De persoonlijke godheid

tpl
Een volgeling van de overleden Sri Prabhupáda is Madhu Pandit Dasa de leer van Prabhupāda, stichter van de Rama Krishna-beweging voor. Volgens Prabhupāda’s leeropvatting is er een “Ultieme Werkelijkheid”, die de “Verhevenste Persoon” is (in dit geval Krishna), die niet een niet-persoon-zijnde entiteit is.
Het hinduïsme, of althans een flink deel ervan, stelt dat iedere godheid een levende persoon is. Er moet aan toegevoegd worden dat een ander deel van het hinduïsme weliswaar het concept god kent, maar stelt dat dit goddelijke alomtegenwoordig is, vooral IN de persoon die de godheid eert. Niettemin zegt deze stroming van het hinduïsme, net als de eerdergenoemde, dat deze geïnternaliseerde godheid zich toont in externe gedaante.
Boeddhisme kent geen godheden. Wat vandaag bekend is als de niet-menselijke wezens zijn de in de oudheid voorgestelde gelukzalige wezens die deva en brahma worden genoemd. Westerse vertalers — fundamenteel overschillig als ze zijn — hebben daar de naam “goden” aan gegeven, en het aziatische boeddisme heeft, onbekend met de betekenis er achter, die benaming overgenomen.
Hoe dan ook, de hindugod is dus niet een abstract concept dat voor het gemak in een mensachtige gedaante wordt voorgesteld. Hij/zij/het is “de levende god”, of de “persoonlijke god” zoals de christenen dit noemen, maar dan, althans voor een deel van die gelovigen, wel zichtbaar aanwezig in de verschillende beelden die ervan gemaakt zijn.
Dit, d.w.z. godheid met alles wat er bij komt kijken aan priesters etc., en het verschil van mening over het Ene onderscheidt het hinduïsme en het boeddhisme fundamenteel van elkaar.

Lucretius – 2

de rerum natura

Waarom herkent een boeddhist het een en ander in het denken van Lucretius? Daarvoor slaan we Ida Gerhardt’s “Lucretius, de natuur en haar vormen” open en lezen in eerste instantie een passage uit hoofdstuk V (195-200) (ze schrijft in van die hexameters):
En zelfs zoo ik niet wist wat zijn de principes der dingen,
zou ik dìt toch, uitsluitend op grond van studie des hemels,
vast durven stellen en staven met talrijke andere feiten:
dat voor òns stellig niet door godd’lijke wil is geschapen
deze natuur en haar vormen: ….

“…. nicht durch göttliches Wirken …” vertaalt Binder.

En verder zien boeddhisten met tevredenheid dat Lucretius dus het aan het licht komen uit, of door, Eén oorzaak afwijst en met ons stelt dat er meer dan één voorwaarde en conditie aanwezig moet zijn opdat wat dan ook aan het licht kan komen: (V-845-855) “Immers zien wij dat er veel moet samentreffen ….
“… in de schepping”, vervolgt de brave Ida. Dat Lucretius formuleert dat niets “door goddelijke wil is geschapen”, vertaalt ze netjes, maar ’t blijven voor haar woorden, en het toont de verwarring van de Noordeuropese mens die tot ver in de zestiger-zeventiger jaren nooit werkelijk nadacht over termen als “schepping”. Dat waren vanzelfsprekendheden. Binder geeft de passage met: “… vieles muss zusammenkommen, damit lebendige Wesen sich fortpflanzen, …”

