Han-tombes in Henan -4

luoyang

Het werk van deze mannen, én de Yi Li en de Li-ji lagen bij Fernand Buckens op het bureau. Als arts had hij kennelijk niet veel te doen; hij besteedde een fors deel van zijn tijd met archeologisch onderzoek aan de tomben (graven) van de Hou-Han, de late Han waarover in deel I al werd gesproken.
Buckens was onder de indruk van het landschap waar “zijn” treinen doorheen trokken: door “de grote vlakte”, door het “hoge löss” ten zuiden van de Gele Rivier, door de vlakte van de rivier de Luo (Lo Ho in zijn tijd), en langs de terrasbouw juist ten oosten van Luoyang, eertijds’ hoofdstad van dit noordelijke deel van China. Zijn mening dat “de grote vlakte” als woestijn zou gaan toenemen is bewaarheid geworden. De laatste jaren komen er berichten waarin sprake is van de woestijn die tot voor de poorten van Beijing staat, en over de inspanningen die worden geleverd om die verwoestijning een halt toe te roepen.
Buckens is lyrisch over de terrasbouw ten oosten van Luoyang (de Nederlander mag het vergelijken met de Preanger in Indonesië). Weinig zal hij echter voorzien hebben dat tegen het eind van de 20ste eeuw veel van deze terrassen onbebouwd raakten, dat keermuurtjes instortten, en dat een groot gedeelte van deze karakteristieke hellingen waarop landbouw wordt gepleegd inmiddels “zijn teruggegeven aan de natuur” zoals dat modieus heet.

Het is in de vlakten ten oosten van Luoyang dat Buckens zelf een of twee Han-tomben uitgraaft, en studie doet aan die tomben en voorwerpen die de bevolking ter plaatse uit de grond hadden getild. Buckens is in zijn werkzaamheden naar hedendaagse maatstaven juist en methodisch te werk gegaan: op 0,50 m. vonden we dit, op die plaats; op 1,0 m. vonden we dat, op die plaatst. De horizontale en verticale coördinaten van zijn opgravingen werden zorgvuldig genoteerd en in schematische tekeningen vastgelegd. Zo kon worden vastgesteld dat in een tombe op verschillende hoogten twee personen waren bijgezet, familieleden, dorpsgenoten, of dan tenminste toch streekgenoten zoals uit onderstaand kan worden opgemaakt. Anders is het met de spullen die de boerenbevolking zelf uit de grond is gaan halen; Buckens klaagt er over: de intacte stukken van de wanden van de tomben haalden ze er uit, de rest lieten ze zitten. Verschillende offervaten kwamen in landbouwersbehuizingen terecht: hier zat er meel in, en daar wat zaaizaad.

In dit nederlandstalige deel is er nog ruimte voor een tweetal korte bemerkingen: Buckens vermeldt in welke richting bepaalde tomben waren geplaatst: noord, zuid, etc. Die richtingbepaling zal wat hem betreft dan gebeurd zijn aan de hand van de vraag waar het hoofd van de overledene of overledenen werd aangetroffen.
Het is nog steeds gebruikelijk dat de (niet-boeddhistische) Chinese mens in den vreemde, waar het kan, een graf zodanig positioneert dat de overledene, zou z/hij zich ooit oprichten (je weet het maar nooit), of zou zijn spirit even boven het graf oprijzen, in de richting kijkt van het geboortedorp of tenminste toch de geboortestreek. Dat is een geruststellende aanblik, zo wordt gezegd. Dus wanneer Buckens schrijft dat bijvoorbeeld een tombe westwaarts is gebouwd, dan betekent dit dat de overleden mens ergens uit het oosten afkomstig was (hij kijkt over zijn voeten heen), en zo vervolgens voor de overige windrichtingen.
Dat was niet in alle gevallen zo. Sommige tomben die Buckens aantrof bestonden uit twee delen, als in een L-vorm tegen elkaar geplaatst. We zouden hieruit kunnen afleiden dat niet alle (Hou) Han-gemeenschappen dezelfde opvattingen hadden over dood en begraven worden.

Hetzelfde geldt voor de gebonden voetjes van de vrouwen van mandarijnen die Buckens nog in zijn tijd tegenkwam. Aan beeldjes die in de tomben werden geplaatst, tomben die, zoals gezegd, waarschijnlijk stammen uit de 1ste tot 4de eeuw nC, nam hij waar dat “lotusvoetjes” niet altijd gebruikelijk moet zijn geweest: hij ontwaart aan de beeldjes van vrouwen gewone rechtdoor gegroeide voeten, met gewone schoenen — voor die tijd. Ook hier zien we dat er een multi-ethniciteit in de regio aanwezig was, en dat er dus ook in uiterlijk en cultuur verschillen waar te nemen vielen. Er mag aan toegevoegd worden dat boeddhisten waarschijnlijk ook in die tijd, en in die regio tot de handelaren behoorden, en niet tot de mandarijnen-hereboerenklasse. Ook al tegen de achtergrond van de boeddhistische vermaningen tot het goed omgaan met vrouwen en meisjes, en tevens bedenkend dat een ambulant handelaar op zijn handelsmissies weinig had aan vrouwen en meisjes die geen voet voor de andere konden zetten, mogen we voorzichtig veronderstellen dat het gebruik van het opbinden van vrouwenvoeten in confucianistische of animistiche kringen voorkwam, en nergens anders.

Enkele opmerkingen over het Amidisme (Reine Land of Jingtu) in relatie tot overlijden en het inrichten van tomben uit de late Han-tijd staan op het engelstalige words in picture-blog

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s