan nog van alles gebeuren, maar voorlopig zie ik geen kunstenaar (of kunstenares, of collectief) dat zo’n invloed op het publiek heeft dan Banksy, wellicht met uitzondering van de opblaashond van Jeff Koons — maar dat is ook maar één werk, en geen heel of zelfs maar half oeuvre.

des p’tits Poulbots

steinlen-1902
Bij het zien van een van de vele tekeningen van katten door Théophile-Alexandre Steinlèn, die leefde van 1879 tot 1946, en die de vaste illustrateur was van chanson-schrijvers in de cabarets van Montmarte en Menilmontant, moet je meteen denken aan zijn nog beroemdere tekeningen van arme Parijse kindertjes uit die 19de-20ste eeuw. Hij noemde ze “des p’tits Poulbots”.
De studie van een kat werd overigens getoond door de Art Newsletter van 11 februari.

steinlein

Aristide Bruant, de grote mond uit Le Chat Noir, noemde in zijn liedje à Montmerte die kindertjes “des p’tits Poirier”, maar we hebben het nog steeds over dezelfde scharminkeltjes.

Tiffany Singh

In een artikel in Otago Daily werd het werk van Tiffany Singh besproken, een kunstenares die heel veel doet met van plafond tot vloer hangende gekleurde stroken textiel. Het werk dat de Otago Daily toont heet “Om Mani Padme Hum”, de Himalaya-boeddhistische ode aan Avalokiteshvara: O, juweel in de lotus. De verklaring bij dit werk en de indruk die het achter zou moeten laten gaat over spectraal licht, hoe kleur wit kan worden, en hoe Tiffany dat ziet als een verbeelding van “reine verlichting” (pure enlightenment).

knock-on-the-sky-listen-to-the-sound

In 2012 had ze eveneens een linten-installatie, deze keer met er aan vastgebonden klankstaven. De in Sydney getoonde installatie had de titel “Knock on the sky – Listen to the sound”. Dat is een titel waar een doorgewinterde zenmeester wel wat mee kan. Zie de foto.

Tiffany Singh blijft graag bij het thema boeddhisme en heeft dan ook een tentoonstelling, “Mahā-bhutā”, gehad in de Foguangshan-tempel in Australië.

De Genji Monogatari

In 1998 kwam de tiendelige hertaling gereed van de eerste japanse novelle, “Het verhaal van Genji” (Genji Monogatari).

Het naar het moderne japans overzetten werd gedaan door de boeddhistische Tendai-non Jakóetsjo Setóetsji (1922 – [schrijf: Jakucho Setouchi]) die in 1973 intrad en sindsdien een van de meer belangrijke en geliefde tendai-leraren is geworden. Vandaag is ze “met pensioen”.

Blijkbaar bereikte de roem van deze hertaling van “de Genji” ook de kunstenaarsgemeenschap in Amerika want Helen Frankenthaler maakt in datzelfde jaar een schilderij met de titel “Tale of Genji”. Zie de afbeelding.

helen-frankenthaler-tales-of-genji-iv-1998

De rechtvaardiging voor een boeddhistisch non om “de Genji” (spreek: Géndji) opnieuw ter hand te nemen is eigenlijk maar heel dun. De edelman Genji wordt op een gegeven moment ervan overtuigd om “de Derde Prinses” van het dan regerende vorstengeslacht te huwen. Kort na de geboorte van haar eerste kind, een zoon, verlaat deze prinses het huwelijk en treedt in als boeddhistisch non. Het verhaal berust op de werkelijkheid. De historische werkelijkheid komt onderandere voor in Paul Groner’s “Ryōgen and Mount Hiei: Japanese Tendai in the Tenth Century” (Kuroda Inst. 2002).

Het Tendai heeft naar we mogen aannemen vanaf het begin een nonnenorde gekend, en het is bekend dat bijvoorbeeld iemand als de hofdame Sei Shonagón tendai-priesteres werd. Zo lijkt het er op dat het tendai-nonschap een aanvaarde en gewilde uitweg was voor weduwen, voor vrouwen die het huwelijk niet zo op prijs stelden, en voor verstoten vrouwen uit de hogere strata van de japanse samenleving. Oude prenten laten zien dat ze vergelijkerderwijs luxe kleding droegen en het hoofd niet kaal schoren. Daar is in de loop van de eeuwen drastische verandering in gekomen.

