Theekommen

kohei nakamura

Ippodo Gallery in New York opent een dezer dagen een tentoonstelling met werk van onderandere Keiji Ito, Hiromi Itabashi, Kohei Nakamura, Kyusetsu Miwa XII, Chozaemon Ohi XI, Tetsu Suzuki, en Shiro Tsujimura.
Wanneer we kijken naar wat ze maken op het gebied van theekommen, dan valt toch op hoe weinig ontwikkeling er is in de keuze van materialen, vormen, en technieken (raku). Het blijft stijlvol, maar een geringe vernieuwing zou toch een verademing zijn. Alleen Kohei Nakamura laat een theeset zien dat in decoratie enigszins van het bekende pad afwijkt.

Tempels en boeddhabeelden

Zowel de architect Tadao Ando met zijn boeddhabeeld op een begraafplaats, als de architect en zijn opdrachtgevers van langs de Tangshan-rivier zullen de stoepas met boeddhabeelden er in op de top van de Borobudur in gedachten hebben gehad. De bouwer van de Borobudur heeft met het plaatsen van boeddhabeelden in stoepas gedacht aan de dharma-dhátu, in de zin van het universum dat in al zijn aspecten de leer van Boeddha illustreert.

ando

Onderandere de DIRT, c.q. Jared Green, toonde in een artikel met begeleidende video de “Boeddha-heuvel” van architect Tadao Ando. De heuvel, met verzonken Boeddha, een kopie van de beroemde Nara Boeddha, waarvan de ingang achter een vijver ligt, is deel van een begraafplaats in Saporro, Japan.
De heuvel is inmiddels beplant met lavendel, schrijft Jared.
De foto van het interieur van de kunstmatige grot, hier getoond door een andere architectuurliefhebber, lijkt wanden te hebben die min of meer de plooien van een lotusbloem zouden kunnen verbeelden. En Ando heeft er kennelijk voor gekozen een modern soort wierookvat te plaatsen, in de vorm van dunne, als een mat bijeengebonden riet- of bamboestengels, waarop alleen die soort wierook brandt die niet vrij in de lucht dient te staan.

Ando’s werk is aanvaardbaar omdat hij er zorg voor heeft gedragen het beeld min of meer op een heuvel te plaatsen, en niet in een kunstmatige grot zoals de architect van opdrachtgever Floor Nature heeft gedaan.

 

he at museum tadao ando
Ando, of zijn staf, is ook de ontwerper geweest van het hierboven getoonde He Art Museum in Foshan, ongeveer 12 uur rijden van de stad Wuhan in China waar in januari/februari 2020 de coronavirus-epidemie uitbrak.
Het museum, dat is gebouwd in opdracht van electronica-ondernemer He Jianfeng zou op 21 maart 2020 officieel open gaan, maar aangezien er in februari nog een sperzone rond Wuhan lag, is die opening uitgesteld.
Ook werden de opening van het X-museum in Beijing en de Design Shanghai-tentoonstelling om dezelfde redenen uitgesteld.

 

tangshan

Langs de boorden van de Tangsjan staat het overigens prettig uitziende gebouw, ontworpen door Han Wen-Qiang en Archstudio. Het is zodanig ontworpen dat het beeld van in een verzonken ruimte lijkt te staan, waar het zo mooi belicht wordt door de zon die er slechts min of meer horizontaal op kan schijnen. Han Wen-Qiang heeft er overigens zorg voor gedragen dat het hele gebouw, met kunstmatige grot, boven het maaiveld uitsteekt.

Per oostaziatische traditie staat een tempel op de hoogst mogelijke plek — een bergtop of heuveltop. En voorts staat het centrale boeddhabeeld ook op de hoogste plaats, is het niet op de bovenste verdieping van een tempel, dan toch op de bovenste etage van een gebouw, en zeker op een hoogste plaats tegen een muur, zonder een of ander leuk dingetje er boven — niets mag de aandacht afleiden.
Het beeld in een holte in de grond plaatsen, bijvoorbeeld, geeft het de plek van de daoïstische aardegod Tudi. Dat concept wijst het boeddhisme af. Er wordt dus bij de aankoop bij voorkeur voorbijgegaan aan altaartafels/-kasten die onderin een uitsparing hebben, want je kan er op wachten dat daoïsten binnengeraken met een wierookpot, een rood stuk papier waarop de naam van die aardegod staat, en een vuistvol wierook. Waar een tempel een altaar-meubel heeft met zo’n uitsparing wordt er zorg voor gedragen dat er iets anders staat dat niet verwijderd kan of mag worden. En soms is de uitsparing dichtgetimmerd. In de Thekchen Choling in Singapore, een ‘tibetaanse’ tempel, heeft men het probleem opgelost door het portret van de leider onderin te zetten. Persoonlijk vind ik het nog steeds een kelderachtige situatie, maar zij schijnen er vrede mee te hebben.

