Tempels en boeddhabeelden

Zowel de architect Tadao Ando met zijn boeddhabeeld op een begraafplaats, als de architect en zijn opdrachtgevers van langs de Tangshan-rivier zullen de stoepas met boeddhabeelden er in op de top van de Borobudur in gedachten hebben gehad. De bouwer van de Borobudur heeft met het plaatsen van boeddhabeelden in stoepas gedacht aan de dharma-dhátu, in de zin van het universum dat in al zijn aspecten de leer van Boeddha illustreert.

ando

Onderandere de DIRT, c.q. Jared Green, toonde in een artikel met begeleidende video de “Boeddha-heuvel” van architect Tadao Ando. De heuvel, met verzonken Boeddha, een kopie van de beroemde Nara Boeddha, waarvan de ingang achter een vijver ligt, is deel van een begraafplaats in Saporro, Japan.
De heuvel is inmiddels beplant met lavendel, schrijft Jared.
De foto van het interieur van de kunstmatige grot, hier getoond door een andere architectuurliefhebber, lijkt wanden te hebben die min of meer de plooien van een lotusbloem zouden kunnen verbeelden. En Ando heeft er kennelijk voor gekozen een modern soort wierookvat te plaatsen, in de vorm van dunne, als een mat bijeengebonden riet- of bamboestengels, waarop alleen die soort wierook brandt die niet vrij in de lucht dient te staan.

Ando’s werk is aanvaardbaar omdat hij er zorg voor heeft gedragen het beeld min of meer op een heuvel te plaatsen, en niet in een kunstmatige grot zoals de architect van opdrachtgever Floor Nature heeft gedaan.

tangshan

Langs de boorden van de Tangsjan staat het overigens prettig uitziende gebouw, ontworpen door Han Wen-Qiang en Archstudio. Het is zodanig ontworpen dat het beeld van in een verzonken ruimte lijkt te staan, waar het zo mooi belicht wordt door de zon die er slechts min of meer horizontaal op kan schijnen. Han Wen-Qiang heeft er overigens zorg voor gedragen dat het hele gebouw, met kunstmatige grot, boven het maaiveld uitsteekt.

Per oostaziatische traditie staat een tempel op de hoogst mogelijke plek — een bergtop of heuveltop. En voorts staat het centrale boeddhabeeld ook op de hoogste plaats, is het niet op de bovenste verdieping van een tempel, dan toch op de bovenste etage van een gebouw, en zeker op een hoogste plaats tegen een muur, zonder een of ander leuk dingetje er boven — niets mag de aandacht afleiden.
Het beeld in een holte in de grond plaatsen, bijvoorbeeld, geeft het de plek van de daoïstische aardegod Tudi. Dat concept wijst het boeddhisme af. Er wordt dus bij de aankoop bij voorkeur voorbijgegaan aan altaartafels/-kasten die onderin een uitsparing hebben, want je kan er op wachten dat daoïsten binnengeraken met een wierookpot, een rood stuk papier waarop de naam van die aardegod staat, en een vuistvol wierook. Waar een tempel een altaar-meubel heeft met zo’n uitsparing wordt er zorg voor gedragen dat er iets anders staat dat niet verwijderd kan of mag worden. En soms is de uitsparing dichtgetimmerd. In de Thekchen Choling in Singapore, een ‘tibetaanse’ tempel, heeft men het probleem opgelost door het portret van de leider onderin te zetten. Persoonlijk vind ik het nog steeds een kelderachtige situatie, maar zij schijnen er vrede mee te hebben.

De enige omstandigheid waarin een boeddhistisch beeld ondergronds geplaatst zou kunnen is in het geval van de bodhisattva Ksiti-gárbha, Dii-dzáng in het chinees. De legende heeft het dat deze kracht in de aarde is afgedaald om daar de overledenen te helpen in hun passage door een moeilijk niet-menselijk bestaan.

En wanneer we het er dan toch over hebben: de traditionele boeddhist wil in een tempelhal graag oog in oog met het boeddhabeeld verkeren. De zuidaziaat zit op de grond, het boeddhabeeld staat daarom ook op de grond. Maar de oostaziaat staat tijdens de ceremonieën, en dus staat het boeddhabeeld hoog, op zo’n genoemde altaarkast. Ook daaraan valt te herkennen tot welke stroming de tempel behoort die u op vakantie betreedt.

De Tibetanen zitten aan de voet van zo’n beeld, ook dat is een weerslag van, in dit geval, hun houding naar Boeddha en het concept verlichting.

