Lucretius – 1

Wanneer ergens in januari 2015 iemand iets schrijft over Lucretius (94 of 99 – 55 vC), en wel iets waar een boeddhist iets in herkent, is de verleiding groot op zoek te gaan naar zijn werk. Dan komt een tweedehandsje van de hand van Ida Gerhardt bovendrijven: “Lucretius: de natuur en haar vormen”. Een weekje later wordt Klaus Binder’s complete vertaling van het werk van Lucretius aanbevolen (Lukrez: Über die Natur der Dinge), en nog een paar dagen later komt de aankondiging van Ida Gerhardt’s biografie (“Leven en werk van Ida Gerhardt”).
Vanzelfsprekend slaat een niet-classicist beide vertalingen, die van Ida Gerhardt en die van Klaus Binder, naast elkaar open en vergelijkt, ook aan de hand van de meer dan 110 vermeldingen van Lucretius’ naam plus citaten in Michel de Montaigne’s Essais (uitg. le Livre de Poche, 2004). Amateurwerk, dus. Toegegeven.

In 1946 heeft uitgeverij Van Lochum Slaterus weer genoeg papier om boeken te kunnen drukken, hoewel het een slechte kwaliteit papier is die het einde van de 21ste eeuw niet zal halen.
In datzelfde jaar scheidt de dan 41-jarige Ida Gerhardt van haar tweede echtgenoot. Al eerder, zo schrijft deze lerares oude talen, heeft ze boeken I en V van Titus Lucretius Carus‘ gedicht in hexameters, “De Rerum Natura” in proza overgezet, en de oorlogsjaren hebben haar de gelegenheid gegeven om in zekere rust dit proza te hertalen naar hexameters, naar voorbeeld van Lucretius zelf. Een hexameter is een zesvoetig versritme.
Van Lochum Slaterus gaat aan de slag, met veel accent graves, en accent aigues, en verbindingsboogjes.

Ida Gerhardt is tegen die tijd zo vol van Lucretius’ denken over het ontstaan (verkeerd woord, zal later blijken) van de natuur, dat ze al in 1945 in het gedicht “Het Veerhuis” een paar van zijn regels parafraseert zoals blijkt uit “Gerhardt waterkant”: ‘Schepen als zeilende bloemen / over de zilv’ren rivier, — / mag ik gezegend mij noemen, / ’t rijkste ontwaarde ik hier.’
En overigens zien we hoe ze in V-655-660 met “rozige dageraadstinten” herinnert aan de “rozevingerige dageraad” van Homerus die door Eric A.Havelock “De eerste dichter van het Avondland” wordt genoemd. Klaus Binder vertaalt Lucretius’ passage in V-655-660 met gebruikmaking van “rosige Dämmerung“. Dat herinnert alweer veel meer aan de “Götterdämmerung” waar het overigens werd gebruikt voor de deemstering bij avond — ieder land zijn beeldtaal. (Overigens verscheen rond april 2015 Malcolm Davies’ The Theban Epics bij Harvard University Press. Daaruit zou moeten blijken dat er oudere gedichten dan die van Homerus zijn geweest; er wordt zijdelings naar verwezen door latere auteurs.)

De eerste koper en lezer van het Gerhardt-tweedehandsje — was het een leraar of lerares latijn? — doet ons onderaan pagina 14 in potlood een beetje melig voor wat een hexameter is: “Dàarna berèikte Roodkàpje de dèur van haar gròotmoeders wòning.” Hij doet verder nog wat pogingen het boekje tot het einde uit te lezen, maar slaagt daar toch niet helemaal in, getuige het allengs ophouden van potloodcorrecties: “zoomen” moet “oorden” zijn (I-20-25), “niet” moet “er” zijn (I-40), “boosheid” moet “ellende” zijn (I-101, daar komen we nog op terug). Maar bij V-1025-1030, bij de “voortplanting van het geslacht”, staat het laatste aarzelende streepje in de kantlijn. Het al te vrij vertaald uitgevallen hexameter-experiment is ongeschikt als onderwijsmateriaal.

wordt vervolgd

Lucretius – 3

Lucretius’ root guru

Dit serietje zou over Lucretius gaan, naar de mening van zijn vertaler Klaus Binder (“Über die Natur der Dinge”, Berlijn 2014) de laatste romeinse filosoof voor de intrede van, of overname door het christendom. Hij leefde op het scharnierpunt waarop Europa is gaan tellen in termen van “voor Christus” en “na Christus”.

Hier wordt een kleinigheid gezegd over het enige werk dat van Lucretius bewaard is gebleven, zij het dat een aantal passages van deze “de Rerum Natura” in de loop van de tijd verloren zijn gegaan.
Maar vooraleer daar aan te komen moeten we het eerst hebben over Lucretius’ inspiratiebron — root guru zouden de Tibetanen zeggen: Epicurus (341 – 270 vC).
Net zoals Michel de Montaigne (1533-1592) het in zijn Essais (La Pochotèque 2001) meer dan 110 keer over Lucretius heeft, en hem citeert, zo vermeldt deze franse filosoof de naam van Lucretius’ grote voorbeeld Epicurus ook, maar toch minder vaak: iets meer dan 60 keer.

