Musang

musang

In juni 2010 schreef Choe Chong-dae een artikel naar aanleiding van het boek “The Critical Biography of Musang Jeongjung, a new Zen (or Chan) sect of the Purified Masses“. Het zou de eerste kritische studie zijn geweest van het leven van Kim Hwa-sang (684-762) die na zijn intrede als zen-monnik in de koreaanse schrijfwijze de naam Moesang kreeg: “geen vorm”, “vormloos”. In het chinees heeft men het dan eerder over hsu k’ung (Wade-Giles transliteratie).

Of Musang inderdaad de achtste opvolger was van Bodhidharma — van Zuid-India terug naar Sichuan, China, in acht generaties? ’t kan — is uit een stuk geschiedschrijving van het ch’an (zen) gehaald die tot begin twintigste eeuw in de befaamde bibliotheekgrot te Mogao opgeslagen lag.

Op de afbeelding zien we Musang na zijn verlicht geraken. Ook anderen zeggen dat je boven de boomgrens een heel licht bewustzijn krijgt. Persoonlijk hield deze laaglander er hoofdpijn aan over, maar ’t kan, waarom niet.

Het leven van zo’n monnik wordt gemakkelijk geïdealiseerd, maar Musang moet een van diegenen zijn geweest die boven op zijn berg niet of slecht ondersteund werd(1): hij vulde zijn maag met boomschors en gras. Dat hij toch nog zo oud werd had hij waarschijnlijk te danken aan zijn vroege jeugd waarin hij als prinsenzoon in Korea uitstekend gevoed moet zijn geweest.

Nu zien we hoe Musang met een schedel in zijn hand dolblij met zijn bundeltje kleren in de andere hand de berg afholt om zijn weten over te dragen aan wie het horen wil — hij had de dood in de ogen gekeken en het overleefd. Beneden aan de berg werd hij beroemd, maar bleef een mysterieuze onbekende. Musang ging niet terug naar Korea, maar bleef in China waar zijn crematie-as werd gebruikt om een beeltenis van hem te maken.

In die geschiedschrijving die in de Mogao-grot werd aangetroffen, wordt de vraag gesteld of de kleding en de aalmoezenkom van Musang aan zijn opvolger werd doorgegeven of niet. Daar twijfelde de schrijver aan. Zo’n transmissie is een bewijs van officiële erkenning van de opvolger.

(1) Tijdens de eerste Jin-dynastie in China (266-420) werd de omgeving van Pyongyang gezien als een verbanningsoord. (“Righteous Rhethoric”, D. Declercq, Leiden 1993, p.183)