Korea in de 18de/19de eeuw

In 1861 maakte de koreaanse kaartenmaker/geograaf Kim Jeong-ho (kim djong-ho) een landkaart van het Joseon-rijk  (djosón) dat er alles aan gedaan had om heel Korea onder een koninkrijk samen te brengen. Er zijn nog zo’n twintig zwart-wit landkaarten van bijna 4 bij meer dan 6 meter bewaard gebleven, en drie ingekleurde waarvan er een in Korea zelf bewaard wordt, en twee in Wisconsin en Harvard in Amerika terecht zijn gekomen. De “koreaanse” landkaart wordt op 28 juni in Seoul ter veiling aangeboden. Dat maakte de Korea Herald bekend. We moeten maar hopen dat de kaart in het land blijft en niet ook aan de andere kant van de eendenvijver terecht komt.

sainam

Tijdens diezelfde veiling wordt ook een werk aangeboden van een leerling van schilder Kim Hong-do. Voor zover de krant er melding van maakte is het een deel van een achtdelig kamerscherm waarop 16 geleerden staan afgebeeld, “inclusief boeddhistische monniken”. Ze zitten, schrijft de journalist, te studeren tegen de achtergrond van een “magnifiek landschap”. Zo te lezen volgde de leerling daarmee de chinese school die er per traditie nadruk op legde dat de mens maar een miertje is in een overweldigend landschap. Op een ander werk dat ter veiling wordt aangeboden, “Sainam“, van de hand van Jeong Seon (djong son) zien we wat daarmee bedoeld wordt: je moet twee keer kijken voordat je een keer het figuurtje bijna middenonder in beeld ziet.

kim hong-do tiger under a tree
Toch is Kim Hong-do vandaag waarschijnlijk bekender dan Jeong Seon. Zijn “tijger onder een boom” heeft bijna de status van koekblikplaatje gehaald, evenals zijn “kat die naar een vlinder kijkt”. (zie onder)
Kim Hong-do (geb. 1745 – overl. ts 1806 en 1814) was niet echt bijbelvast waar het zijn religieuze voorkeur aanging. Heel bekend is zijn in 1776 gemaakte schildering op kamerscherm van de “negentien daoïstische onsterfelijken” geworden, u weet wel, die gelukzakken die nooit meer doodgaan en ergens tussen de wolken boven het Kunlun-gebergte leven. Ziet u hoe een van die onsterfelijken een os berijdt, en een ander achterstevoren op een ezel zit? Waar zou het zen (ch’an) die beelden nou vandaan hebben!
Die onsterfelijken moesten er wel wat voor over hebben om onsterfelijk te worden, onmenselijke ademhalingsoefeningen en een onmenselijk dieet, onderandere, maar dan heb je ook wat. En ja, inderdaad, China en Korea deelden en delen (tot de komst van de echte “import”) dezelfde levensovertuigingen: confucianisme, daoïsme en boeddhisme.

kim hong-do cat watching a butterfly

Kim Hong-do geloofde naar mijn mening nergens in, en was uiteindelijk alleen maar uit op aardige beelden. Zijn tekening van een koreaanse non, onderweg ergens naar toe, al reciterend — waarschijnlijk de naam van Amitābha Boeddha, Amidabul in het koreaans — is daar een van. Dat ze reciteert zien we aan de gebedskralen (māla) die ze in de hand houdt. Het is maar goed dat hier gezegd wordt dat er sprake is van een boeddhistische non, want de kledinggewoonten zijn sinds die 18de eeuw behoorlijk gewijzigd. Zouden we niet weten dat hier sprake is van een boeddhist, dan zouden we op basis van de hoofdbedekking alleen al kunnen denken aan een katholieke non; het katholicisme was tegen die tijd al kleintjes aanwezig op het schiereiland.

Een ander werk dat Kim Hong-do in opdracht van de koning maakte was de afbeelding van de drie Boeddhas die hij maakte met het oog op de ruimte in de Yongju-sa. We zijn inmiddels gewend om bij “drie Boeddhas” te denken aan de zogenaamde “tri-káya“, drie lichamen die samen de dharma– (leer), het sambhóga– (de staat van verlichting) en de nirmána-kaya (de (schijn-)gestalte van Boeddha verbeelden, maar hier had de koning opdracht gegeven de drie Boeddhas van het allereerste begin (Dī-pánkara), het heden (Saakja-moeni) , en de toekomst (Maitreya) uit te beelden. Dat komt niet zo vaak voor, en het toont aan dat men in die jaren meer gefocust was op de levende boeddha die over de aarde gaat, dan op min of meer abstracte concepten. Dat verklaart wellicht ook dat de drie hier afgebeelde Boeddhas er veel levendiger uitzien dan gebruikelijk is.

Hoewel Kim Hong-do de gunst van de regerende vorst had, is het niet zo goed met hem afgelopen. Tegen het eind van zijn leven verdween hij gewoon uit beeld, en niemand schijnt te weten waar hij is gestorven, hoe, en zelfs wanneer. Misschien wilde hij dat zo. Zou kunnen.

