© Copyright 2014 CorbisCorporation
CHOU MENG-TIEH

Een onvoorzichtige belangstellende vroeg in 1983 aan de dichter Chou Meng-tieh of hij een tachtig-plusser was. Een toch al wat droevige Chou antwoordde dat hij zich in zijn 63ste levensjaar bevond.

De Taipei Times bracht op 9 maart het bericht dat de dichter Chou Meng-tieh op 1 mei op de leeftijd van 92 was overleden aan longontsteking. Chou zou posthuum presidentiële eer te beurt vallen.

Dzjow Mung (of meng)-tjee (spelling = ongeveer) was binnen zijn taalgebied een bekendheid, maar daarbuiten niet. Zijn paar bundels zijn in geen van de westerse talen vertaald, en alleen een Taiwanese overheids-site heeft een lang en doorwrocht artikel aan deze dichter besteed van wie nu wordt gezegd dat hij een boeddhist was. Maar eigenlijk, net zoals de Japanse dichter Basho alles was, en ook een beetje zen, zo heeft Chou zich door de hele voorgeschiedenis van het Chinese denken en schrijven laten inspireren. Zijn werk, voor zover Taiwan Info daar inzage in geeft, ademt de wabi sabi-sfeer van het theezettende zen uit Japan.

Chou was geïnspireerd door de Zhuangzi (Chuang Tzu), en door de Ijing (I Ching). De Zhuangzi hielp hem aan zijn artiestennaam: meng = droom, en tieh = vlinder. U kent ongetwijfeld het verhaal uit de Zhuangzi waarin een man droomt dat hij een vlinder is, en bij het ontwaken niet meer weet wat hij is, een man of een vlinder. De laatste woorden van dit verhaal worden zelden of nooit meegegeven, hoewel ze toch de essentie van het daoïsme behelzen: “Dit wordt de Tansformatie der Dingen” genoemd”.

Dat Chou, ook al wordt dat niet vermeld, het een en ander meekreeg uit de japanse cultuur is voor zijn generatie maar normaal. Nadat de Meiji Taiwan hadden ingenomen dienden alle scholieren Japans te leren. Tegelijkertijd wenste de Meiji-keizer aansluiting te vinden bij de cultuur van het westen. Spullen, boeken en kunst-voorwerpen werden “met wagon-ladingen”, schreef iemand, over Japan uitgestort. En er werd vertaald bij het leven. Zo viel Flaubert’s Madame Bovary tussen Chou’s handen. Hij las het verschillende keren. En ook worstelde hij zich door de werken van Shakespeare. Er zijn Japanse studenten en oud-studenten die het eerste vers van Enrique Banchs’ (Buenos Aires 1888 – 1968) beroemde gedicht Guerpo kennen:

Entra la aurora en el jardín; despierta
los cálices rosados; pasa el viento
y aviva en el hogar la llama muerta,
cae una estrella y raya el firmamento;

(Nee, u vertaalt het maar zelf; woordenboek erbij, uurtje werk)

Terug naar Chou Meng-tieh en zijn minder gelukkige leven. Door een huwelijksmakelaar op zijn 7de toegewezen aan een meisje van 11 kreeg het paartje 10 jaar later zijn eerste van drie kinderen. Het werd niettemin niks, met dit echtpaar.
In 1921 geboren als Chou Chi-shu ging hij het nationalistische leger in, en trok zonder vrouw en kinderen in 1948 met het verslagen leger mee naar Taiwan. Daar werd hij de uitzondering op de regel dat iedere Chinees een familie heeft; Chou had er geen. In het leger op Taiwan had Chou niks te doen, hij las alles wat los en vast zat.
Meer dan 20 jaar bracht hij daarna door als boekhandelaar in een stalletje onder een brug, met amper klanten, levend van een miniem pensioentje. Een keer in de week gooide Chou de zaak dicht, deed boodschapjes en dronk thee met een paar vrienden. Ze moeten het over de schrijverij hebben gehad; dat heb je nog in Taiwan, zelfs onder “het volk”. Iedereen mag intellectueel zijn, mits Kongzi’s (Confucius’) vermaningen over bescheidenheid en betamelijkheid maar in acht worden genomen. Men mag laten doorschemeren dat er enige kennis over dit en dat is, maar als een west-Europeaan bij wijze van spreken boven op een tafel staan brullen en je helemaal leeg laten lopen wordt daar met open mond bestudeerd: goeie genade! Maar goed, misschien moeten we dat ook eens gaan proberen.

Taiwan Info geeft een paar voorbeelden van Chou’s dichten dat, zoals gezegd, zowel geïnspireerd is door de Klassieken als door de westerse literatuur, voor zover hij de westerse literatuur kende. En de boeddhistische connectie is er in de titel Onder de Bodhiboom, een van zijn weinige bundels. Chou werkte langzaam, zo heeft hij eens gezegd.

Het gedicht “De hengelaar” (een boeddhist hengelt niet, slaat zeker niet zomaar voor de lol een haak door de bek van een vis) werd aanvankelijk niet erg gewaardeerd door Chou’s vrienden. Melancholie mag, maar ’t moet niet te gek worden:

Aan het uiteinde van mijn wortels
weef ik triestigheid:
naar een koninkrijk vissen?
met een hengel zonder haak?

Een ander gedicht was helemaal geïnspireerd door de Ijing:

Plotseling straalt gelach vanuit
de stenen muur, diep, stilletjes
reikend naar de drie lijnen
van mannelijke kracht
de lijnen van het taichi-trigram,
je penseelt ze dun.

Er is geen publicist die ze niet dik aanzet, die drie lijnen. Chou wenste in die dunne penseelstreken zowel het yang als het yin te behouden. Yang en yin zijn overigens niet boeddhistisch, en eigenlijk ook niet daoïstisch. Meer als aparte denkrichting ontwikkeld, tot mensen het wel een aardig idee vonden, die combinatie van dik en dun, licht en donker.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s