Advertenties

Eindeloze knoop

vienne
Op de archeologische site van Sainte-Colombe in de buurt van Vienne in het oosten van Frankrijk, zijn de restanten van een romeinse villa nog wat verder blootgelegd. Op het stuk mozaiekvloer dat voorzichtig met een vegertje werd afgestoft zien we het motief van de eindeloze knoop.

endless knot

Lang hebben voornamelijk de Himalaya-stromingen van het boeddhisme gedacht dat zij daar het patent op hadden. Maar na later bleek komt het motief van de, in ’t Sanskriet shrivátsa, en in ’t Tibetaans dpal be’u, de naar rechts draaiende knoop, dat daar staat voor Boeddha’s eindeloze wijsheid en mededogen, én voor de onderliggende werkelijkheid van het bestaande, bijna overal voor.

terschellinger

Zelfs vonden we het op de Terschelliger matten. Matten die schippers vlochten van niet meer voor het bedrijf geschikte sisaltouwen. De platte knoop kenden ze uit het schippers- en visserswezen, en die knoop werd herhaald in de deurmatten. Wat hier getoond wordt is niet gemaakt van sisal, en heeft niet de “ouderwetse” vorm; die lijkt helemaal verdwenen te zijn.

Hemel en hel in San Antonio

amidatriade

Een betere illustratie van het westerse denken in tegengestelden — goed vs slecht — had het San Antonio Museum of Art in de VS niet kunnen geven. Op 16 juni 2017 opende een tentoonstelling onder de titel “Heaven and Hell: Salvation and Retribution in Pure Land Buddhism“. Het museum had zich voorgesteld het mahāyanistisch-boeddhistische concept van “Pure Land” te illustreren, een van de belangrijke stromingen van het boeddhisme in Japan.
Ter illustratie werd de hier getoonde triade online gebracht van een Amitābha Boeddha (Amidá in het japans) met flankerende beelden van de twee bodhisattvas Kannon (Ava-loki-teesh-vara in het hybride Sanskriet) en Seishi (Mahā-stháma-prápta eveneens in het hybride Sanskriet).

Het “Pure Land” is dan in de ogen van de tentoonstellingmakers in San Antonio een “hemel”, en waar er een hemel is, daar móet dús ook een hel zijn — het dualisme volgens de oude Grieken, de bijbel en de koran.

Pure Land is een vertaling van het hybride Sanskriet-woord “soekháá-vati” (géén klemtoon op –va), en “hel” is in principe een vertaling van de verzamelnaam, eveneens in het hybride Sanskriet, dóer-gati (ook op –ga géén klemtoon).
Soekháá-vati (officieel Sukhavati) valt in twee delen uiteen: sukha– staat voor geluk of gelukzaligheid, en –vati staat voor een bestaanssfeer: plek van opperst geluk. Geabstraheerd kunnen we het voorstellen als de staat van geest na het behalen van (een vorm van) verlichting.

Dóer-gati (officieel Durgati) valt ook in twee delen uiteen: dur– (afgeleid van duh, ongeluk, lijden, staat voor onfortuinlijk, en –gati betekent hetzelfde als –vati, dus: onfortuinlijke bestaanssfeer.

De beide leerredes (sūtra) over Amitābha Boeddha hebben het uitgebreid over Sukhavati, maar niet over Durgati. Het oude boeddhisme en enkele overige nieuwere boeddhistische stromingen spreken wel over Durgati, en dan over een soort ongelukkig tussenbestaan waar de mens (na de dood) terecht komt die ’t verknoeid heeft, een staat waarin hij er, zeg maar, nog eens over na kan denken, en goede voornemens kan formuleren, om daarna weer door te stomen naar een betere zijnstoestand.

We kunnen zeggen dat dit alles — van het mensenleven naar Durgati naar Sukhavati — zich in dit ene leven van ons kan voordoen: we begonnen zo goed, als babytje, sloegen daarna hier of daar misschien de plank goed mis, gingen een beetje zitten miezemuizen, en kwamen er daarna weer bovenop. Zo moeten we hemel en hel in het boeddhisme zien, met uitzondering van het Pure Land (Reine Land) boeddhisme waar die helse toestand helemaal ongewenst en overbodig wordt geacht. Ze wijzen dit concept van Durgati ferm van de hand.  “San Antonio” heeft de Reine Landboeddhisten uit de buurt dus geen dienst bewezen met hun lollige titel over de hemel en de hel.
Boeddhisten zijn dan ook niet of nauwelijks bereid te gaan kijken naar tentoonstellingen over boeddhistische kunst, ten eerste niet omdat we het niet zo nodig vinden dat datgene waarvoor we opperst respect hebben wordt geprofaniseerd, of wanneer kapotte beelden juist mooi gevonden worden omdát ze kapot zijn, en ten tweede niet omdat we telkens weer in de stress schieten wanneer een of andere lolbroek zelf iets boeddhistisch’ gaat zitten bedenken.

