Eluard en het zen

Bij zennis lijkt het gedicht Liberté van Paul Eluard nogal wat indruk te hebben gemaakt; er wordt over geblogt, en ook de schoolkinderen in de “hexagoon” zullen het als verplicht werk moeten lezen en/of uit het hoofd leren. Maar voor zover bekend heeft deze dadaïst (een kunststroming uit het begin van de 20ste eeuw) het nooit over zen, laat staan het boeddhisme, gehad. En toch moet hij over zen gehoord of gelezen hebben, want in zijn gedicht dat begint met de regel vinden we een

Ne dites pas sur un chemin de pierre

Si tu heurtais mon front
Tu rejoindrais l’immensité à tête d’épingle:
“Zeg, gaande op een steenweg niet


Zou je met mij in aanraking komen
Dan zou je meedelen aan die oneindigheid ter grootte van een speldenknop.”

Excuseer de beroerde vertaling, maar het thema is duidelijk: Eluard heeft iets gelezen over “het hele universum op de punt van een speld”.
Het gezegde verwijst naar het concept sunyata (noot 6), de realisering dat uiteindelijk, wanneer we tot de kern van de redenering over “zijnden” zijn aanbeland, er niets is dan het zwarte gat dat alles opslokt en niets laat ontsnappen.
Dat is geen enge, zwartgallige constatering, maar simpelweg de realisering dat — kijk naar die dans van stofdeeltjes op een kolom licht die door het raam valt — er niets vastigs, niets blijvends, niets permanents is dan alleen dat. Ware er wel iets vastigs, iets blijvends, iets onveranderlijks, in of aan ons, dan zouden we niet kunnen evolueren, dan zouden we altijd dezelfde blijven en geen enkele inspanning hoeven te doen om een vollediger mens te worden, het zou toch allemaal voor niets zijn. Het realiseren van het begrip sunyata (spreek: soenjataaa) bevrijdt ons van die status quo. Voortgang is mogelijk.

Nu was Eluard wel een van die dichters die vrij met zijn materiaal omging; wat hij vond moest binnen zijn kaders passen, en niet andersom. Dus dat hij zich in dit werk de oneindigheid waande die zijn sunyata meedeelde aan wie hem maar ontmoette, zullen we maar onder de dichterlijke overdrijvingen scharen, hoewel, tot het gaatje geredeneerd, wat wel moet, want anders komen we er niet uit. Maar of de goede Paul tot het gaatje heeft geredeneerd, we weten het niet.

Advertenties

Enku, beeldhouwer en dichter

kenichi

In een bericht over Nagakura Kenichi’s negende solo-tentoonstelling die vandaag, of in de komende dagen opent in TAI Modern in Santa Fe, schreef een redacteur van Art Daily dat Kenichi’s werken met bamboe-materiaal (zie foto) beïnvloed is door zowel het werk van de “rijke materiaalbeschildering van Anselm Kiefer als de ruw uitgekapte houten beelden van de rondzwervende 17de-eeuwse tendai-monnik Enkū.”

Over Enkū, zijn bewogen jeugd, en in allereerste instantie zijn beeldhouwen, lezen we het een en ander op de aan hem gewijde wiki-pagina.

Julian Daizan Skinner heeft een aantal van Enkū’s gedichten verzameld in de bundel “In Heaven’s River: Poems and Carvings of Mountain-Monk Enku“. Die bundel heeft behoorlijk wat waarderend commentaar opgeleverd, uiteraard ook op de web-pagina van Zen Ways.

De Australische Ros Bradley die het beeldhouwwerk van Enkū in Japan was tegengekomen, publiceerde online een tweetal van zijn gedichten waarvan er een onderstaand is overgenomen.

From ancient times
Until today,
When storm winds blow
The blossoms fall
Surrender everything to the way.

Over het woord “surrender” valt wel wat te zeggen. het lijkt volledig overeen te komen met de joods-christelijke notie ervan: geef je over aan god of Jezus; hij zal er verder op toezien dat de dingen gaan zoals ze gaan.

Enkū en zijn mede-tendai-cultivators zien het ietsje anders. De daoïsten, waar Enkū’s gedachtengang in dit geval mee vergeleken kan worden, zeggen zoiets als “wanneer we ons overgeven (het laten varen), dan laten de de wens los om alles en iedereen om ons heen te willen controleren.” Het lijkt heel erg op het boeddhistische “letting go“, hoewel in het laatste geval het “letting go“, het loslaten, exclusief betrokken is op het eigen psycho-fysieke ondervinden, een beetje in tegenstelling tot het bovenstaande daoïstische citaat waar er een preoccupatie is met de wereld om ons heen.