De enige omstandigheid waarin een boeddhistisch beeld ondergronds geplaatst zou kunnen is in het geval van de bodhisattva Ksiti-gárbha, Dii-dzáng in het chinees. De legende heeft het dat deze kracht in de aarde is afgedaald om daar de overledenen te helpen in hun passage door een moeilijk niet-menselijk bestaan.

En wanneer we het er dan toch over hebben: de traditionele boeddhist wil in een tempelhal graag oog in oog met het boeddhabeeld verkeren. De zuidaziaat zit op de grond, het boeddhabeeld staat daarom ook op de grond. Maar de oostaziaat staat tijdens de ceremonieën, en dus staat het boeddhabeeld hoog, op zo’n genoemde altaarkast. Ook daaraan valt te herkennen tot welke stroming de tempel behoort die u op vakantie betreedt.

De Tibetanen zitten aan de voet van zo’n beeld, ook dat is een weerslag van, in dit geval, hun houding naar Boeddha en het concept verlichting.

Hemel en hel in San Antonio

amidatriade

Een betere illustratie van het westerse denken in tegengestelden — goed vs slecht — had het San Antonio Museum of Art in de VS niet kunnen geven. Op 16 juni 2017 opende een tentoonstelling onder de titel “Heaven and Hell: Salvation and Retribution in Pure Land Buddhism“. Het museum had zich voorgesteld het mahāyanistisch-boeddhistische concept van “Pure Land” te illustreren, een van de belangrijke stromingen van het boeddhisme in Japan.
Ter illustratie werd de hier getoonde triade online gebracht van een Amitābha Boeddha (Amidá in het japans) met flankerende beelden van de twee bodhisattvas Kannon (Ava-loki-teesh-vara in het hybride Sanskriet) en Seishi (Mahā-stháma-prápta eveneens in het hybride Sanskriet).

Het “Pure Land” is dan in de ogen van de tentoonstellingmakers in San Antonio een “hemel”, en waar er een hemel is, daar móet dús ook een hel zijn — het dualisme volgens de oude Grieken, de bijbel en de koran.

Pure Land is een vertaling van het hybride Sanskriet-woord “soekháá-vati” (géén klemtoon op –va), en “hel” is in principe een vertaling van de verzamelnaam, eveneens in het hybride Sanskriet, dóer-gati (ook op –ga géén klemtoon).
Soekháá-vati (officieel Sukhavati) valt in twee delen uiteen: sukha– staat voor geluk of gelukzaligheid, en –vati staat voor een bestaanssfeer: plek van opperst geluk. Geabstraheerd kunnen we het voorstellen als de staat van geest na het behalen van (een vorm van) verlichting.

Dóer-gati (officieel Durgati) valt ook in twee delen uiteen: dur– (afgeleid van duh, ongeluk, lijden, staat voor onfortuinlijk, en –gati betekent hetzelfde als –vati, dus: onfortuinlijke bestaanssfeer.

De beide leerredes (sūtra) over Amitābha Boeddha hebben het uitgebreid over Sukhavati, maar niet over Durgati. Het oude boeddhisme en enkele overige nieuwere boeddhistische stromingen spreken wel over Durgati, en dan over een soort ongelukkig tussenbestaan waar de mens (na de dood) terecht komt die ’t verknoeid heeft, een staat waarin hij er, zeg maar, nog eens over na kan denken, en goede voornemens kan formuleren, om daarna weer door te stomen naar een betere zijnstoestand.

