Lucretius – 2

de rerum natura

Waarom herkent een boeddhist het een en ander in het denken van Lucretius? Daarvoor slaan we Ida Gerhardt’s “Lucretius, de natuur en haar vormen” open en lezen in eerste instantie een passage uit hoofdstuk V (195-200) (ze schrijft in van die hexameters):
En zelfs zoo ik niet wist wat zijn de principes der dingen,
zou ik dìt toch, uitsluitend op grond van studie des hemels,
vast durven stellen en staven met talrijke andere feiten:
dat voor òns stellig niet door godd’lijke wil is geschapen
deze natuur en haar vormen: ….

“…. nicht durch göttliches Wirken …” vertaalt Binder.

En verder zien boeddhisten met tevredenheid dat Lucretius dus het aan het licht komen uit, of door, Eén oorzaak afwijst en met ons stelt dat er meer dan één voorwaarde en conditie aanwezig moet zijn opdat wat dan ook aan het licht kan komen: (V-845-855) “Immers zien wij dat er veel moet samentreffen ….
“… in de schepping”, vervolgt de brave Ida. Dat Lucretius formuleert dat niets “door goddelijke wil is geschapen”, vertaalt ze netjes, maar ’t blijven voor haar woorden, en het toont de verwarring van de Noordeuropese mens die tot ver in de zestiger-zeventiger jaren nooit werkelijk nadacht over termen als “schepping”. Dat waren vanzelfsprekendheden. Binder geeft de passage met: “… vieles muss zusammenkommen, damit lebendige Wesen sich fortpflanzen, …”

Dat Ida Gerhardt ook intellectueel niet werkelijk contact heeft gemaakt met andere dan de nieuwe theïstische systemen die ontstonden uit het heilige boek van de joden — ook al was ze nog zo épris van Lucretius’ dichten, zien we opnieuw wanneer ze in I.500-505 nogmaals het woord “geschapen” gebruikt: “… wij spreken in onze leer van principes en zaden der dingen waaruit al wat bestaat is geschapen …”..
Het behoeft kritiek, niet eens omdat we als boeddhisten schepping afwijzen, maar vooral omdat het er in Lucretius’ origineel niet staat. Binder geeft de passage als: “… dass es Dinge gibt, die zusammengesetzt sind aus dichten unzerstörbaren Körpern …”.
In Lucr. I.780-785 komt hij tot “schaffen der Dinge”. In een toelichting op pag. 258 van zijn Über die Natur … schrijft hij dat hij “concilia” heeft vertaald met “zusammengesetzt”: “zusammengesetzten Atomverbindungen”.
Montaigne (Essais p.848) vertaalt genoemde passage in Lucretius I.500-505 met “bâti“, gebouwd, samengesteld, gevormd: “les atomes eussen bâti le monde” (de atomen zouden de wereld vormgegeven hebben). Ook dat — bâti — lijkt in de ogen van een niet-classicus een heel ruime opvatting van “concilia“. De Montaigne’s Essais benoemt de atomen die deze wereld in elkaar zouden zetten, in een voortdurend veranderende samenstelling, 3 keer wanneer hij het over Epicurus heeft (pp.796, 840, 848). In ieder geval gebruikt Lucretius zelf (I.300-305) bij die voortdurend van samenstelling veranderende atomen iets als “aanraken en aangeraakt worden” (Gerhardt) of “Verwandeln” (Binder). Helaas geven geen van beide Noordeuropese vertalers een verklaring bij deze oplossing.
Lucretius heeft het in hoofdstuk I uitgebreid over die “atomen”. Hij heeft het volgens Gerhardt over “onsterf’lijke grondstof” (I. 545) en “onvergankelijk zaden” (I. 220-225). Klaus Binder noemt het “Unvergänglichen Körpern”: onvergankelijke deeltjes, dat wil zeggen, de atomus in het Latijn.

Het begrip leegte komt in Lucretius’ werk vrij veel voor, maar de lege ruimte die hij voor noodzakelijk houdt, opdat de atomen zich een beetje vrij kunnen bewegen, lijkt in niets op het latere boeddhistische concept sunyatá, hoewel er nog al te veel boeddhisme-watcher zijn die daar niet aan willen, en er zijn er onder hen die vinden dat ook Sartre’s “le néant” erg boeddhistisch is. Is het niet.

