Lee Ufan

In de bespreking van Lee Ufan’s werk merkte de redacteur van Lisson Gallery op dat de kunstenaar’s werk zich bevindt op de grens van “doen en niet-doen”, zeg maar, wu-wei, een daoïstish concept, en in principe vreemd aan het boeddhisme.

lee-ufan-dialogue-works-on-paper-drawings-watercolors-etc-watercolor openingsbod 28.000

Deze week werd Ufan’s Dialogue uit 2014 geveild. We gaan maar niet meer in op de prijzen die hier gehaald worden; moderne kunst, en zeker ook aziatische moderne kunst is de tulpenbollenhandel van deze eeuw geworden. Of toch maar wel: € 157,500.

Lee Ufan, Koreaan die in 1963 werd geboren, is een van de niet zovelen die in Japan aan de slag zijn gegaan. Daar is hij een van de vertegenwoordigers van de avantgardistische Mono-ha-school, de Objecten-school geworden. Op zijn eigen manier heeft hij iets met boeddhisme, hoewel die manier veel overeenkomt met die waarop de meeste beeldende kunstenaars met het onderwerp omgaan: ze separeren een onderwerp uit de hele collectie en bouwen dat op hun eigen manier uit.

Lee Ufan lijkt het japanse, en niet zozeer boeddhistische concept van ruimte tot een thema te hebben gemaakt: “de lege ruimte ligt in het centrum van Lee Ufan’s werk”, schrijft de Lisson-redacteur (wanneer wíj ‘ruimte’ schrijven hebben we het altijd over ‘lege ruimte’, maar dat lijken niet alle culturen met ons te delen.) Het japanse woord voor ruimte is yohaku. De japanse bespreker van yohaku vertaalt het met “witte ruimte”, maar waarschijnlijk zitten we er met “lege ruimte” niet al te ver naast.

Wanneer we kijken naar een bespreking in The Nation, dan heeft Lee het over Boeddha, en Boeddha is voor hem “een ambigu medium”. Hij gaat dan verder, min of meer in de gedachtengang van het Huayen (Chin.) of Kegon (Jap.) boeddhisme, wanneer hij zegt dat “… de wereld onthult (zichtbaar, ervaarbaar) is vanwege Boeddha’s aanwezigheid.” En Boeddha kan iedereen zijn die “toont dat de wereld in hem doordringt en zo tegelijkertijd de wereld van de [ervaarbare, materiële] realiteit is als die van de cognitie (het kennen-ervaren).”  De Avatámsaka sutra (Huayen Jing) zegt in het boek Eulogies on Mt. Sumeru: The emptiness of inherent nature is Buddha. Het goed mogelijk dat de kunstenaar hier het yohaku, de “witte” ruimte, samenbrengt met de cognitie die op zijn apex Boeddha is.

De uitspraak herinnert even aan de kunstenaar die ooit een witte sneeuwhaas in een witbesneeuwde omgeving penseelde nadat hij als het ware die haas en die sneeuw was geworden: de cognitie die van binnenuit de buitenkant weergeeft die tegelijkertijd innerlijk en uiterlijk is.

Een redacteur van Art Asia Pacific merkt op dat de gemiddelde amerikaanse beschouwer van het werk van Lee Ufan associaties krijgt met esoterisch boeddhisme of zen, maar de kunstenaar zelf zegt blij te zijn dat ze, Amerikanen, in zijn bijzijn het getoonde op een nogal “rechtstreekse manier” beschouwen.

Het meest opvallende is nog wel dat een van Lee’s landgenoten, althans een Koreaan, schrijvend in een Magazine over, of vanuit, de streek Gwangju Lee Yufan’s werk niet alleen ziet als representatief voor de kern van de oosterse filosofie, maar ook meent dat boeddhisme de vraag “Wie ben ik” stelt. Dat valt op, dan heb ik de afgelopen ca 50 jaar toch iets gemist in het boeddhisme, en dan maar denken dat het, althans in het Huayen/Kegon-boeddhisme (een mahāyāna-stroming) gaat over de relatie van objecten onderling, van subjecten onderling, en van subject en object. Die vraag, wie ben ik, is daar niet aanwezig, er is eerder de constatering: ik ben er nu, het heeft geen nut te vragen naar het waarom en het wie, maar het heeft wel nut te kijken naar het hoe, en onder welke omstandigheden de fenomenen even stabiel zijn (zodat ik ze kan zien of ondergaan), maar ze vooral voortdurend veranderen, waardoor er geen moment de gelegenheid is om ‘wie ben ik’ te zeggen.

