Kaikei, japans beeldhouwer

 

p12-larking-kaikei-a-20160524-200x200

Matthew Larking, die op 23 mei een artikel schreef voor de Japan Times, noemt bodhisattvas dan wel “gods”, maar verder is zijn verhaal een goede aanvulling op het Tulpen en Tempels / White Jade River-artikel over de bodhisattva Ksiti-gárbha.

Het beeld dat hierboven getoond wordt werd gemaakt door de japanse beeldhouwer Kaikei die ergens rond 1190 leefde — een belangrijk werk van Kaikei is de zogenoemde “staande Amida Nyorei”. (Amida is de verjapanste vorm van Amitābha, en Nyorei is japans voor Tathágata)

Kaikei’s vader was Kōkei, en zijn broer heette Unkei. Aan Unkei’s werk is eveneens een TT-pagina gewijd.

Zo oppervlakkig gezien lijkt Kaikei net zo’n strenge persoon te zijn geweest als zijn broer Unkei. Hoewel Ksitigarbha, in het japans Jizó, de meest zachtaardige onder de bodhisattvas wordt verondersteld te zijn — aangenomen dat we deze concepten willen antropomorfiseren — en dat willen we niet allemaal, dit beeld van Jizó (spreek: djie-zó) geeft hem toch een zekere strenge kracht, meer dan in andere beelden en schilderingen.

Noh

noh-actor-momoyamaIn het museum voor archeologie en geschiedenis in Montreal is een paar dagen geleden een tentoonstelling open gegaan met ongeveer 450 objecten uit het verleden van Azië.
Het evenement werd door Art Daily aangekondigd met een foto van een absoluut grappig beeldje van een Noh-acteur. Het werd gemaakt in de Momoyama-periode van Japan, tussen ongeveer 1573 en 1600.
Veel meer valt er over het figuurtje niet te vertellen.

Brancusi en Milarepa

wisdom-of-the-earth-brancusi-1907

Van Constantin Brancusi (1876 – 1957) wil de roemeense overheid het werk “The Wisdom of the Earth” uit 1907 aankopen. Dat meldde The Art Newspaper op 16 november 2016. De roemeense regering heeft niet genoeg geld om het hele gewenste bedrag op tafel te kunnen leggen, maar ze hopen op de gulheid van medefinanciers. Radu Varia beschrijft dit bepaalde werk van zijn landgenoot met “raadselachtig (af)godsbeeld” (enigmatic idol). Het zou geïnspireerd zijn door het voorchristelijke volksgeloof van Brancusi’s land of geboortestreek (http://www.roconsulboston.com/Pages/InfoPages/Commentary/Brancusi.html).

king-of-kings-brancusi-1938

Brancusi is vooral bekend door zijn eivormige, uit marmer gehouwen hoofden waarvan ik er graag een op een zuiltje in de woonkamer had gehad.

Een ander heel bekend werk is zijn King of Kings dat oorspronkelijk “L’ esprit du Bouddha” heette (rechts).

De meerderheid van de Brancusi-biografen menen dat deze houten sculptuur in ca 1938 werd gemaakt, een jaar na zijn India-reis. Volgens Robin Peck echter (Sculpture: A Journey to the Circumference of the Earth, 2004) ontstond het werk in 1920. Dat kan inderdaad niet, want het was pas in 1924 dat Brancusi, eenmaal in Parijs aangekomen — dat zijn woonplaats zou blijven — het woord “bouddhisme” leerde uit Jacques Bacot’s introductie tot het boek “Le Poète Tibetain Milarépa“. Bacot herpakte zich in een tweede boek over Milarepa. Dit verscheen een jaar later, in 1925: “Milarépa : Ses méfaits, ses épreuves, son illumination“, en daarin zal de verstokte roker, en naar men zegt drinker Brancusi het excuus gehaald hebben om zijn slechte gewoonten voort te zetten: Milarepa deugde immers in zekere zin zelf ook niet, zal ook de overweging zijn geweest van personen als Tõnisson. Dwars als ze zijn wensten ook die eerste Europeanen bij de ontmoeting met het boeddhisme niets, maar dan ook niets op te geven, maar wel veel als extra te ontvangen. Ze zijn van een kouwe kermis thuisgekomen, maar dat is een ander onderwerp.

Het waren dus de leringen van de tibetaanse boeddhistische filosoof Milarepa die Brancusi inspireerden tot zijn werk, hoewel we vraagtekens mogen stellen bij de kennis, resp. de interpretatie van Bacot. King of Kings/L’ esprit du Bouddha was, suggereert Sidney Geist (Brancusi, A Study of the Sculpture, 1968), Brancusi’s vervorming van de ch’orten (de Himalaya stoepa).
Eenmaal in India, in 1937, was het in Ujjain dat de beeldhouwer werd geïntroduceerd tot de sculpturale vorm van de hindu lingam. We mogen er vrijelijk van uitgaan dat hij niet zover in de Himalayas is doorgedrongen dat hij ook werkelijk ch’orten heeft gezien en aangeraakt. Zelfs in de paar musea die er toen al waren zullen dergelijke monumenten op dat moment nog ontbroken hebben. Het is niet waarschijnlijk dat hij welke vorm van boeddhisme dan ook op zijn reis door India heeft ontmoet — dat is ook de ervaring van andere reizigers — anders dan de praatjes van een zekere welgestelde klasse die Boeddha tot op de dag van vandaag voorstelt als een sociaal-filosoof, of, als ze hem dan toch als “religieus” willen duiden, als een avatar van de hindu-god Vishnu.