We kunnen zeggen dat dit alles — van het mensenleven naar Durgati naar Sukhavati — zich in dit ene leven van ons kan voordoen: we begonnen zo goed, als babytje, sloegen daarna hier of daar misschien de plank goed mis, gingen een beetje zitten miezemuizen, en kwamen er daarna weer bovenop. Zo moeten we hemel en hel in het boeddhisme zien, met uitzondering van het Pure Land (Reine Land) boeddhisme waar die helse toestand helemaal ongewenst en overbodig wordt geacht. Ze wijzen dit concept van Durgati ferm van de hand.  “San Antonio” heeft de Reine Landboeddhisten uit de buurt dus geen dienst bewezen met hun lollige titel over de hemel en de hel.
Boeddhisten zijn dan ook niet of nauwelijks bereid te gaan kijken naar tentoonstellingen over boeddhistische kunst, ten eerste niet omdat we het niet zo nodig vinden dat datgene waarvoor we opperst respect hebben wordt geprofaniseerd, of wanneer kapotte beelden juist mooi gevonden worden omdát ze kapot zijn, en ten tweede niet omdat we telkens weer in de stress schieten wanneer een of andere lolbroek zelf iets boeddhistisch’ gaat zitten bedenken.

Kaikei, japans beeldhouwer

 

p12-larking-kaikei-a-20160524-200x200

Matthew Larking, die op 23 mei een artikel schreef voor de Japan Times, noemt bodhisattvas dan wel “gods”, maar verder is zijn verhaal een goede aanvulling op het Tulpen en Tempels / White Jade River-artikel over de bodhisattva Ksiti-gárbha.

Het beeld dat hierboven getoond wordt werd gemaakt door de japanse beeldhouwer Kaikei die ergens rond 1190 leefde — een belangrijk werk van Kaikei is de zogenoemde “staande Amida Nyorei”. (Amida is de verjapanste vorm van Amitābha, en Nyorei is japans voor Tathágata)

Kaikei’s vader was Kōkei, en zijn broer heette Unkei. Aan Unkei’s werk is eveneens een TT-pagina gewijd.

Zo oppervlakkig gezien lijkt Kaikei net zo’n strenge persoon te zijn geweest als zijn broer Unkei. Hoewel Ksitigarbha, in het japans Jizó, de meest zachtaardige onder de bodhisattvas wordt verondersteld te zijn — aangenomen dat we deze concepten willen antropomorfiseren — en dat willen we niet allemaal, dit beeld van Jizó (spreek: djie-zó) geeft hem toch een zekere strenge kracht, meer dan in andere beelden en schilderingen.

De Genji Monogatari

In 1998 kwam de tiendelige hertaling gereed van de eerste japanse novelle, “Het verhaal van Genji” (Genji Monogatari).

Het naar het moderne japans overzetten werd gedaan door de boeddhistische Tendai-non Jakóetsjo Setóetsji (1922 – [schrijf: Jakucho Setouchi]) die in 1973 intrad en sindsdien een van de meer belangrijke en geliefde tendai-leraren is geworden. Vandaag is ze “met pensioen”.

Blijkbaar bereikte de roem van deze hertaling van “de Genji” ook de kunstenaarsgemeenschap in Amerika want Helen Frankenthaler maakt in datzelfde jaar een schilderij met de titel “Tale of Genji”. Zie de afbeelding.

helen-frankenthaler-tales-of-genji-iv-1998

De rechtvaardiging voor een boeddhistisch non om “de Genji” (spreek: Géndji) opnieuw ter hand te nemen is eigenlijk maar heel dun. De edelman Genji wordt op een gegeven moment ervan overtuigd om “de Derde Prinses” van het dan regerende vorstengeslacht te huwen. Kort na de geboorte van haar eerste kind, een zoon, verlaat deze prinses het huwelijk en treedt in als boeddhistisch non. Het verhaal berust op de werkelijkheid. De historische werkelijkheid komt onderandere voor in Paul Groner’s “Ryōgen and Mount Hiei: Japanese Tendai in the Tenth Century” (Kuroda Inst. 2002).

Het Tendai heeft naar we mogen aannemen vanaf het begin een nonnenorde gekend, en het is bekend dat bijvoorbeeld iemand als de hofdame Sei Shonagón tendai-priesteres werd. Zo lijkt het er op dat het tendai-nonschap een aanvaarde en gewilde uitweg was voor weduwen, voor vrouwen die het huwelijk niet zo op prijs stelden, en voor verstoten vrouwen uit de hogere strata van de japanse samenleving. Oude prenten laten zien dat ze vergelijkerderwijs luxe kleding droegen en het hoofd niet kaal schoren. Daar is in de loop van de eeuwen drastische verandering in gekomen.

