Eindeloze knoop

vienne
Op de archeologische site van Sainte-Colombe in de buurt van Vienne in het oosten van Frankrijk, zijn de restanten van een romeinse villa nog wat verder blootgelegd. Op het stuk mozaiekvloer dat voorzichtig met een vegertje werd afgestoft zien we het motief van de eindeloze knoop.

endless knot

Lang hebben voornamelijk de Himalaya-stromingen van het boeddhisme gedacht dat zij daar het patent op hadden. Maar na later bleek komt het motief van de, in ’t Sanskriet shrivátsa, en in ’t Tibetaans dpal be’u, de naar rechts draaiende knoop, dat daar staat voor Boeddha’s eindeloze wijsheid en mededogen, én voor de onderliggende werkelijkheid van het bestaande, bijna overal voor.

terschellinger

Zelfs vonden we het op de Terschelliger matten. Matten die schippers vlochten van niet meer voor het bedrijf geschikte sisaltouwen. De platte knoop kenden ze uit het schippers- en visserswezen, en die knoop werd herhaald in de deurmatten. Wat hier getoond wordt is niet gemaakt van sisal, en heeft niet de “ouderwetse” vorm; die lijkt helemaal verdwenen te zijn.

Afghanistan archeologie

stoepamesaynak

Al Jazeera herhaalde op 2 juli een uitzending van 4 januari 2016 over Mes Aynak, de boeddhistisch archeologische site in Afghanistan. De tijd die de ploeg archeologen had gekregen, tot 16 juni 2016, om bloot te leggen en zo mogelijk te verplaatsen wat aangetroffen werd was verlopen, en de afghaanse regering wil nog steeds dat contact afsluiten met het chinese bedrijf dat daar koper hoopt te kunnen mijnen.

budda-mes

Persbureau AFP liet rond 20 maart 2017 weten dat een te Mes Aynak aangetroffen nis met daarin een boeddhabeeld is overgedragen aan het nationaal museum in Kabul. Het tussen de derde en vijfde eeuw vervaardigde beeld, met paarsgekleurde kleding, werd in 2012 gevonden, en is in de loop van de tijd onder de hoede genomen van de Franse Archeologische Delegatie in Afghanistan. Het beeld heeft alle kenmerken van de Gandhára-stijl, overigens met de glimlach zoals we die verder aantreffen uit de Wei-periode van het chinese boeddhisme.

Op de foto zien we de italiaanse restauratie-expert Ermano Carbonara.

Op 26 juli 2017 lieten officials van het afghaanse nationale museum, respectievelijk Tolonews weten dat bijna 2000 artefacten uit de kopermijn nog steeds in de Logar-provincie zijn. De stukken zouden naar Kabul moeten zijn gebracht, naar een nieuw museum, maar dat museum is eind juli 2017 nog niet klaar. Tot dan toe was het ministerie van mijnen en petroleum verantwoordelijk voor de Mes Aynak-vondst. Op genoemde datum ging die verantwoordelijkheid in een kleine ceremonie over naar het ministerie van informatie en cultuur.
Het verdwijnen van de artefacten naar Kabul-centraal zal er wel voor zorgen dat de site in de toekomst minder bezoekers zal ontvangen, zo werd gemeld.

Wanneer de grote Boeddhabeelden in de Bamiyan-vlakte gebombardeerd werden, weten we op de dag nauwkeurig. Maar wanneer een monumentje als dat bij de Kleine Kopermijn verlaten werd is veel minder, of zelf helemaal niet bekend.
In ieder geval is het zo dat vanaf het begin van de Moghultijd in India, een rijk dat zich uitstrekte tot Kabul, in het Afghanistan van het begin van de 18de eeuw een Mughal vazalkoning regeerde.
In 1739 trekt een perzisch leger onder leiding van een zekere Nader Shah Afghanistan binnen en ruïneert alles wat op hun weg komt. Voorzover er nog een boeddhistische aanwezigheid in dat land was, en zeker is dat zo geweest rond de Khyber-pas, dan was dit het eindpunt van deze boeddhistische reis; alle sites zullen binnen vrij korte tijd verlaten zijn.
Een historicus als William Dalrymple (The Anarchy, p.41 e.v.) stelt dat in genoemd jaar het Moghultijdperk in wat we nu Serindia noemen eindigde, en het Perzische begon — totaan de Britse overname, waar dan in de twintigste eeuw een einde aan kwam. Opmerkelijk is dat een ambtenaar van de nederlandse VOC die in 1739 in Delhi verbleef over Nader Shah en zijn veroveringstocht berichtte.