De Han-rivier

Robert Neff van de Korea Times van 25 januari had een lang artikel en een aardige oude foto met een wintergezicht op de Han Rivier die noord en zuid scheidt. Het artikel ging vooral over de visvangst, eigenlijk een no-no onderwerp voor een boeddhistische vegetariër. Maar goed, we kunnen het er over hebben zonder het ook te eten.
han river

Er zijn nogal wat gedichten geschreven over de Han-rivier, zoals Shim Hun’s “Wanneer die dag komt” uit 1930:

Wanneer die dag komt, wanneer die dag eindelijk komt,
Wanneer de berg Samgak voeten krijgt en danst,
en de wateren van de Han-rivier schuimen alsof een draak aan het oppervlak komt,
Mocht die dag toch komen voordat ik mijn laatste adem uitblaas.

Sim overleed in 1936 en de bevrijding van zijn land — “die dag” — heeft hij niet meer meegemaakt.

Seosan Taesa was een zenmeester uit de West-berg. Hij leefde tussen 1520 en 1604 en werd Cheongheodang (dzjong-hu-dang, ongeveer) genoemd. Het thema van de onsterfelijke leende de meester uit het daoïsme of een filosofie die aan het daoïsme voorafging. De oorspronkelijke 8 onsterfelijken — 7 mannen, 1 vrouw — zouden onsterfelijk zijn geworden dankzij de ijzeren discipline van een heel streng dieet en bijna onmenselijk zware ademhalingsoefeningen.
De onsterfelijken leven ergens in de wolken, zegt men, en wie ze ziet raakt er door geïnspireerd, zegt men. Hoewel hier natuurlijk ook een stille verwijzing is naar Laozi die maar langs de rivier zat te vissen. Hoewel het dan weer Kongzi (Confucius) was die steeds maar muziek zat te maken, ook langs de rivier.

Cheongheodang’s “Zwerven langs de Han-rivier”

Groen, groen zijn de wilgen na de regen in de ochtend,
De oostenwind gaat vriendelijk over het water, als een mist.
Vanaf een boot klinkt muziek uit een jaden fluit,
En ze noemen de visser de onsterfelijke van de rivier.

SANJIAO

Tijdens een veiling in Oakland, Californië werd een werk in de geest van de chinese schilder Fu Baoshi (1904-1965) voor een dikke negen duizend van de hand gedaan. Dat meldde Art Daily rond 25 juli 2014.

threereligions

De “leerling-van” kan zich voor zijn thema gebaseerd hebben op een van de oude afbeeldingen van een san-jiao (drie ‘religies’) schildering waarvan er een hele serie is, zoals de bovenste afbeelding hier.

Dat mag de chinese mens graag zien, dat de drie traditionele levensovertuigingen harmonieus samengaan in een gezamenlijk streven naar algemeen welbevinden. Dat welbevinden is een voorwaarde voor het bereiken van de verschillende doelen van de san-jiao. Want wie ligt te spartelen van ellende bereikt geen verheven doel. Of anders gezegd, martelaarschap, of lijden als bewijs van goddelijke interventie is de oude levensovertuigingen van Azië volkomen vreemd.

clars-1

Het werk dat in Oakland werd geveild toont overigens het soort wensdenken dat we ook in de manga- en anime-kunstenaars van Japan aantreffen. Worden in de manga- en anime-voorstellingen de de mensheid reddende bodhisattvas meestal, maar niet altijd, afgebeeld met een volle bos prachtig gestyled haar en te gekke outfit (ga in vredesnaam niet in het verhaaltje geloven), hier zien we de drie vertegenwoordigers — van links naar rechts: een confucianist, een boeddhist en een daoïst — een spelletje go, of weet ik wat spelen. Dat zou leuk zijn, moet de à la manière de Fu Baoshi gedacht hebben, daar kan ik me mee identificeren. Zoiets.

Overigens werd de ‘Oakland-afbeelding’ ge-upload vlak voor het weekend waarin vanuit Europese, Grieks-georiënteerde hoek maar weer eens een pedant “Vergeet niet, wij zijn de bakermat van de beschaving” werd uitgestoten. Dit naar aanleiding van een komende openluchtvoorstelling getiteld “O die zee” (Odyssee).

Het ging 70-er jaren lichtjes de goede kant op met cultuur-relativisme, maar we zijn weer helemaal terug bij af. Onder veronderstelde druk van oudere en even rijke culturen om het continent heen (wel verwoest en overwonnen, maar niet helemaal, en weer helemaal overeind) lijkt “Europa” zich opnieuw als een bal samen te bundelen, impermeabel voor het andere, tenzij voor een set chopsticks naast de vorken in de keukenla.

Het gaat waarschijnlijk toch weer lang duren voordat “Vergeet niet, wij zijn de bakermat van de beschaving” zal zijn bijgesteld naar een “Vergeet niet, wij zijn een bakermat van een beschaving” — als het er ooit van komt, en ondergetekende is pessimistisch.