Dat Ida Gerhardt ook intellectueel niet werkelijk contact heeft gemaakt met andere dan de nieuwe theïstische systemen die ontstonden uit het heilige boek van de joden — ook al was ze nog zo épris van Lucretius’ dichten, zien we opnieuw wanneer ze in I.500-505 nogmaals het woord “geschapen” gebruikt: “… wij spreken in onze leer van principes en zaden der dingen waaruit al wat bestaat is geschapen …”..
Het behoeft kritiek, niet eens omdat we als boeddhisten schepping afwijzen, maar vooral omdat het er in Lucretius’ origineel niet staat. Binder geeft de passage als: “… dass es Dinge gibt, die zusammengesetzt sind aus dichten unzerstörbaren Körpern …”.
In Lucr. I.780-785 komt hij tot “schaffen der Dinge”. In een toelichting op pag. 258 van zijn Über die Natur … schrijft hij dat hij “concilia” heeft vertaald met “zusammengesetzt”: “zusammengesetzten Atomverbindungen”.
Montaigne (Essais p.848) vertaalt genoemde passage in Lucretius I.500-505 met “bâti“, gebouwd, samengesteld, gevormd: “les atomes eussen bâti le monde” (de atomen zouden de wereld vormgegeven hebben). Ook dat — bâti — lijkt in de ogen van een niet-classicus een heel ruime opvatting van “concilia“. De Montaigne’s Essais benoemt de atomen die deze wereld in elkaar zouden zetten, in een voortdurend veranderende samenstelling, 3 keer wanneer hij het over Epicurus heeft (pp.796, 840, 848). In ieder geval gebruikt Lucretius zelf (I.300-305) bij die voortdurend van samenstelling veranderende atomen iets als “aanraken en aangeraakt worden” (Gerhardt) of “Verwandeln” (Binder). Helaas geven geen van beide Noordeuropese vertalers een verklaring bij deze oplossing.
Lucretius heeft het in hoofdstuk I uitgebreid over die “atomen”. Hij heeft het volgens Gerhardt over “onsterf’lijke grondstof” (I. 545) en “onvergankelijk zaden” (I. 220-225). Klaus Binder noemt het “Unvergänglichen Körpern”: onvergankelijke deeltjes, dat wil zeggen, de atomus in het Latijn.

Het begrip leegte komt in Lucretius’ werk vrij veel voor, maar de lege ruimte die hij voor noodzakelijk houdt, opdat de atomen zich een beetje vrij kunnen bewegen, lijkt in niets op het latere boeddhistische concept sunyatá, hoewel er nog al te veel boeddhisme-watcher zijn die daar niet aan willen, en er zijn er onder hen die vinden dat ook Sartre’s “le néant” erg boeddhistisch is. Is het niet.

Lucretius zegt, samen met de exoterie in het boeddhisme, dat geest — ziel naar inzicht van Lucretius, Ida en Klaus; gar keine Frage — niet kan bestaan zonder lichamelijkheid (I.445-450), en dat er hermaterialisering is (I 560-565), maar dat laatste dan wel in die zin dat het mentale ook fysiek hermaterialiseert — en dat gaat de boeddhist twee bruggen te ver, zeker wanneer we boek 5 lezen (555-560). In de hertaling van Gerhardt, die de hele passage tussen 550 en 560/2 veel beknopter samenvat dan Binder, staat er: “… Ziet gij ook niet hoe bij ons het zware gewicht van het lichaam wordt getorst door de ziel en haar uiterst fijne substantie …”.
Klaus Binder vertaalt in V-554: “… siehst du nicht, wie die Seele mit ihrer Kraft (animus und anima) unseren Leib erhalten kann, …”. Een paar regels verder komt pas de kernregel: “… Siehst du nicht, welche kraft selbst ein feiner Körper (zo’n atoompje) entwicklen kann, wenn er mit einer schweren Substanz vereinigt ist? Und das gilt für Luft und Erde nicht weniger als für Seele und Leib.
Het oorspronkelijk griekse anima en animus dient in het licht van de oorspronkelijke betekenis vertaald te worden met adem, resp. met dat wat ademt, of dat wat adem heeft. Anima is vergelijkbaar met het sanskriet prana.
Nadat het frans het woord anima uit zijn context heeft gelicht en er âme van gemaakt heeft, waren we vertrokken voor eeuwen van fabuleren dat niet ophield voor de poorten van de faculteit filosofie. In de oostaziatische context, waar het westerse denken woorden als religie en ziel er met kracht heeft ingeramd, is wat hier, aan deze kant van de aardbol, ziel genoemd wordt iets bovenpersoonlijks. De experimenten waarover hierna wordt geschreven hebben daar nooit plaats gevonden omdat het individu geen individuele “ziel” heeft die met het overlijden het lichaam verlaat. Wel spreekt men over “spirit”, en daar begint een nieuwe ronde van verwarring, zeker in de Himalayas waar het volksgeloof — dat daar groter is — zich heeft gehecht op het boeddhisme — dat daar kleiner is.