In de derde fase van de klassieke dhyána-meditatie, van oorsprong bedoeld voor de professional, de moniaal, staat : verder, monniken, de monnik die vreugde heeft verruild voor ongehecht en gelijkmoedig zijn verblijft in aandachtig bewust zijn. …” Het is dit wat Enkū bedoeld moet hebben met zijn zin “Surrender everything to the way” — en de “way” is dan niet de daoïstische Tao, maar de Middenweg waarvan de de Eerste Leerrede zegt dat ze ligt tussen zelfkwelling en genotzucht.

enku

We kunnen zien wat Enkū met die Middenweg bedoelde: hij kapte niet in het hout tot hij er bij neerviel — om dan nog niet tevreden te zijn (zelfkwelling), maar hij kapte ook niet meer en verder dan nodig was om bij de opdrachtgever af te leveren wat deze besteld had — geen mooimakerij om zichzelf te pleasen (genotzucht).

Achilles Fang en Ban Gu

In de 1953-uitgave van “Studies in Chinese thought“, onder editie van Arthur F. Wright gaat Achilles Chih-t’ung Fang (1910-1995, Koreaan van Chinese afkomst) in op een verkeerd vertaald gedicht van Ban Gu, die in die vijftiger jaren nog Pan Ku werd genoemd, een dichter die leefde van 32 tot 92 nC. Ban Ku wordt de eerste historicus van China genoemd en heeft, zegt men, bijgedragen aan “Het boek van de Han“, een van de klassieken van de chinese literatuur. Het meest wordt hij nog onthouden als schrijver in die dichtvorm die “fu” wordt genoemd.

Het verkeerd vertaalde gedicht van Ban Gu staat hier onder. Ik kan het niet lezen, en er zijn maar weinig anderen meer die het middeleeuwse en pré-middeleeuwse kanji nog kunnen ontcijferen.

pan ku
De verkeerde vertaling van het gedicht, onvertaald uit het engels gaat dan als volgt:
Delicate clouds dim the Milky Way, / Drizzling rain drops from the wu-t’ung trees.”

Fout, schrijft Achilles, “drops from” moet “drops onto” zijn: “Delicate wolken verduisteren de Melkweg / motregen valt op de wu-t’ung-bomen.”
parasol de la chine
Wat zijn dan weer wu-t’ung-bomen? Wel, dat is de Sterculia platanifolia die ook wel “chinese parasol” wordt genoemd. Grappiger nog vind ik Achilles Fangs onkritisch overnemen van de term “Melkweg”. Alleen degeen die bovenstaand kanji kan ontcijferen kan nagaan of hier inderdaad ‘melkweg’ stond, of toch maar liever ‘de sterren’. Geen idee. ’t Kan zijn, ’t is ook mogelijk van niet. In ieder geval kon de dichter niet slapen en keek hij bij nacht uit naar een hemel die bewolkt was.

© Copyright 2014 CorbisCorporation
CHOU MENG-TIEH

Een onvoorzichtige belangstellende vroeg in 1983 aan de dichter Chou Meng-tieh of hij een tachtig-plusser was. Een toch al wat droevige Chou antwoordde dat hij zich in zijn 63ste levensjaar bevond.

De Taipei Times bracht op 9 maart het bericht dat de dichter Chou Meng-tieh op 1 mei op de leeftijd van 92 was overleden aan longontsteking. Chou zou posthuum presidentiële eer te beurt vallen.

Dzjow Mung (of meng)-tjee (spelling = ongeveer) was binnen zijn taalgebied een bekendheid, maar daarbuiten niet. Zijn paar bundels zijn in geen van de westerse talen vertaald, en alleen een Taiwanese overheids-site heeft een lang en doorwrocht artikel aan deze dichter besteed van wie nu wordt gezegd dat hij een boeddhist was. Maar eigenlijk, net zoals de Japanse dichter Basho alles was, en ook een beetje zen, zo heeft Chou zich door de hele voorgeschiedenis van het Chinese denken en schrijven laten inspireren. Zijn werk, voor zover Taiwan Info daar inzage in geeft, ademt de wabi sabi-sfeer van het theezettende zen uit Japan.