Lucretius zegt, samen met de exoterie in het boeddhisme, dat geest — ziel naar inzicht van Lucretius, Ida en Klaus; gar keine Frage — niet kan bestaan zonder lichamelijkheid (I.445-450), en dat er hermaterialisering is (I 560-565), maar dat laatste dan wel in die zin dat het mentale ook fysiek hermaterialiseert — en dat gaat de boeddhist twee bruggen te ver, zeker wanneer we boek 5 lezen (555-560). In de hertaling van Gerhardt, die de hele passage tussen 550 en 560/2 veel beknopter samenvat dan Binder, staat er: “… Ziet gij ook niet hoe bij ons het zware gewicht van het lichaam wordt getorst door de ziel en haar uiterst fijne substantie …”.
Klaus Binder vertaalt in V-554: “… siehst du nicht, wie die Seele mit ihrer Kraft (animus und anima) unseren Leib erhalten kann, …”. Een paar regels verder komt pas de kernregel: “… Siehst du nicht, welche kraft selbst ein feiner Körper (zo’n atoompje) entwicklen kann, wenn er mit einer schweren Substanz vereinigt ist? Und das gilt für Luft und Erde nicht weniger als für Seele und Leib.
Het oorspronkelijk griekse anima en animus dient in het licht van de oorspronkelijke betekenis vertaald te worden met adem, resp. met dat wat ademt, of dat wat adem heeft. Anima is vergelijkbaar met het sanskriet prana.
Nadat het frans het woord anima uit zijn context heeft gelicht en er âme van gemaakt heeft, waren we vertrokken voor eeuwen van fabuleren dat niet ophield voor de poorten van de faculteit filosofie. In de oostaziatische context, waar het westerse denken woorden als religie en ziel er met kracht heeft ingeramd, is wat hier, aan deze kant van de aardbol, ziel genoemd wordt iets bovenpersoonlijks. De experimenten waarover hierna wordt geschreven hebben daar nooit plaats gevonden omdat het individu geen individuele “ziel” heeft die met het overlijden het lichaam verlaat. Wel spreekt men over “spirit”, en daar begint een nieuwe ronde van verwarring, zeker in de Himalayas waar het volksgeloof — dat daar groter is — zich heeft gehecht op het boeddhisme — dat daar kleiner is.

Lucretius, dichter en denker, geen exacte wetenschapper, is het met boeddhisten eens wanneer hij zegt dat het bestaande, zodra die atomen zijn samengeklonterd, zich toont in de 4 elementen van wind, water, vuur en aarde (I.450-455, 710-720, 760-765). Maar dan gaat hij verder dan het boeddhisme, dat niets of weinig exact-wetenschappelijks heeft — alhoewel dat tegengesproken wordt — en probeert het concreet te maken. Hoe gaat dat dan met de atomen van vuur, en van ziel en dergelijke? In ieder geval blijkt dat Lucretius ook het mentale een soort materialiteit geeft, want niets kan bestaan zonder dat het materialiteit heeft, vindt hij, en vuur en water hermaterialiseren eenvoudigweg. We moeten er hier ook aan herinneren dat de eerste medisch-wetenschappelijke experimenten in Europa er in bestonden te onderzoeken of men kon zien of en hoe de ziel, gezien als een lichte vapeur, het lichaam van een stervende verliet. En er zijn hele generaties die het indertijd echt gezien hebben, echt, met hun eigen ogen; ze zagen het. Jaja.

Ook worden we nog een beetje herinnerd aan de “deva” of “devata” uit het hinduïsme en boeddhisme wanneer Lucretius het in I.1015-1020 heeft over “het onschendbaar wezen der goden” (Gerhardt), ofwel “die heiligen Körper der Götter” (Binder). De Montaigne citeert Cicero (XVII,40) op p.803 van zijn Essais waar de laatste zegt dat de goden ‘lichtend, transparant en doordringbaar door lucht’ zijn, dat ze ‘een vaste plek’ hebben (logés), ‘zoals tussen twee forten, (of) tussen twee werelden’, en dat ze ‘onaantastbaar’ zijn, en dat ze ‘een menselijk gezicht’ hebben, en ‘lichaamsdelen zoals wij’, welke lichaamsdelen overigens ‘nergens voor gebruikt worden’.
Wanneer Klaus Binder op verschillende plaatsen Lucretius’ “religio” (geloof) vervangt door “superstitio” (bijgeloof), dan doet hij dat ongetwijfeld mede vanwege dit citaat in I.1015-1020 waarin sprake is van mindere goden, zoals dat in de Europese filosofie heet. Over de goden of god gaat een van de volgende blogjes.

Waar het boeddhisme het echt niet mee eens is, is dat Lucretius zegt dat de zintuigen absoluut betrouwbaar zijn. Echt niet!

Concluderend mogen we zeggen dat Boeddha, die het ultieme geluk van de mensen voor ogen had, en niet hetgeen we nu de wetenschappelijke vragen noemen — zie hoofdstuk 2 van de Lankávatára soetra — zich ook niet schuldig heeft kúnnen maken aan wetenschappelijk speculeren. Daar was hij niet van.

wordt vervolgd

Lucretius – 3

Lucretius’ root guru

Dit serietje zou over Lucretius gaan, naar de mening van zijn vertaler Klaus Binder (“Über die Natur der Dinge”, Berlijn 2014) de laatste romeinse filosoof voor de intrede van, of overname door het christendom. Hij leefde op het scharnierpunt waarop Europa is gaan tellen in termen van “voor Christus” en “na Christus”.