En dat allemaal naar aanleiding van een paar blauwe verfstrepen op wit papier, à raison van € 157,500.

  • Japan Times (https://www.japantimes.co.jp/culture/2020/03/25/arts/lee-ufan-different/#.XpbgMZlcLIU) van 25 maart 2020 publiceerde een artikel van John L. Tran. John had het over het typisch japanse concept van lege ruimte en zegt daar dan van “The part where nothing is painted makes the viewer aware of space, turning the entire exhibition space into a work of art, not just the part that was painted”, … (het deel waar niets geschilderd is maakt de beschouwer opmerkzaam op ruimte, en daarmee wordt de hele tentoonstellingsruimte veranderd in ruimte, een kunstwerk, niet alleen maar dat wat beschilderd is.)
    We gunnen John zijn bewondering en blijdschap van harte, maar het blijft interpreteren. Als ik ’t goed heb wordt ruimte in het japans ma genoemd, en maakt integraal deel uit van wat op het doek of papier wordt neergezet. Dat wil zeggen dat niet alleen de voorstelling van belang is, maar ook hoe die voorstelling in zijn (niet-)omgeving staat is voorwerp van beschouwing; die ruimte is ook “iets”.

Vleermuizenverhalen

Art Asia kondigde op 16 september aan dat de Hong Kong-galerie van de Asia Society een tentoonstelling heeft geopend over het symbool van de vleermuis.
bats1
Anders dan in noordwest-Europa is de vleermuis in Azië geen engerd die tijdens zijn vlucht in je haren blijft vastzitten, maar een geluk, voorspoed en welvaart brengend wezen. Tot 3 januari 2016 kan de bezoeker in Hong Kong de veelheid aan afbeeldingen van de vleermuis bewonderen.

Simon Frank van de Asia Society herinnerde in zijn aanbeveling aan het ontstaansverhaal over de vleermuis als gelukbrenger, zegt hij. Dat wil zeggen, de tovenaar Xu Fu (sjoe foe) werd er door de eerste keizer van China op uit gestuurd om het land van onsterfelijkheid te vinden. In die tijd werd Japan verondersteld dat land te zijn.
Simon zit er met dit verhaal een beetje naast, de echte mythe is dat Xu Fu, die echt bestaan heeft en werd geboren in 255 vC, niet het land moest vinden, maar het levenselixer dat in dit land gemaakt of bewaard werd. Zo luidt de daoïstische mythologie. Xu Fu’s graf valt nog te bezoeken in Wakayana, Japan.
Wat deze tovenaar met de vleermuis te maken had, of heeft, wordt ongetwijfeld duidelijk in de video die de Society heeft laten maken. Wij moeten het doen met vlijtig literatuur er op naslaan.

Wanneer we kijken naar de mythologie van de vleermuis in China en Japan, dan vinden we de ene keer een vermelding dat Japan geïnspireerd was door China, en de andere keer wordt het tegenovergestelde beweerd. Er wordt hier en daar gemeld dat de vleermuis toch zo’n stille vlucht heeft; je hoort hem niet. Werd hier een vergelijking gemaakt met Xu Fu die stilletjes Japan binnendrong om dat begeerde elixer te gappen? In ieder geval komen we in connectie met de vleermuis steevast de woorden voorspoed en welvaart tegen.

De chinese klassieker de Pên Ts’ao (hier is de stokoude schrijfwijze gebruikt), het boek over plantengeneeskunde, heeft een verhaal over een zekere grot in de heuvels waar vleermuizen (pien fu [spr.: pjèn foe]) leven die duizend jaar oud zijn, die wit en zilver van kleur zijn, en die leven van het vocht dat ze van de stalachtieten likken. We zouden kunnen aannemen dat dit stalachtietenvocht dan werd gezien als het levenselixer dat in ieder geval een zeer hoge leeftijd garandeert. Een ander verhaal gaat dat er een vleermuizensoort is “die zijn adem inslikt” (daoïstische ademhalingsoefeningen doet) en daarom stokoud wordt.

