Lucretius – 6

LUCRETIUS, GELOOF EN BIJGELOOF

Het laatste blogje in deze serie over Lucretius gaat over geloof en bijgeloof, en hoe oud die discussie wel is. De termen “religio” en “superstitio” komen doorheen heel hoofdstuk I in “De Rerum Natura” voor. En we zien hoe Ida Gerhardt en Klaus Binder daar op verschillende manieren mee omgaan: braaf volgen wat er staat zonder de achterliggende filosofische discussie te kennen — Gerhardt, en eigenwijs vóór de auteur gaan staan en hem verbeteren — Binder.

Als voorbeeld een van de weinige citaten van Lucretius zoals de Montaigne die in het Latijn heeft opgetekend (Essais p. 811). Daar zien we dat Lucretius in I,101 schrijft:
Tantum religio potuit suadere malorum.”
Montaigne vertaalt het met “Tant la réligion a pu inspirer de méfaits.” (Hoezeer [of tot in hoeverre] de religie de inspiratiebron is kunnen zijn voor kwade handelingen [of het kwade].)

Gerhardt vertaalt het met: “Zóóveel boosheid vermocht de godsdienst aannemelijk te maken.”
Haar corrector, zie het eerste blogje: “Zooveel ellende heeft zelfs in de godsdienst kunnen bestaan.”
Binder: “Zu derart Bösem konnte Aberglaube raten.” (Tot zoveel [of, dergelijk] kwaad kan bijgeloof leiden.)

We zien hoe hier de verschillende vertalers moeite hebben met het latijn “malorum“. Zelfs Montaigne vertaalt het niet met “malheur“, ongeluk, maar hij komt op de proppen met een “méfaits“: kwade handelingen, of ‘kwaad’. Gerhardt maakt er “boosheid” van, haar corrector komt met “ellende”, en Binder noemt het “het kwade, het boze”.

Wat interessanter is, is de overweging waarom Binder heeft gekozen om “religio” in de meeste gevallen te vertalen met “Aberglaube“. In zijn inleiding tot “Über die Natur der Dinge” zegt hij de Essais van Michel de Montaigne te kennen, en wat hierin te vinden is over Lucretius (en Epicurus).
De Montaigne laat zijn citaat voorafgaan door een passage uit Plutarchus, en wel “de superstitione” f.123 (“over bijgeloof”). Hij herinnert ook aan Herodotus die over hetzelfde onderwerp schreef (H.VII,114).
Met medeneming van de overtuiging dat Venus de ware godin van Epicurus, dus van Lucretius was — ze “voerde … de creaturen terug naar het licht des levens“, vertaalt Binder (I.225-230) –, concludeert de laatste dat verering van alle andere goden die in “de Rerum Natura” vermeld staan “dus” neerkomt op bijgeloof: Aberglaube.
Dat “Aberglaube” (superstitio) er in het origineel niet staat vermag voor Binder geen belemmering te vormen. Lucretius maakte foutjes, en Klaus verbetert ze.

Het woord “superstitio“, bijgeloof, komt overigens wel in het Lucretius-origineel voor, en wel in I.105. Dan is er sprake van “bijgelovige angsten”, maar die worden opgewekt door de praatjes van dichters, niet door godgeloof.

Concluderend kunnen we zeggen dat de discussie geloof – bijgeloof nogal oud is, dat ze zich per definitie niet kan beperken tot geloof of ongeloof in de god van de joden, christenen en moslims, maar dat het in die oude tijd over andere namen ging. Dat helpt een beetje bij het relativeren van zware onderwerpen als deze.
Wie weet wat over 500-1000 jaar de aanduiding geloof of bijgeloof krijgt. Wellicht is de discussie dan al uitgewaaid als een kaarsje in de wind.

Advertisements

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s