Chou was geïnspireerd door de Zhuangzi (Chuang Tzu), en door de Ijing (I Ching). De Zhuangzi hielp hem aan zijn artiestennaam: meng = droom, en tieh = vlinder. U kent ongetwijfeld het verhaal uit de Zhuangzi waarin een man droomt dat hij een vlinder is, en bij het ontwaken niet meer weet wat hij is, een man of een vlinder. De laatste woorden van dit verhaal worden zelden of nooit meegegeven, hoewel ze toch de essentie van het daoïsme behelzen: “Dit wordt de Tansformatie der Dingen” genoemd”.

Dat Chou, ook al wordt dat niet vermeld, het een en ander meekreeg uit de japanse cultuur is voor zijn generatie maar normaal. Nadat de Meiji Taiwan hadden ingenomen dienden alle scholieren Japans te leren. Tegelijkertijd wenste de Meiji-keizer aansluiting te vinden bij de cultuur van het westen. Spullen, boeken en kunst-voorwerpen werden “met wagon-ladingen”, schreef iemand, over Japan uitgestort. En er werd vertaald bij het leven. Zo viel Flaubert’s Madame Bovary tussen Chou’s handen. Hij las het verschillende keren. En ook worstelde hij zich door de werken van Shakespeare. Er zijn Japanse studenten en oud-studenten die het eerste vers van Enrique Banchs’ (Buenos Aires 1888 – 1968) beroemde gedicht Guerpo kennen:

Entra la aurora en el jardín; despierta
los cálices rosados; pasa el viento
y aviva en el hogar la llama muerta,
cae una estrella y raya el firmamento;

(Nee, u vertaalt het maar zelf; woordenboek erbij, uurtje werk)

Terug naar Chou Meng-tieh en zijn minder gelukkige leven. Door een huwelijksmakelaar op zijn 7de toegewezen aan een meisje van 11 kreeg het paartje 10 jaar later zijn eerste van drie kinderen. Het werd niettemin niks, met dit echtpaar.
In 1921 geboren als Chou Chi-shu ging hij het nationalistische leger in, en trok zonder vrouw en kinderen in 1948 met het verslagen leger mee naar Taiwan. Daar werd hij de uitzondering op de regel dat iedere Chinees een familie heeft; Chou had er geen. In het leger op Taiwan had Chou niks te doen, hij las alles wat los en vast zat.
Meer dan 20 jaar bracht hij daarna door als boekhandelaar in een stalletje onder een brug, met amper klanten, levend van een miniem pensioentje. Een keer in de week gooide Chou de zaak dicht, deed boodschapjes en dronk thee met een paar vrienden. Ze moeten het over de schrijverij hebben gehad; dat heb je nog in Taiwan, zelfs onder “het volk”. Iedereen mag intellectueel zijn, mits Kongzi’s (Confucius’) vermaningen over bescheidenheid en betamelijkheid maar in acht worden genomen. Men mag laten doorschemeren dat er enige kennis over dit en dat is, maar als een west-Europeaan bij wijze van spreken boven op een tafel staan brullen en je helemaal leeg laten lopen wordt daar met open mond bestudeerd: goeie genade! Maar goed, misschien moeten we dat ook eens gaan proberen.

Taiwan Info geeft een paar voorbeelden van Chou’s dichten dat, zoals gezegd, zowel geïnspireerd is door de Klassieken als door de westerse literatuur, voor zover hij de westerse literatuur kende. En de boeddhistische connectie is er in de titel Onder de Bodhiboom, een van zijn weinige bundels. Chou werkte langzaam, zo heeft hij eens gezegd.

Het gedicht “De hengelaar” (een boeddhist hengelt niet, slaat zeker niet zomaar voor de lol een haak door de bek van een vis) werd aanvankelijk niet erg gewaardeerd door Chou’s vrienden. Melancholie mag, maar ’t moet niet te gek worden:

Aan het uiteinde van mijn wortels
weef ik triestigheid:
naar een koninkrijk vissen?
met een hengel zonder haak?

Een ander gedicht was helemaal geïnspireerd door de Ijing:

Plotseling straalt gelach vanuit
de stenen muur, diep, stilletjes
reikend naar de drie lijnen
van mannelijke kracht
de lijnen van het taichi-trigram,
je penseelt ze dun.

Er is geen publicist die ze niet dik aanzet, die drie lijnen. Chou wenste in die dunne penseelstreken zowel het yang als het yin te behouden. Yang en yin zijn overigens niet boeddhistisch, en eigenlijk ook niet daoïstisch. Meer als aparte denkrichting ontwikkeld, tot mensen het wel een aardig idee vonden, die combinatie van dik en dun, licht en donker.