TAI CHI, FENG SHUI EN DE DRAAK

De Examiner publiceerde op 7 juni Violet Li’s uiteenzetting over Tai Chi (Taiji).
Ook hier vinden we “een stukje boeddhisme”. Er wordt op deze pagina naar Violet’s woorden verwezen binnen het kader van voorlichting over deze sport, niet als aanbeveling om het te gaan beoefenen, en zeker mag een kleine waarschuwing gegeven worden ten aanzien van de claim dat Taiji binnen de kolom geneeskunde past. Toen we nog geen goede medicijnen hadden probeerden we alles; nu er wel een arsenaal aan werkzame en beproefde medicijnen is, is er helemaal niets tegen om wat kritisch om te gaan met oude geneeswijzen.

In dezelfde richting moeten we een nieuw boek over feng shui (wind en water) plaatsen. Kerby Kuek uit Hong Kong prees hetgeen in zijn boek staat aan als een uiting van daoïsme. Een van zijn opvattingen luidt: “Of een mens een wijze of een normaal wezen wil zijn hangt af van het soort hart dat men kiest. Deze opvatting staat duidelijk geschreven in bijna alle Neidan-boeken (die over innerlijke alchemie van het daoïsme). Boeddhisme heeft dezelfde concepten, opgetekend in de vorm van “principes” (li).
Wat de heer Kuek bedoelt met “hart” vinden we in de zin “Het Tao-hart is ook een cosmisch hart. Daarom is ons Gewone Hart zuiverend en verlichtend. De connectie is een grote.”
Het is bijna een zin uit de Ijing (I Ching) die ook niet daoïstisch is, van oorsprong.
Of de heer Kuek gelijk heeft of niet met zijn opmerking over het boeddhisme, het hart en de principes is niet eens zo belangrijk. Belangrijk is dat hij er mee bezig is, en ieder wezen vindt zijn eigen waarheid die voor hem of haar waar kan zijn, maar dat niet hoeft te wezen voor anderen.

dragon

Soga Shohaku

Naar aanleiding van een video file over de restauratie van een enorm wandpaneel gemaakt door de Japanse schilder en prentenmaker Soga Shohaku (1730 – 1781) kunnen we dan ook een beetje gaan denken over die draak, over wind, en over water, waar Shohaku bijna zijn hele carrière aan besteedde.
Hij wordt door velen voorgesteld als een soort boeddhist, want hij maakte wandschilderingen voor Japanse tempels en prenten van zen- en andere wijsgeren en monniken die zo gemakkelijk als van zijn hand herkend kunnen worden vanwege die krachtige, brede, in een adem door geschilderde contouren.

En de draken die Shohaku schildert, zie de afbeelding boven, die tot het zwerk behoren maar zich aan de aarde manifesteren, komen dan ook aangezwoefd vanuit een enorme wolk en doen het water van de zee opspatten op een manier die we eerder kennen van de bekende tsunami-schildering van Hok(u)sai.
Daar toont zich de daoïst die Shohaku was. Wellicht, of zeer waarschijnlijk, had hij kennis van het gezegde over de eindeloze transformatie der dingen: de wolken (lucht, niets) die neerdalen en deelnemen aan de materie (aarde, water), en water (materie) die opstijgt en zich voegt bij de wolken (het niets), in een eindeloze herhaling.

Nog afgezien dat voor wat de fundamenten betreft het boeddhisme en het daoïsme van elkaar verschillen — Boeddha, de Indiër treedt Zhuangzi, de Chinees beslist niet bij wanneer de laatste zegt: “Alles komt voort uit het Ene” (‘de’ Zhuangzi 33) — zijn er ook overeenkomsten. Zo is zeker het modernere boeddhisme het concept wedergeboorte, of liever de overgang van de laatste schakel, het sterven, van de keten van Afhankelijk, Voorwaardelijk Ontstaan, naar de eerste, het geboren worden, gaan zien in het licht van het daoïsme, als een voortdurende metamorfose (zie ook Ovidius).
Dat staat niet met zoveel woorden in de vroege boeddhistische canonieke werken, maar er is ook geen instantie te vinden die gebruikt zou kunnen worden om het niet zo te zien.

In die daoïstische canon, met name in de Zhuangzi (‘de’ Zhuangzi 14) zet de daoïst Lao Tan, de Oude Tan, Kongzi (Confucius) op zijn plaats. Aan het eind van Lao Tan’s preek geeft Kongzi, alsof hij een schooljongen was, een exposé van zijn begrijpen van het daoïsme met de woorden: “Wanneer de draak zich opvouwt, dan vormt hij een ondoorzichtig lichaam; wanneer hij zich uitstrekt, dan vormt hij schitterende tekeningen. Hij galoppeert door de lucht en de mist en voedt zich met yin en yang.”

Het is een mooi beeld, en voor daoïsten is het een soort levensmotto. Boeddhisten zijn een stuk praktischer en gaan onmiddellijk vragen stellen over wat “draak” dan wel is, hoe ‘ie zich opvouwt en uitrekt, en wat yin en yang dan wel zijn, en vooral, wat je er aan hebt.