Judith Leyster

judith-leyster

Ergens op een landgoed in Engeland, schrijft Amah-Rose Abrams op 5 januari, is het zelfportret gevonden van Judith Leyster. Het werd gemaakt in 1633, voordat ze, volgens de gelovigen, het schilderen opgaf om zich aan haar vijf kinderen te gaan wijden.

Geloof dat maar niet. De generatie van Judith mocht eigenlijk niet schilderen, dat was niet des vrouws. Dat zij het toch deed begrijpen we nu aan de hand van het portret: een stevige tante die zich niet zomaar liet gezeggen. En toen Judith en nog een heel klein aantal vrouwen het penseel ter hand mochten nemen werd hen meegedeeld dat leuke schilderijtjes over tafereeeltjes in en om het huis oké waren, maar toch geen zeegezichten, laat staan slagvelden, generaals en stervende paarden.
Daar hield die generatie zich aan. Of anders gezegd, andere dan de toegestane onderwerpen zouden ze aan de straatstenen niet kwijt zijn geraakt.

Die onderdrukking heeft heel lang geduurd. In de vijftiger, zestiger jaren van de vorige eeuw werd een meisje dat geïnteresseerd toekeek hoe een fiets werd gerepareerd er door potige tantes op attent gemaakt dat dit “niks voor vrouwen” was; “ga naar je moeder”.
In diezelfde jaren sprak een vader een “meisjes lezen geen kranten; daar krijg je maar rimpels van en je gaat bezorgd kijken; dat vinden mannen niet leuk” uit.
In de zeventiger jaren op een bankje langs de kust in Nice eiste de mannelijke persoon de krant op: vrouwen lezen geen kranten.
Ook in die jaren kon geen vrouw zelfstandig een huis kopen of een zaak openen. Daar had ze de mede-handtekening van een mannelijk familielid voor nodig, want vrouwen konden dit soort moeilijke transacties toch niet overzien.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de huidige generatie vrouwen van rond de zeventig/tachtig met onbegrip kijkt naar een jonge generatie die al dan niet in gangsta-rap-clips zich als dom sexobject laten gebruiken en dan ook nog trots zeggen dat het hen niet deert en dat ze er zelf voor gekozen hebben. Jaja, dat zal wel.

Sneeuw

Om mijn paard halt te laten houden
om mijn mouwen af te schudden —
nergens een afdakje!
Rondom heel Sano
sneeuwt het tot aan de ochtend.

Fujiwara Sadaie (alias Teika) 1162 – 1241

david-hockney-snow-from-the-weather-series-prints-and-multiples-lithograph-zoom_550_654

Twee Amerikanen, David Hockney (1937) en Roy Lichtenstein (1923 – 1997) hebben zich bezig gehouden met een veramerikaanste variant van de japanse en chinese prentkunst, en dan met name met winterlandschappen.
Hockney maakte in 1973 het hier getoonde winterlandschap met drie huizen in de sneeuw, in een stylistisch geslaagde “japonoiserie” waarin het groen van de pijnboom nog eerder de aandacht opeist dan de huizen onder de sneeuw.

Roy Lichtenstein kwam een jaar voor zijn dood, in 1996, met een variant op het chinese landschap waarin zo de nadruk ligt op de nietigheid van het menselijk leven ten opzichte van een overweldigende natuur. Hij gebruikte zijn bekende stippelmethode om op een doek van 1024 x 623 mm de golven van een machtige rivier aan te duiden met in de linkerhoek een petieterig bootje. Je moet er naar zoeken.

landscape-with-boat-1024x623-lichtenstein-1996

In een gesprek (http://pages.cs.wisc.edu/~dyer/ah336/papers/newyorker-looking-glass.pdf)
stelde David Hockney wel de retorische vraag “of iemand precies weet hoe Roy Lichtenstein zijn effecten creeërde”, maar ik ben toch geen bron tegengekomen waaruit zou blijken dat beide kunstenaars elkaar hebben ontmoet.