Tempelbeschermers

everett-kennedy-brown

Bij een recent artikel over een tentoonstelling van zen kunstvoorwerpen in Tokyo, in de Neue Zürcher Zeitung verscheen de foto van een dakuiteinde van een van de traditionele tempels in Japan. Een andere foto toont zo’n decoratiestuk een beetje duidelijker, en The Hazel Files maakt ons duidelijk dat we hier te maken hebben met een chinees voorboeddhistisch idee dat via Korea naar Japan is gekomen en daar de naam “shoki” draagt. Een “shoki” is dan een wachter die er op toeziet dat geen kwaad het gebouw kan binnenkomen. We kennen het concept veel beter uit het volksreligie van China waar de vreeswekkende Heng en Hang op de toegangsdeur naar de tempel staan afgebeeld.

p1040231

Dat is de oplossing die gekozen is door levensbeschouwingen die in hun filosofie geen plaats hebben voor geweld. Je weet dat er lieden kunnen zijn die zo’n tempel betreden om er met het aanwezige brons weer uit te lopen. Tot ca 50 jaar geleden hielp het om een afschrikwekkend beeld boven de deur te bevestigen, als een herinnering aan het leerstuk dat zegt dat kwaad handelen levenslang achterna gezeten wordt door tenminste onrust. Nu werkt ook dat niet meer. Zoals we ook in de europese provincie inmiddels de achterdeur op slot moeten doen, en een huis niet onbeheerd kunnen achterlaten, zo moeten ook tempelbesturen nieuwe beschermingsmaatregelen vinden. Voorlopig komt dat neer op deuren op slot.

roof end

In contrast daarmee toonde de koreaanse krant de Dong-A op 3 oktober 2018 een fragment van een eindstuk waar we het hier over hebben. Hier is het geen angstaanjagende kop, maar meer een gezicht dat ‘The Smile of Silla’ wordt genoemd. Zo’n dakornament wordt in het koreaans een Sumak-sae genoemd. Omdat het een gezicht is met de ogen geopend kan het geen afbeelding van (een) boeddha zijn geweest, maar wat dan wel is in de plooien van de geschiedenis zoekgeraakt.

Het eindstuk moet ooit gezeten hebben op een van de gebouwen van de Yeong-myo-tempel die nu verdwenen is, en is vervangen door een tempelcomplex met de naam Hyeung-ryun-sa (-sa = tempel).
Het fragment werd in 1934 door iemand uit Japan gekocht in een antiekzaak in Gjong-djóe (schrijf: Gyeongju).

Het Silla-rijk is een lang leven beschoren geweest, van 57vC tot 935nC.

hogeljapan
In Japan, zo meldde Archaeology.org in december 2018, zijn nog meer hogels opgegraven, en wel op het terrein van een zevende-eeuwse tempel in de Shiga-prefectuur. Het bericht meldt dat ze veel lijken op die bloemvormige hogels die gevonden zijn op de ruïnes van de Hori-joe-dji en de Tsjoe-go-dji (Horyuji, Chuguji) in Nara. Ze werden blijkbaar in serie gemaakt, in mallen die door de bouwers werden bewaard voor later. Omdat niet bekend is of het Archaeology.org artikel lang online zal blijven is hier de afbeelding van het opgegraven stuk gegeven.

7 februari 2019
Om plaats te maken voor de bouw van een hotel in Kyoto dat gasten moet gaan herbergen die de Olympische Spelen gaan bezoeken is de Reine Land-tempel de Djok-jo-dji (schrijf: Jyokyo-ji) afgebroken. Archeologen zijn haastig aan de slag gegaan om onder de grond verdwenen artefacten op te duikelen, en ook hier werden hogels gevonden die de nok van de (eerste) tempel versierden.
hogelkyoto

NPR van 6 februari 2019 had er een reportage over. Opgraver Je-saki (Iesaki) draaide het ogenschijnlijk slechte bericht om: niet de afbraak van de tempel was zo’n punt, maar dat het afgebroken werd leverde toch maar mooi spullen op die behoorden tot de eerste tempel die in 1449 werd gebouwd, en in 1591 op bamboepalen werd gehesen om te verhuizen naar de plek van het nieuwe hotel.

