Fauvisme en het wilgenroosje

Het weekend van 18/19 juli stond een beetje in het teken van het fauvisme. Een nederlandse tv-zender had een overzicht van Jan Sluijters (1881 – 1957) die er zich door liet inspireren, en een frans-duitse zender behandelde duitse en franse fauvisten onder wie August Macke (1887 – 1914) en Franz Marc (1880 – 1916). Dat de makers van het programma Paul Klee (1879 – 1940) in het rijtje meenamen moet een vergissing zijn geweest.
jan-sluijters1881-1957-1352658350_org
Zonder de wijsneus te gaan uithangen vallen in de vergelijking tussen Sluijters boslaantje (foto boven) en André Derain’s “trois arbres” (foto daaronder) verschillen en overeenkomsten te ontdekken. Sluijters werd door Derain geïnspireerd, want Derain schilderde zijn 3 bomen in 1906, en zal het doek in zijn atelier in Parijs hebben bewaard — wie kocht er nu zoiets als een doek met blauwe bomen, gele kruinen en pastelkleurig water! — terwijl Sluijters’ boslaantje in ca 1907 tot stand kwam, ongetwijfeld als gevolg van een bezoek aan Derain’s atelier.
Waar Derain zich liet inspireren door het felle zomerzonlicht in het zuiden, in l’Estaque met name, reisde Sluijters niet verder dan Parijs en ondervond nooit het neerkletteren van zonnestralen, en is nooit echt de invloed van mist en regen kwijgeraakt.
derain

Niettemin hanteerde die hele generatie met kennelijk genoegen een nieuw kleurenpalet zoals dat in kant-en-klare tubetjes door onderandere de firma Talens vanaf 1899 werd aangeboden. Daarmee konden de impressionisten, expressionisten, fauvisten en wie niet al met een schilderskistje en een draagbaar ezeltje op de rug de wijde wereld intrekken om buiten, zonder zelf te hoeven mengen, de verf uit het tubetje te knijpen. Dat deden ze dan ook, met gulle hand. Het moeten gouden tijden zijn geweest voor verffabrikanten die zoveel mogelijk kleuren in een doos stopten, en die ook de dure pigmenten voor iemand als Theodoor Colenbrander (1841 – 1930) leverden waarmee hij, als zowat de eerste op het vasteland van Europa, porselein en aardewerk voorzag van pasteltinten die nooit of zelden eerder werden gebruikt. Zie de afbeelding met enkele van zijn ontwerpen.
colenbrander

Wat mij opvalt is de voorliefde van die generatie voor de kleuren lila en roze, en dan als het even kan in combinatie met elkaar. Eenmaal zo’n kleur op het doek konden ze eenvoudigweg niet meer terugvallen op het, zeg maar, Rembrandt-bruin. Wie roze hanteert moet voort, kome wat komt.
Wat je daarbij ook door het hoofd speelt is dat hier nog steeds een generatie was die een weergave van de geziene wereld produceerde, toch best wel inclusief de lila kleurvlakken van wilgeroosjes (Chamerion angustifolium) in hoogzomer. De overweging komt op zondag 19 juli wanneer het peloton door de Ardeche fietst waar de Laurier de Saint-Antoine in volle bloei staat.
Was die plant er nog niet in Rembrandt’s tijd en de eeuwen daarna tot aan de twintiger jaren van de vorige eeuw? Zagen ze het vroeger stomweg niet? Interesseerde “onkruid” hen niet, als onderwerp van schilderkunst? Was onkruid niet hooggestemd genoeg? Zou het geportretteerde subject door afgebeeld te worden in gezelschap van onkruid oneer zijn aangedaan? Werden ze daarom afgebeeld met rozen of lelies die op zich ook een religieus-filosofische lading hadden?
Je denkt voldoende te weten van bepaalde tijdperken in onze geschiedenis, maar het is alleen maar op dergelijke momenten dat je beseft hoezeer het dagelijkse ervaren van de geziene wereld, en de reflectie daarop toch anders moet zijn geweest dan vandaag.

En dat de fauvisten — nogmaals, zonder Klee — zich nu eens helemaal alleen maar bezig hielden met wat ze zagen, en niet met de ideeënwereld daarachter is een logisch resultaat van eeuwen waarin een verhaal op doek werd verteld, en de materiële wereld daaromheen niet meer was dan ofwel decoratie, danwel een verheviging van de al dan niet diepe achtergedachte erachter.

En uiteraard leidde zo fauvistische periode dan automatisch weer tot een schilderkunstige beschouwing op de vraag wat kleur is, en wat schilderen is, in laatste instantie — een logische opeenvolging, zeggen boeddhisten dan, van denkpatronen naar het model van het Wiel van Voorwaardelijk Afhankelijk Ontstaan: als dit er is, is dat er; wanneer dat er niet is, is dit er ook niet. Het ene ontstaat omdat het andere er is, ad infinitum tenzij het gebeuren zodanig doozien wordt dat het hijgend najagen van steeds weer andere impressies en impulsen tot een staan komt en het tijdloze moment zijn intrek neemt.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s