Brancusi heeft zich voorafgaand aan zijn India-reis dus ingelezen in het onderwerp aan de hand van Bacot’s boek, en mogelijk aan de hand van nog een paar werken, we wijzen op Steinilber-Oberlin’s “Les Sectes Bouddhiques” uit 1930, een verslag van een reis door Japan.

bran-balg

9 april 2018:

Brancusi heeft de geïnteresserden in zijn kunst echter ook een beetje de wol over de oren getrokken. Als volgt: Er zijn machines in deze wereld die niet kunnen werken zonder dat er een balg aan te pas komt. Er is in in 2018, in de stad waarin Brancusi zijn toevlucht zocht,  nog één fabriek waar balgen worden gemaakt, en wel van leer, omdat de machines waarvoor ze bedoeld zijn geen balgen uit andere materialen verdragen. De werkplaats van deze fabriek ligt vol met houten modellen van balgen in verschillende diktes en lengtes. Brancusi moet deze modellen gezien hebben, en hen als voorbeeld voor zijn kunst hebben gebruikt. Dat wil zeggen dat hij aan de modellen niets veranderd heeft, ze rechtstreeks heeft gekopieerd, meer niet. Enkele van deze balgen-kolommen heeft hij alleen maar tot het uiterste opgerekt, zo ver mogelijk tot in de hemel reikend. Brancusi heeft er een verhaal over antieke roemeense cultuur aan gehangen, maar we mogen ons afvragen of die verhalen een werkelijke basis in de orale of geschreven overlevering hebben.

 

Raghunath Mohapatra

TH_27_RAGHUNATH_MO_1343505f

In 2013 ontving beeldhouwer Raghu-náth Móha-pátra, die aan het hoofd staat van de Odisha Lalit Kala Akademi, de Padma Vibushan-prijs, een hoge onderscheiding die uitgereikt wordt door de indiase overheid. De deelstaat Odisha werd vroeger Orissa genoemd, en Raghunath is een plaats in Odisha.

Mohapatra maakt voornamelijk standbeelden van hindu-heiligen, maar heeft ook de opdrachten gekregen voor twee 15 voet hoge boeddhabeelden die bij de Dhauli-giiri Santi stoepa staan, en een 20 voet hoog boeddhabeeld in witte zandsteen dat naar Ladakh verhuisde. “Santi” (of shanti) betekent “vrede”. Het bouwwerk is er een in een serie die zijn opgericht door een japans-boeddhistische stroming die dergelijke bouwprojecten als cultivering heeft gekozen.

dhaul

Online zijn twee boeddhabeelden te vinden die door Mohapatra gemaakt zijn. Het bovenste, waarop we de “aarde aanrakende” mudra zien,  staat zeker in de Shanti stoepa, of dat ook het geval is met de onderste, dat het “in beweging zetten van het wiel van de Dharma” toont, is mij onbekend. Reizigers naar verre streken zullen dat kunnen bevestigen of ontkennen.

Of het beeld dat naar Ladakh is gebracht terecht gekomen is in of bij de Hemis gompa, is voorlopig niet te achterhalen. Hemis is naar omvang en bezetting de grootste in de regio.
Het komt zelden voor dat de naam van een boeddhabeeldenmaker bekend is, en daarom is het des te interessanter om die van Mohapatra in de annalen te houden.statue-of-the-buddha-at-shanti-stupa

Voor diegenen die niet zo bekend zijn met het onderwerp: Op het moment dat Boeddha Verlichting bereikte, of Ontwaakte, raakte hij met de vingertoppen van de rechterhand de aarde aan als om deze als getuige op te roepen.
Het “in beweging zetten van het wiel van de dharma” (of dhamma, in de talen sanskriet, resp. pali) gebeurde met het uitspreken van de eerste leerrede. Die gebeurtenis wordt gesymboliseerd met deze handhouding waarin als het ware een wiel aan de gang wordt gehouden.

Boeddhabeelden, willen het echte boeddhabeelden zijn, moeten aan een aantal criteria voldoen die bekend zijn bij de opdrachtgevers en de makers die een opdracht krijgen. Beelden die niet aan deze criteria voldoen zijn geen boeddhabeelden maar tuinkabouters.

Kan Yasuda

kan yasuda-1 hokkaido

Op het eiland Hokkaido ligt waarschijnlijk nog sneeuw. Midden in die sneeuw ligt een sculptuur van Kan Yasuda. Een ronde zwarte steen die ook een vindsel geweest had kunnen zijn.