De Montaigne citeert Epicurus nooit letterlijk, hij heeft een goedgevulde bibliotheek, maar de “300 volumes” die Epicurus tot aan zijn dood volgepend zou hebben, volgens Diogenes Laërtes (of Laërtius, ca 3de eeuw), staan niet op de plank. De Montaigne heeft zijn informatie over Epicurus van bovengenoemde Laërtes, van Cicero, en van Seneca.

In welke zin beïnvloedt Epicurus het denken van Lucretius? Daar moeten we De Montaigne op naslaan, en die was er vast van overtuigd dat de leer van Epicurus en die van de Stoa eigenlijk een en hetzelfde waren (Essais pp. 33, 339, 653, 784, 822). En dus hoeven we niet alles klakkeloos aan te nemen wat De Montaigne schrijft. Zouden beide filosofieën immers identiek zijn geweest, dan zou Epicurus de moeite niet hebben genomen om in 300 volumes een eigen filosofie te timmeren.

zinnelijkheid

Nogmaals, hoe beïnvloedde Epicurus Lucretius? Op pag. 676 zegt De Montaigne dat Epicurus’ “dogmas onreligieus zijn en gericht op de genietingen”. Op p. 888 van de Essais vinden we een mededeling dat Epicurus het niettemin eens gehad zou hebben over een god als scheppende kracht, maar de bron voor deze opvatting ontbreekt in genoemde Essais. Het onreligieuze in de tussen-aanhalingstekenspassage neemt Lucretius over. Over het religieuze, dus in dit geval Venus en de andere goden, gaan we het nog hebben.

wordt vervolgd

Lucretius – 5

VENUS BIJ EPICURUS EN LUCRETIUS

Komen we nu aan bij Venus en de godsdienst in Lucretius.
De vertalingen die Ida Gerhardt en Klaus Binder van de eerste passage in boek I geven luiden als volgt:
(Gerhardt, in hexameters) I.1-5. “Stammoeder der Aeneaden, van menschen en goden de weelde,
milde Venus, die onder des hemels kringende sterren
zeeën, wiegend de schepen, en landen, dragend de oogsten,
rijk vervult, daar door U al wat de levenskiem inhoudt
wordt ontvangen, geboren en opzendt naar het zonlicht:

I.35-40. Hem (Mavors, oftewel Mars), o godin, gelijk hij daar rust in uw zuiv’re omarming
….”

(Binder, in proza) 1-5. “Mutter der Aeneaden, der Menschen und der Götter Wonne, Venus, Spenderin des Lebens, du bist es, die unter den ruhig gleitenden Zeichen des Himmels das schiffetragende Meer, das fruchttragende Land belebt. Dir verdankt alles Belebte Empfängnis, den eersten Blick auf der Sonne Licht.

I.30-31. … da sich Mavors … oft niedersinken lässt in deinem Schoss …
I.35-40. … Und wie er so liegt, hingestreckt auf deinem heiligen Leib, umfange ihn, Göttin, ….”

De kunstgeschiedenis en de wereld van de oude talen (althans Grieks en Latijn) kennen de riviergod als een krachtige gespierde man die uitgestrekt ter aarde ligt. Dat is het beeld dat Klaus Binder heeft meegenomen in zijn zinsnede: “hingestreckt auf deinem heiligen Leib”. Venus is weliswaar een vrouw, maar ach, vrouwen geven geboorte, dus wat is er logischer dan Lucretius zo te vertalen, en te verbeteren, dat hier Venus de plaats heeft ingenomen van de riviergod, beiden niet als schepper, maar wel als mogelijkmaker.

Lucretius, en zijn root-guru Epicurus houden Venus voor de hoogste en eigenlijke godheid. Verderop in het werk van in ieder geval Binder zullen we zien dat hij speelt met de termen religio en superstitio (godsdienst en bijgeloof), om op die plaatsen gelijk maar even Lucretius te verbeteren. Hij vertaalt een aantal malen “religio” met Aberglaube (bijgeloof). In het volgende blogje wordt daar verder op ingegaan.

Op pag. 797 en elders in Montaigne’s Essais zien we dat er in zijn 16de eeuw in Zuid-Europa sprake is van “epicurische scholen” (sectes epicuriennes).
En zoals het werk van Plato de aanleiding is geweest voor een frans neo-platonisme, zo is het mogelijk dat er in Italië en Frankrijk neo-epicurismen zijn ontstaan. Kijken we naar Botticelli’s “geboorte van Venus” en naar zijn nymphen van het voorjaar die dansen ter ere van diezelfde Venus, dan kan de geleerdenwereld mooi zeggen dat Sandro het neo-platonisme vertegenwoordigde, maar het lijkt er op dat een grote Renaissance-familie en opdrachtgever als die van de Medici behoorlijk libertair was en — beïnvloed door een soort neo-epicurisme — Botticelli de gelegenheid heeft gegeven schilderijen te maken die in geen enkele kathedraal opgehangen konden worden.
Een andere renaissance-schilder als Corregio (1489-1534) lijkt in zijn nogal wulpse verbeelding van Leda en de Zwaan eveneens het zintuiglijke van Epicurus te hebben omarmd; en brengt daarmee impliciet tribuut aan de godin Venus.

Hierna meer