Noh

noh-actor-momoyamaIn het museum voor archeologie en geschiedenis in Montreal is een paar dagen geleden een tentoonstelling open gegaan met ongeveer 450 objecten uit het verleden van Azië.
Het evenement werd door Art Daily aangekondigd met een foto van een absoluut grappig beeldje van een Noh-acteur. Het werd gemaakt in de Momoyama-periode van Japan, tussen ongeveer 1573 en 1600.
Veel meer valt er over het figuurtje niet te vertellen.

Kabuki-families

nakamura2013

De kabuki-familie Nakamura uit Tokyo is erg beroemd. Maar om toch hun kunstvorm onder de aandacht van het publiek te brengen stappen ze ieder jaar een keer door de straten van de stad, omringd door kabuki-liefhebbers, en met drommen fotografen die hen achteruitlopend voorgaan om zo de beste foto te kunnen maken van de vier mannen.
Het kabuki is, naar men zegt, ik ben geen kenner, een lichte vorm van het klassieke Nōh.

De foto toont zo’n vrolijke mars uit 2013. In september 2015 was er weer zo’n optochtje, en verklaarde de senior-leider van de groep, Nakamura Hashinosuke III dat hij van dan af de artiestennaam van zijn overleden vader zou aannemen: Nakamura Shikan.
In Japan News van 3 september 2016 ging het verhaal verder, of werd het nog eens herhaald, dat van het aannemen van de artiestennaam. Niet alleen dat, ook zijn zoons hebben nu een artiestennaam, in volgorde van senioriteit: Hashinosuke IV, Fukunosuke III, en Utanosuke IV.

kotaro

In mei 2016 had de TNP het verhaal dat een “kabuki musical, gepaard met ‘Buddhist chanting'” voor het eerst buiten Japan te zien was. Hier was sprake van een andere Nakamura, namelijk Kótaro Nakamura die in het kabuki-gedeelte de rol van “godin Hímiko” speelde (zie de foto).
Met ‘Buddhist chanting’ werd de liturgische zing-zeg recitatie van canonieke of post-canonieke teksten bedoeld. In het zuidelijke boeddhisme heeft men het dan over ‘paritta‘, en in het japanse voorbeeld uit met name de tendai en shingón-tradities over ‘shomyó‘. Beide recitatie-tradities, de zuidelijke en de japanse, hebben in klank niets met elkaar gemeen, maar naar inhoud komt het steeds neer op 1/ Boeddha of een ander rolmodel prijzen, 2/ de wens uitspreken zelf tot dat stadium te geraken, en 3/ de beste wensen uitzenden naar alle wezens en hen er aan herinneren dat innerlijke en uiterlijke vrede nog zo gek niet is.

Er staan twee erg op elkaar lijkende uitvoeringen van shomyó online. Het eerste voorbeeld stamt uit de tendai-richting van het japanse boeddhisme. Het zal u erg lang voorkomen, en u zult na een paar minuten al de neiging hebben om door te zappen/schakelen naar iets anders. Sta dan even op, loop een beetje rond, doe iets — kopje thee inschenken, laat de chant op de achtergrond meelopen, en kom dan weer, gekalmeerd, terug. ’t Is maar een raad; u hóeft het niet te doen. Hier is de doorklik.

Het tweede voorbeeld stamt uit de shingón-traditie en is veel korter.

Mocht u na het aanhoren ervan zijn blijven hangen, dan vervolgt de video-sliert met een opname van spel op de shakuhachi, gevolgd door een andere opname over de shakuhachi en de shamisen. De laatste video begint met de shamisen, gespeeld door mevr. Fukuda. (Het kabuki is nog steeds een mannenaangelegenheid; het Nōh experimenteert op dit moment met vrouwelijke acteurs.)

Enku, beeldhouwer en dichter

kenichi

In een bericht over Nagakura Kenichi’s negende solo-tentoonstelling die vandaag, of in de komende dagen opent in TAI Modern in Santa Fe, schreef een redacteur van Art Daily dat Kenichi’s werken met bamboe-materiaal (zie foto) beïnvloed is door zowel het werk van de “rijke materiaalbeschildering van Anselm Kiefer als de ruw uitgekapte houten beelden van de rondzwervende 17de-eeuwse tendai-monnik Enkū.”

Over Enkū, zijn bewogen jeugd, en in allereerste instantie zijn beeldhouwen, lezen we het een en ander op de aan hem gewijde wiki-pagina.