Confucianistische academie

131215

Onder een van de pilaren die de fundering vormen van een “sowon” (seowon) — zoals ik het heb vernomen een confucianistische academie in Zuid-Korea, en minder een “memorial hall voor Confucius” zoals de Donga Ilbo van 18 november dat stelde — werden ooit ceremoniële voorwerpen in de grond gestopt. In 1573 werd op de grondvesten van de Jong-goek-sa (Yeongguk-sa), een boeddhistische tempel in Seoul, deze sowon gebouwd. Onder de begraven voorwerpen uit de afgebroken tempel bevond zich een (hand-)bel van verguld brons. Een en ander werd drie jaar geleden opgegraven.
De afbraak van de tempel en de bouw van de sowon gedurende dit Djozón-tijdperk (Jeoson) werd en wordt gezien als een anti-boeddhistische actie.
Nu willen de confucianisten de niet meer in zo goede staat verkerende Dobong Sowon opnieuw opbouwen, zonder overigens overleg te plegen met de stedelijke overheid. Na protest door de Jogye Orde, die gekant is tegen die heropbouw op in feite een boeddhistische site uit de Goryeo-dynastie (gorjoo), heeft de stedelijke overheid gesteld dat zij geconsulteerd dient te worden, en dat het protest van de boeddhisten niet zomaar terzijde geschoven kan worden.

Bij mijn bezoek in de late 90-er jaren was er al sprake van restauratie. Het was tijdens dit bezoek dat een meereizende koreaanse architect de pest in kreeg toen ik hem er op wees dat ook de traditionele zeeuwse schuren, en gebouwen elders op de wereld, gebouwd werden zonder gebruikmaking van spijkers of schroeven. Een dag later was hij bijgedraaid, en zwaaide lof toe aan de bouwende mensheid over de hele wereld die toch maar mooi overal op dezelfde geniale bouw-methoden was gekomen. We waren een naar hart en ziel.

Han-tombes in Henan – 2

luoyang

Fernand Buckens bevond zich in China op het moment dat de oude op een starre neo-confucianistische leest geschoeide chinese samenleving uit elkaar aan het vallen was. Al aan het eind van de 18de eeuw waren er volksoproeren, maar de Boxer-opstand van 1900 die door de straten van Shanghai raasde heeft blijkbaar de provincies niet bereikt, althans niet in die mate dat westerse werknemers en onderzoekers werden verjaagd.

Als een opmaat naar de grote burgeroorlog tussen nationalisten en communisten braken in 1910 in de provincie Henan voedselopstanden uit, en in de provincie Sichuan was er in 1911 de “beweging voor de bescherming van de spoorwegen”, een massale opstand die na veel ander oproer leidde tot een nationaliseren van alle spoorlijnen. Voor die tijd, in 1909 nationaliseert China al het samenwerkingsproject tussen België en China, de spoorlijn Peking-Hankow. (“België en zijn buitenlandse politiek 1830-2015”, Rik Coolsaet). Andere door andere westerse mogendheden gebouwde en gefinancierde spoorlijnen volgen snel.

In die situatie, waarin China het bewind heeft over alle spoorlijnen, lijkt voor Fernand Buckens de toekomst in China rustig en gemoedelijk te gaan worden. Weinig heeft hij kunnen voorzien dat er in 1911 volksopstanden in Sichuan en Henan zouden uitbreken, en dat in 1919 de literati in opstand kwamen tegen de oude garde, met alle wensen tot een vernieuwen van taal, cultuur, en politieke gezindheid van dien. (Bianco [1])

Vanaf 1920 verscherpen zich de tegenstellingen tussen nationalisten en communisten (Bianco). Het volgende jaar, 1921, zien we Buckens terug in Brussel, maar lang zal hij daar niet blijven. Tegen het eind van zijn stuk over de Han-tombes(2) vinden we de opmerking dat hij te weinig tijd heeft om nog dieper in te gaan op de aan de “Musées royaux du Cinquantenaire” geschonken grafbeeldjes, die hij overigens netjes had gekocht. Vanaf 1911 tot en met 1917 had hij zelf opgravingen verricht, of opgegraven tombes onderzocht in de regio rond Luoyang in Henan, en een enkele keer in de provincie Shandong.