Hayao Kawai schreef een essay over Yasuda’s beeldhouwwerk dat ook in Assisi tentoongesteld werd. Bij gelegenheid van die Assisi-tentoonstelling sprak de geestelijke, Father Vincenzo Coli, over Sint Franciscus’ kerkliederen (canticles) over wind, water, vuur en aarde, en hoe ze gerelateerd kunnen worden aan Kan Yasuda’s werk.

Hayao Kawai kreeg, met alle waardering voor de woorden van de priester, eerder associaties met Myoe (spreek Mjo-ù, (1173–1232), ook Kōben genoemd, de monnik uit de japanse Middeleeuwen die zowel de shingon-school als het kegon weer nieuw leven inblies. Hayao had de opsomming van de vier Grote Elementen graag aangevuld gezien met het begrip “ku”, hoewel dat begrip onbekend is in het westen, althans, het hoort niet tot de cultuur van voor de 20ste eeuw.
Ku (of “ki” in het chinees, of ouderwets “chi”) is als het ware de geestkracht die verondersteld wordt langs de ruggegraat van het wezen te lopen. Het heeft geen vorm. Het werk dat Yasuda maakt, zo gaat de heer Kawai verder, heeft wel vorm, maar roept gedachten op over dat “ku” dat als een geestelijke kracht uit Yasuda’s beeldhouwwerk spreekt.

Het is niet verwonderlijk dat Hayao Kawai dacht aan Myoe, in 1992 publiceerde hij diens complete werk.

Naaktemannenbeelden

gormleyhongkong

Beeldhouwer Antony Gormley kreeg vorig jaar wat extra aandacht toen er discussie ontstond rond een van zijn roestende naaktemannenbeelden bij een japanse tempel. De roest deed de lichtgekleurde lasnaden rond ‘s-mans onderlichaam zo extra duidelijk uitkomen dat het van honderden meters afstand opviel. Inmiddels heeft Art Asia Pacific een pagina geupload met Gormleys beelden midden in Hong Kong. De fotoserie toont de reacties van voorbijgangers, soms stomverbaasd, soms verontwaardigd zoals de hier getoonde mevrouw met het kind aan de hand. Gormley noemt zijn beelden “beelden van mindfulness”, want in de verbaasde voorbijganger die even stilstaat en zijn gedachtenstroom onderbroken ziet door een soort cultuurschok meent hij “mindfulness” te herkennen: “we are able to be more aware of the space that exists within and outside of us.” (dan zijn we in staat ons meer bewust te zijn van de ruimte die zich in en om ons bevindt.)

O ja? Ruimte?

Op 12 februari zond de Avro/Tros een documentaire uit over de schilder Renoir. Tijdens de uitzending kwamen 56 naakten voorbij, doeken en twee beelden. Van vrouwen, wel te verstaan, frontaal gezien, van de rug af beschouwd, staand, zittend, liggend, alleen of met z’n zessen — wat heet vervreemding.
De jonge vluchteling uit Afghanistan die zijn schapenkudde achter moest laten om niet ingelijfd te worden bij de taliban, zou er met verbijstering naar kijken. In zijn leven zou er, of zal er, net als in het leven van de vroeg-twintigste-eeuwer uit Europa, niet meer dan 1 voorbijkomen, of hooguit 2 indien de moeder van zijn kinderen vroeg overlijdt.
Zeker, de afbeelding van naakten behoort tot uw cultuur, u hebt het recht, en laten ze niet …, maar dat Gormley na de vroege Grieken en Romeinen met zijn inmiddels tientallen afgietsels van zichzelf een gat in de markt heeft ontdekt, zo eenvoudig — ik als Apollo of Hercules; wat dacht je daarvan — is als afgietsel-experiment waarschijnlijk nooit eerder vertoond, althans niet als van-top-tot-teenbeelden.

Dit bericht begon als een over de vele smaken van het westerse mindfulness, zo’n lollie met tien of meer kleurtjes.

Xu Zhen

130415

In een artikel over Xu Zhen, die pionier wordt genoemd van de Chinese kunsten-ondergrondse, schrijft de webmaster van Cool Hunting een paar woorden over lopende en voorbije tentoonstellingen. Een van de behoorlijk onscherpe afbeeldingen op die pagina is die van een snoepgoedkleurige Quanyin, heel verkoopbaar, maar “high art”? dat mag betwijfeld worden.
Voorbij die Quanyin staat een grote foto van een heel complex beeld, een zittende bodhisattva zonder hoofd, en in plaats daarvan een van de vleugels van de Nikè van Samothrace. En dat is dan wel weer overtuigend, zou je zeggen, ware het niet dat het concept van de Nikè — oorlogvoering, resp. een oorlogsschip naar de overwinning gidsen — niet in het boeddhisme thuishoort.

1 januari 2018. De bovengetoonde Quanyin staat nu in het museum van een damenstassenfabrikant te Parijs. Daar wordt het “un bouddha” genoemd.