Julian Daizan Skinner heeft een aantal van Enkū’s gedichten verzameld in de bundel “In Heaven’s River: Poems and Carvings of Mountain-Monk Enku“. Die bundel heeft behoorlijk wat waarderend commentaar opgeleverd, uiteraard ook op de web-pagina van Zen Ways.

De Australische Ros Bradley die het beeldhouwwerk van Enkū in Japan was tegengekomen, publiceerde online een tweetal van zijn gedichten waarvan er een onderstaand is overgenomen.

From ancient times
Until today,
When storm winds blow
The blossoms fall
Surrender everything to the way.

Over het woord “surrender” valt wel wat te zeggen. het lijkt volledig overeen te komen met de joods-christelijke notie ervan: geef je over aan god of Jezus; hij zal er verder op toezien dat de dingen gaan zoals ze gaan.

Enkū en zijn mede-tendai-cultivators zien het ietsje anders. De daoïsten, waar Enkū’s gedachtengang in dit geval mee vergeleken kan worden, zeggen zoiets als “wanneer we ons overgeven (het laten varen), dan laten de de wens los om alles en iedereen om ons heen te willen controleren.” Het lijkt heel erg op het boeddhistische “letting go“, hoewel in het laatste geval het “letting go“, het loslaten, exclusief betrokken is op het eigen psycho-fysieke ondervinden, een beetje in tegenstelling tot het bovenstaande daoïstische citaat waar er een preoccupatie is met de wereld om ons heen.

In de derde fase van de klassieke dhyána-meditatie, van oorsprong bedoeld voor de professional, de moniaal, staat : verder, monniken, de monnik die vreugde heeft verruild voor ongehecht en gelijkmoedig zijn verblijft in aandachtig bewust zijn. …” Het is dit wat Enkū bedoeld moet hebben met zijn zin “Surrender everything to the way” — en de “way” is dan niet de daoïstische Tao, maar de Middenweg waarvan de de Eerste Leerrede zegt dat ze ligt tussen zelfkwelling en genotzucht.

enku

We kunnen zien wat Enkū met die Middenweg bedoelde: hij kapte niet in het hout tot hij er bij neerviel — om dan nog niet tevreden te zijn (zelfkwelling), maar hij kapte ook niet meer en verder dan nodig was om bij de opdrachtgever af te leveren wat deze besteld had — geen mooimakerij om zichzelf te pleasen (genotzucht).

Twee japanse componisten

Op 3 juni geven Khrystyna Sarksyan (fluit) en Léa Masson (gitaar) in Musée Guimet, Parijs, een recital met muziek van japanse componisten. Twee van de componisten springen er uit: Tōru Takemitsu (1930 – 1996) met Umi e – De zee naderen, en Michio Miyagi (1894 – 1956) met Haru no umi – De zee in het voorjaar uit 1929.

Op een website over deze laatstgenoemde componist vinden we de vertaling van de begeleidende tekst bij een paar platen.

michio miyagi.jpg

Michio Miyagi (foto) was niet alleen een bekend componist voor de koto, maar ook auteur van een paar boeken waaronder de bundel “Ame no Nenbutsu: zuihitsushū” uit 1935 waarmee hij zich voorstelt als volgeling van het Reine Land-boeddhisme. De kenners van het japans zullen weten wat “ame no” hier betekent; ik waag me er niet aan.

Van Tōru Takemitsu is bekend dat hij zich vooral geïnspireerd wist door een aantal europese componisten. Christopher Lehrich schrijft in zijn abstract op JStor dat Takemitsu een aantal muzikale technieken gebruikte om “een geheiligde ruimte” te scheppen “waarin het ongeziene en het transcendente zich manifesteren.” Of dit boeddhistisch of shintoïstisch geïnspireerd was, valt uit het artikel niet echt op te maken, tenzij we willen erkennen dat zijn filmmuziek bij “Rikyu” uit 1989, een verhaal over Japan’s meest beroemde theemeester, niet anders dan zen-gericht kan zijn geweest — hoewel het japanse zen uiteraard een hybridum is geworden.
In de filmmuziek bij Kurosawa’s “Ran” uit 1976 zien we dat Takemitsu gebruik heeft gemaakt van een zangstijl die op het is geïnspireerd. Die zangstijl met hoog stemgeluid wordt “tatego-e” genoemd. De meerderheid van de Nō-stukken zijn Reine Land-vertellingen, en enkele hebben zen-invloeden.