Lucretius, dichter en denker, geen exacte wetenschapper, is het met boeddhisten eens wanneer hij zegt dat het bestaande, zodra die atomen zijn samengeklonterd, zich toont in de 4 elementen van wind, water, vuur en aarde (I.450-455, 710-720, 760-765). Maar dan gaat hij verder dan het boeddhisme, dat niets of weinig exact-wetenschappelijks heeft — alhoewel dat tegengesproken wordt — en probeert het concreet te maken. Hoe gaat dat dan met de atomen van vuur, en van ziel en dergelijke? In ieder geval blijkt dat Lucretius ook het mentale een soort materialiteit geeft, want niets kan bestaan zonder dat het materialiteit heeft, vindt hij, en vuur en water hermaterialiseren eenvoudigweg. We moeten er hier ook aan herinneren dat de eerste medisch-wetenschappelijke experimenten in Europa er in bestonden te onderzoeken of men kon zien of en hoe de ziel, gezien als een lichte vapeur, het lichaam van een stervende verliet. En er zijn hele generaties die het indertijd echt gezien hebben, echt, met hun eigen ogen; ze zagen het. Jaja.

Ook worden we nog een beetje herinnerd aan de “deva” of “devata” uit het hinduïsme en boeddhisme wanneer Lucretius het in I.1015-1020 heeft over “het onschendbaar wezen der goden” (Gerhardt), ofwel “die heiligen Körper der Götter” (Binder). De Montaigne citeert Cicero (XVII,40) op p.803 van zijn Essais waar de laatste zegt dat de goden ‘lichtend, transparant en doordringbaar door lucht’ zijn, dat ze ‘een vaste plek’ hebben (logés), ‘zoals tussen twee forten, (of) tussen twee werelden’, en dat ze ‘onaantastbaar’ zijn, en dat ze ‘een menselijk gezicht’ hebben, en ‘lichaamsdelen zoals wij’, welke lichaamsdelen overigens ‘nergens voor gebruikt worden’.
Wanneer Klaus Binder op verschillende plaatsen Lucretius’ “religio” (geloof) vervangt door “superstitio” (bijgeloof), dan doet hij dat ongetwijfeld mede vanwege dit citaat in I.1015-1020 waarin sprake is van mindere goden, zoals dat in de Europese filosofie heet. Over de goden of god gaat een van de volgende blogjes.

Waar het boeddhisme het echt niet mee eens is, is dat Lucretius zegt dat de zintuigen absoluut betrouwbaar zijn. Echt niet!

Concluderend mogen we zeggen dat Boeddha, die het ultieme geluk van de mensen voor ogen had, en niet hetgeen we nu de wetenschappelijke vragen noemen — zie hoofdstuk 2 van de Lankávatára soetra — zich ook niet schuldig heeft kúnnen maken aan wetenschappelijk speculeren. Daar was hij niet van.

wordt vervolgd

Jimi Hendrix en “Indian”