We weten zelfs niet wanneer Fernand Buckens werd geboren en overleed, maar afgaand op wat hij schrijft moeten we er van uitgaan dat hij in 1921 tijdelijk in Brussel was (om zijn zoon op het internaat te doen?) en weer terug zou varen naar China of elders, met of zonder een ploegje spoorweg-ingenieurs — waarna er niets meer over deze arts-cum-archeoloog/anthropoloog wordt vernomen, althans niet in de openbaarheid.

Morgen verder

(1): Lucien Bianco, “les origines de la révolution chinoise, 1915-1949”, Gallimard 1967)

(2): “Les antiquités funéraires de Honan”, Bulletin de la Société d’anthropologie de Bruxelles, Tome XXXVI, 1921, pp. 59-164

Han-tombes in Henan – 3

luoyang

Het is meer dan waarschijnlijk dat Fernand Buckens, nog verblijvend in België een goede kennis had opgedaan van het moderne en het antieke chinees, dat hij de confucianistische geschriften de Liji en de Yi li al in België had bestudeerd, en enige kennis had opgedaan van het religieuze landschap van China aan de hand van de studies van É. Chavannes en anderen.
Het is ook waarschijnlijk dat hij, zoals anderen dat deden en doen, met 20-30 kilo aan wetenschap, kennis en wijsheid (= boeken) naar zijn nieuwe woonplaats Zhengzhou is afgereisd in de wetenschap dat er daar geen boekhandel zou zijn met periodieken waarin over de jongste wetenschappelijke bevindingen
De enig bekende studie die Buckens schreef, op verzoek van de Société d’anthropologie de Bruxelles: “Les antiquités funéraires de Honan”, verschenen in Tome XXXVI van 1921, pp. 59-164. Daarin merkt hij in een naschrift op dat alle observeringen die hij heeft gedaan aan de opgravingen van tombes uit de Han-tijd, en van de voorwerpen die hij daarin aantrof, zijn eigen opvattingen zijn, maar dat hij summier gebruik heeft gemaakt van het werk van een aantal in die jaren actieve wetenschappers die in China had ontmoet en/of wier werk hij had bestudeerd, de genoemde Chavannes, Laufer, De Groot, Wieger, en Couvreur.

Hier was een klein aantal taal- en cultuurwetenschappers, vaak min of meer leeftijdgenoten, die juist in die jaren erg actief waren, en die elkaar moeten hebben gestimuleerd in het doen van verder onderzoek. Achtereenvolgens heeft Buckens het over J.J.M de Groot (1854-1921) die van 1876 tot 1878 in Amoy verbleef, en tussen 1885 en 1890 het noorden van China doorkruiste. De Groot was een sinoloog die een leerstoel in Leiden kreeg. Er was Frank Herring Chalfont (1862-1914) uit Surrey die als eerste, of als een van de eersten de zes antieke schrijfwijzen van China bestudeerde (Early Chinese witings, 1906). Er was de jezuiet en lexicograaf-sinoloog Seraphin Couvreur (1835-1919), overleden in de Hebei-provincie. Er was het talenwonder Berthold Laufer, afkomstig uit Duitsland, maar in de VS werkend voor de Carnegie-stichting die drie keer in China (en Tibet) is geweest — 1901-1904, 1908-1910, en 1923. Daarvoor was sinoloog Édouard Chavannes (1865-1918) al in China geweest, van 1889 tot 1893. Chavannes’ werkterrein lijkt zich niet veel verder dan tot Beijng (Peking) te hebben uitgestrekt. Ook maakt Buckens melding van de Japan-kenner W.J. Aston (1841-1911) die tussen 1885 en 1889 in Britse overheidsdienst in Japan en Korea was gestationeerd. En als laatste is er sprake van Leon Wieger (Straatsburg 1856- Xian 1933), evenals Couvreur jezuiet en sinoloog, en evenals Buckens arts. Wieger heeft zich over het daoïsme en het boeddhisme gebogen.

morgen verder