Hier wordt een kleinigheid gezegd over het enige werk dat van Lucretius bewaard is gebleven, zij het dat een aantal passages van deze “de Rerum Natura” in de loop van de tijd verloren zijn gegaan.
Maar vooraleer daar aan te komen moeten we het eerst hebben over Lucretius’ inspiratiebron — root guru zouden de Tibetanen zeggen: Epicurus (341 – 270 vC).
Net zoals Michel de Montaigne (1533-1592) het in zijn Essais (La Pochotèque 2001) meer dan 110 keer over Lucretius heeft, en hem citeert, zo vermeldt deze franse filosoof de naam van Lucretius’ grote voorbeeld Epicurus ook, maar toch minder vaak: iets meer dan 60 keer.

De Montaigne citeert Epicurus nooit letterlijk, hij heeft een goedgevulde bibliotheek, maar de “300 volumes” die Epicurus tot aan zijn dood volgepend zou hebben, volgens Diogenes Laërtes (of Laërtius, ca 3de eeuw), staan niet op de plank. De Montaigne heeft zijn informatie over Epicurus van bovengenoemde Laërtes, van Cicero, en van Seneca.

In welke zin beïnvloedt Epicurus het denken van Lucretius? Daar moeten we De Montaigne op naslaan, en die was er vast van overtuigd dat de leer van Epicurus en die van de Stoa eigenlijk een en hetzelfde waren (Essais pp. 33, 339, 653, 784, 822). En dus hoeven we niet alles klakkeloos aan te nemen wat De Montaigne schrijft. Zouden beide filosofieën immers identiek zijn geweest, dan zou Epicurus de moeite niet hebben genomen om in 300 volumes een eigen filosofie te timmeren.

zinnelijkheid

Nogmaals, hoe beïnvloedde Epicurus Lucretius? Op pag. 676 zegt De Montaigne dat Epicurus’ “dogmas onreligieus zijn en gericht op de genietingen”. Op p. 888 van de Essais vinden we een mededeling dat Epicurus het niettemin eens gehad zou hebben over een god als scheppende kracht, maar de bron voor deze opvatting ontbreekt in genoemde Essais. Het onreligieuze in de tussen-aanhalingstekenspassage neemt Lucretius over. Over het religieuze, dus in dit geval Venus en de andere goden, gaan we het nog hebben.

wordt vervolgd

Lucretius – 4

Verder over Epicurus

Maar wat zijn dan die genietingen van Epicurus? Daarover spreekt De Montaigne zichzelf, of zijn bronnen, af en toe een beetje tegen. Hij heeft het over de “poltronesque” tuinen van Epicurus (Essais p. 833). In het Italiaans betekent poltrona onderandere iets dat (of wat) een prestigieuze lading heeft of draagt (carica di prestigio – Italië heeft een meubelmerk dat Poltronna Frau heet).

Op p.557 van zijn Essais souffleert Seneca Montaigne dat Epicurus zich niet voor zijn jicht liet behandelen omdat hij lijden ook wel lekker vond. Maar verder zegt De Montaigne “In navolging van Epicurus lijkt het me beter de zinnelijkheid te vermijden als ze grotere pijnen tot gevolg heeft” (Essais p.1191). Op p. 1342 is het dan weer van: “… de stroming van Epicurus die beschermer is van de zinnelijkheid”. Opvallend is dat Seneca meldt dat Epicurus regelmatig vastte, en dat hij, als hij dat niet deed, dan minder at dan de “12 ons per dag” die Metrodorus naar binnen werkte (Essais pp.1719, 1569). Dit, zo lezen we verder, om na dat vasten extra te genieten van de kost die hem voorgeschoteld werd.
Dit is een van de weinige, en indirecte, verwijzingen naar Epicurus’ verering van Venus. Het lijkt er op dat er geen manuscripten van deze denker zijn bewaard waarin Venus wordt genoemd. Alle filosofen en liefhebbers die het over deze Epicurus-Venusrelatie hebben baseren zich op de openingspassage in Lucretius’ “de Rerum Natura“. Het thema komt terug in de bovenaangekondigde pagina over Lucretius en religie.
In die tussentijd: Epicurus was een “hedonist” briest de redacteur van de wikipagina die een lemma over hem heeft gemaakt.

ataraxia

Doorgaans wordt het latijnse woord, “ataraxia“, verbonden met de Venusverering, gezien als een volkomen samenvallen van subjecten onderling, als in “de daad”, of van subject en object, als in de mens die zich een voelt met de natuur, bijvoorbeeld.
De Montaigne heeft er een lemma over waaruit het begrip iets subtieler naar voren komt: “Ataraxia is een leven (condition de vie) dat vredig is, vervuld, ontdaan van de opwinding die we ontvangen uit opinies en wetenschap (of weetjes), waarvan we denken dat het dingen zijn.” (Essais 783)

wordt vervolgd