Kaikei, japans beeldhouwer

 

p12-larking-kaikei-a-20160524-200x200

Matthew Larking, die op 23 mei een artikel schreef voor de Japan Times, noemt bodhisattvas dan wel “gods”, maar verder is zijn verhaal een goede aanvulling op het Tulpen en Tempels / White Jade River-artikel over de bodhisattva Ksiti-gárbha.

Het beeld dat hierboven getoond wordt werd gemaakt door de japanse beeldhouwer Kaikei die ergens rond 1190 leefde — een belangrijk werk van Kaikei is de zogenoemde “staande Amida Nyorei”. (Amida is de verjapanste vorm van Amitābha, en Nyorei is japans voor Tathágata)

Kaikei’s vader was Kōkei, en zijn broer heette Unkei. Aan Unkei’s werk is eveneens een TT-pagina gewijd.

Zo oppervlakkig gezien lijkt Kaikei net zo’n strenge persoon te zijn geweest als zijn broer Unkei. Hoewel Ksitigarbha, in het japans Jizó, de meest zachtaardige onder de bodhisattvas wordt verondersteld te zijn — aangenomen dat we deze concepten willen antropomorfiseren — en dat willen we niet allemaal, dit beeld van Jizó (spreek: djie-zó) geeft hem toch een zekere strenge kracht, meer dan in andere beelden en schilderingen.

Het veulen

De afbeelding is die van een 20ste-eeuwse terracotta-versie van tamilgod Aiyanar’s paard.

aiyanar horse tamil nadu terra cotta

Bodhidharma’s leraar was Prajña-dhāra. Beiden kwamen uit Zuid-India, en waarschijnlijk eerder uit wat vandaag Tamil-Nadu heet dan uit de deelstaat Andhra Pradesh. Prajñadhāra zou voorspeld hebben dat “er geen wegen (in China) zijn die mijn (spirituele) nazaten niet zullen belopen. De woorden die worden herhaald in Andy Ferguson’s “Zen’s Chinese Heritage: The Masters and Their Teachings“, zijn zonder twijfel ontstaan in de geest van een chinese zennist uit de oudheid, want het citaat eindigt met een verwijzing naar de phoenix die met een enkele graankorrel alle “heiligen” en monniken in de tien windrichtingen kan voeden. Het India van Prajñadhāra — of we nu spreken over Andhra Pradesh of over Tamil Nadu — heeft weinig of niets met de phoenix, maar China wel, en hoe! En dus is Prajñadhāra’s “voorspelling” er een in de serie “hij zou het zomaar gezegd kunnen hebben.”
Bodhidharma arriveerde in het jaar 520 in China.

Dan zou de zesde zen-patriarch van China, Da-djèn Hwei-nèng* tegen zijn opvolger Nan-jwée Hwài-rang* gezegd hebben: “Prajñadhāra heeft voorspeld dat vanonder jouw voeten een veulen tevoorschijn zal komen dat iedereen in de wereld dood zal trappen. Hou dit in gedachten, maar praat er met niemand over.”

Er gaan dan heel wat eeuwen voorbij voordat er weer een beroemde uitspraak van een zennist komt die het paard als onderwerp heeft.
Een stanza die werd uitgesproken door de vietnamese zenmonnik Tuê Trung (1230-1291) eindigt met “Un poulain broute l’herbe.” (Een veulen graast.) We vinden het op pagina 60 van Philippe Langlet’s “les propos de l’éveillé Tuê Trung“, in 2015 uitgegeven in Parijs.

Om te begrijpen waarom de zuidindiase mythologie überhaupt terecht is gekomen in Vietnam, en waarom dat paard zoveel nadruk krijgt, moeten we inderdaad terug naar beide genoemde deelstaten van India.
Paardenverering vinden we in ieder geval in de religieuze canon van noord-India. Zo’n 2000 jaar geleden werd er al over geschreven. We vinden in het klassieke sanskriet het woord adhi-prasti-yuga (puntjes onder de s en de t, en een g die wordt uitgesproken als in ‘good’) wanneer er sprake is van paardenoffer. En verder wordt daar het woord paard gegeven als arvan, haya (in de Andhra-regio), en azva. Tamil-Nadu kent een dorpsgod met de naam Aiyanar die afgebeeld wordt op of naast zijn paard.
Specifiek “veulen” komen we tegen als “kishora” (of kishor).