090714

Maleisië heeft Jimi Hendrix’ Axis: Bold as Love in de ban gedaan. Niet dat de muziek des duivels is, maar het Ministerie van Binnenlandse Zaken heeft gehandeld op een klacht aangaande een platenhoes, respectievelijk een poster van die hoes. De figuren op de cover van Jimi’s plaat lijken te veel op de hindugod Vishnu, zo werd geoordeeld. Dat is beledigend aan het adres van het hinduïsme. De plaat werd opgenomen in december 1967.
Goed kijkend kom je als eerste Ganesha tegen, en dan Krishna, en dan Vishnu en Brahma, en de 7-hoofdige naga of slang, en vooral een driehoofdige Jimi met veel armen en handen die religieuze voorwerpen vasthouden. Daar is zijn portret over een afbeelding van de Trimurti avatar gefotosjopt.
Vooral dit wekte ergernis op bij bezoekers van een in maart gehouden boekenmarkt waar een poster te zien was van deze platenhoes.
Officieel bezwaar werd gemaakt door de Penang Hindu Association. Een site met de naam Fz liet weten dat de Association excuses had geëist van de boekhandelaar die deze poster had laten drukken. Andere media berichtten dat de boekhandelaar dat ook inderdaad gedaan heeft.

Hinduïsme was in, in de tijd waarin de plaat gemaakt werd. We vinden online helemaal niets over Jimi Hendrix en een eventuele relatie met het hinduïsme. John Faralaco schrijft in 2010 dat Jimi zelfs een “breaker of idols” was. Aangenomen mag worden dat de platenmaatschappij in 1967 de heersende trend volgde waarin de flower-powerkinderen en andere hippies hevig geïnteresseerd waren in het hinduïsme. In de Baltimore Brew schrijft Bob Hieronimus op 5 maart 2012 zijn herinneringen aan Jimi Hendrix op. “Pabs” heeft dan “a few thoughts“: Waarom heeft “Axis Bold as Love” een hindu-godheid op de hoes?
Antwoord: Jimi was een beetje aan het peinzen geslagen over zijn Indian (meaning Native American) heritage. En toen moet de platenmaatschappij “Indian” (Amerindiaans) hebben aangezien voor “Indiaas”. Zodoende.

De Beatles reisden het jaar daarop, in februari, naar Rishikesh in India waar ze bij de Maharishi yogi aan transcendente meditatie gingen doen. Alleen hebben de Beatles nooit een platenhoes laten drukken waarop ze zelf als hindugod voorkwamen. We hebben wel fotos van jonge baardmansen in lange gewaden, maar dat heeft niet lang geduurd.

Niet zo lang geleden werd een documentaire uitgebracht over het leven van George Harrison waarin zijn weduwe vertelde over zijn betrokkenheid bij het hinduïsme; hij werd, na zijn verblijf in Rishikesh, erg geïnspireerd door de devotionele muziek van Ravi Shankar. Patti vertelde hoe George bereid was om aan het eind van zijn leven het vierde stadium van een gelovig hindu in te gaan door afstand van alles te doen in een uitsluitend cultiveren wat er in dat stadium gecultiveerd wordt door de asceet die de wereld de rug toekeert. (Hij deed het niet, hoor; hij bleef gewoon tuinieren). Patti vertelde dat niettemin bij zijn overlijden de stervenskamer vol van licht was. Daarmee bedoelde ze dat George toch het doel had bereikt. Patti lijkt in Londen, in kringen van kunstenaars, gelijkgestemden te hebben gevonden. Over een dame, een schilder, is eveneens een documentaire gemaakt; ze lijkt met nog een aantal vrienden saivist te zijn geworden, en liet in deze documentaire weten hoe haar ex-echtgenoot, hoewel nog jong, haar verliet om “de bergen in te gaan”. “De bergen in gaan” betekent in deze context het leven aanvangen van een asceet die in het vierde stadium van een gelovig hindu in de besneeuwde bergen blijft tot hij al cultiverend omvalt, c.q. tot de gezuiverde ziel zich losmaakt van het stoffelijke omhulsel. Dat doet bijna niemand — Boeddha, volgens een van de vroegere soetras, plaagt er een van zijn gesprekspartners een beetje mee — maar het is een ideaal waarover gesproken wordt.