Niettemin betekent “Kishora” ook “jongeman”. Dus wanneer Prajñadhāra het heeft over dat veulen dat iedereen dood zal trappen, dan denkt hij tegelijkertijd aan die Aiyanar op zijn paard, als aan de boeddhistische leerrede over de wereldheerser, een vreemdsoortige omschrijving van een toekomstige vorst die op overtuigende manier Boeddha’s dharma weer zal vestigen in zijn, de, “wereld”. We mogen best veronderstellen dat de onder de laatste doorklik genoemde Vatthu-gāthā (PTSF.183: 1002), de zang over een Groot Mens, behoorlijk oorspronkelijk is, maar dat de schrijver(s) van de Tsjákka-vátti Soetta (schrijf: Cakkavatti sūtta) er een schepje bovenop hebben willen doen met die wereldheerser.

Dan migreert Prajñadhāra’s raadselachtige uiting naar Vietnam, en daar zijn wel paarden, in de koelere streken, maar ze zijn toch niet de “stuff” waar dromen van gemaakt zijn, om Shakespeare te parafraseren.
In de geest van Tuê Trung is de betekenis van veulen (kishora) weliswaar doorgedrongen als “jongeman”, maar hij ziet hem nog niet ten strijde trekken. Eerder zal hij met zijn uiting “een veulen graast” gedacht hebben aan een jong mens, een verlichte in de zen-betekenis van het woord, die helemaal vrij is, een die gaat en staat waar hij wil, zonder voor een kar gespannen te kunnen worden.

* Da-djèn Hwei-nèng. Schrijf: Dajian Huineng
Nan-jwée Hwài-rang. Schrijf: Nanyue Huairang

Lei Xue’s blikjes

ai wei wei
Ai Weiwei heeft in de afgelopen jaren een nogal groot aantal potten uit het neolithicum “ge-ontsacraliseerd” door er verf op te smeren, of ze te voorzien van het Coca-Cola logo — in gedachtenis aan de soepblikken van Andy Warhol.

Lei Xue is daar overheen gegaan en heeft potten gebakken in de vorm van platgedrukte bierblikjes, en hij heeft ze voorzien van de voor de Ming-periode zo kenmerkende blauwe decoratie.
xue
Eerlijk gezegd, Lei Xue’s producten wil ik graag kunst noemen; Ai Weiwei en Andy Warhol gaven alleen maar uiting aan hun misprijzen naar, in het ene geval, overwaarderen van wat er aan neolitisch’ uit de grond kwam en, in het andere geval, onderscheid maken tussen kunst en decoratie, of decoratie aanzien voor kunst, of kunst voor decoratie.
Er was in de gevallen van Weiwei en Andy, zoals boeddhisten dat noemen, boosheid. En dat zie je aan hun werk, dat voelt niet lekker, daar is iets mee. Lei Xue daarentegen speelt, en zit er niet mee.

Dansende derwishen

art dubai
De aankondiging van de Art Dubai kunstmanifestatie toonde in een soort triptiek dit schilderij van wat we in deze streken een dansende derwish noemen, een soefi die in een wervelende dans, genoemd dikr of zikr, zijn liefde jegens god wil tonen en zich daarmee verenigen wil.
Dat Art Dubai zo’n afbeelding toont van wat de meerderheid van de islam afvalligen noemt, en daar vanuit de bevolking blijkbaar geen kritiek op krijgt, mag wellicht gezien worden als een stap vooruit op de weg naar inter-islamitische tolerantie.

Overigens zijn boeddhisten vaak diep onder de indruk van wat gezien wordt als de vredelievendheid van de soefis. Dat is historisch gezien zelden terecht, maar: see no evil, hear no evil, speak no evil — het werd dezer dagen nog weer eens bevestigd vanuit chinees-boeddhistische hoek: mooie gedachten doen opkomen, koesteren en cultiveren.

De dans van de derwishen, hoe aantrekkelijk of indrukwekkend ook, staat in sterk contrast met wat het boeddhisme leert: geen schepper, dus ook geen vereniging met een schepper; geen opwekking van trance, want de realiteit valt alleen waar te nemen met een glasheldere geest; geen “verliezen” van je zelf, want ‘zelf’ is hoe dan ook een voortdurend in verandering zijnd amalgaam van impressies en verwerking van impressies, of we die veranderlijkheid nu leuk vinden of niet.

Dat neemt niet weg dat zeker ook de soefi er wat boeddhisten betreft zijn mag onder het adagium: wij geven u de ruimte die u nodig hebt, en we verwachten omgekeerd het zelfde.