De daoïstische Onsterfelijke Zhong Kui (zong kwei, ongeveer), een van de 8, die met een zwaard in de hand, wordt in de chinese amulettenwereld afgebeeld met een vleermuis, ten teken dat hij echt wel onsterfelijk is.
Een andere naam voor Laozi, de veronderstelde stichter van het daoïsme, is Shoulao ofwel ‘god van het lange leven’ (shouxing). Onder die naam wordt hij voorgesteld als een van de drie goden die de “drie sterren” worden genoemd. In die manier van afbeelden is Laozi onderandere vergezeld van een vleermuis — en van een hert, en van een paddestoelensoort (lingzhi), en van een staf gemaakt uit een knoestige tak, en van een kalebas in diabolo-vorm, en van een pijnboom(tak), en, zie onder, van een perzik.
bats2
Gaat het over onsterfelijkheid, dan heeft de chinese daoïstische mythologie het verhaal over de perzik die onsterfelijkheid zou verlenen. Dat brengt ons dan weer terug naar de enige vleermuisafbeelding die de Society voor de tentoonstelling online heeft gezet (een vaas met vleermuis-decoratie) en dan lezen we het bijschrift over fruit etende vleermuizen: fruit bats. En zo komen we met een grote omweg toch weer bij Xu Fu terug. Xu Fu zocht het levenselixer, zag de vleermuis die van de perzik at, en herinnerde zich het oude verhaal over de perzik die onsterfelijkheid verleent.

De hier getoonde twee afbeeldingen zijn die van oud en nieuw aardewerk waarop zowel zowel perziken als fruit bats staan afgebeeld. Duidelijker kan het niet zijn.

Overigens heeft met name het Jugendstil uitbundig gebruik gemaakt van de vleermuis-afbeelding.

Basho heeft een haiku gemaakt over de vleermuis:

Vleermuis, kom er ook maar uit (de winterslaap):
schaar je bij de vogels tussen de bloemen
in deze vlietende wereld.

kômori mo
ideyo ukiyo no
hana ni tori

Hiroshima en Nagasaki-herdenking

We zijn met z’n allen gewend geraakt aan schilderijen als Picasso’s Guernica, en aan de manshoge schilderijen van veldslagen uit het verleden die onze musea en vergaderzalen “sieren”. Niettemin viel een verhaal van Matthew Pennington in Japan Today van 15 juni een beetje rauw op het dak.
enhanced-buzz-28592-1300743263-0
Op 13 juni opende in het American University Museum in Washington de “Hiroshima-Nagasaki Atomic Bomb Exhibition”. Mogelijk zijn de verschillende fotos die vlak na het vallen van de atoombommen werden genomen al wijd en zijd de wereld overgegaan, maar diverse schilderijen over het thema zullen nu voor het eerst zijn samengevoegd.

En overigens is dit de eerste keer na 20 jaar dat Amerika zo’n tentoonstelling toont. Het land zelf heeft het gebruik van dit wapen afgezworen, maar het kan goed zijn dat men hiermee probeert andere landen die de A-bom nog hebben, of er een of meer willen maken, een impliciet bericht te sturen: doe het niet.

De afbeelding die hier getoond wordt is die van een schilderijtje van Horikoshi Susumu die in augustus 1945 zes jaar oud was. Het is een van de minder schrikwekkende afbeeldingen waarvan een aantal zijn samengevoegd op een internet-pagina die het werk laat zien van amateur-kunstenaars die in 1945 kind of dertig-minner waren.

Het bericht van Matthew is te vinden op http://www.japantoday.com/category/national/view/japanese-art-on-atomic-bombings-exhibited-in-washington

JAPAN, KOREA, CAMBODJA
NIEUWE TRADITIONELE MUZIEK

Zowel in Japan als in Korea zijn er inspanningen die de klassieke muziek en dans van het land in een modern jasje willen steken, en dat eigenlijk al sinds de late Meiji-periode voor wat Japan betreft.
In Japan barstte in de laatste week van augustus, begin september het harajuku-festival los, met een hoop genki, energie, schreef een van de nationale kranten. Yosakoi-dansers brachten nieuwe choreografieën, maar deden ook de meer traditionele nagashi odori, een soort dansparade door de straten.

181014
In Zuid-Korea wordt het klassieke gugak in een nieuw jasje gestoken schreef de Korea Herald van 2 september.
Om die vernieuwing een duwtje te geven gaven leden van het “National Gugak Center” op 12 september een concert waarbij het orkest werd opgesplitst in 5 groepjes die ieder op een andere manier, maar wel met traditionele instrumenten, voorbeelden gaven van hoe bijvoorbeeld het Yeongsan Heosang (of Hoesang) in een nieuw arrangement zou kunnen klinken.

De laatste dag van juli werden in Cambodja’s hoofdstad de winnaars en/of winnaressen bekendgemaakt van een internationale muziek- en zangwedstrijd die een “promotie van oude tradities” voorstond met medeneming van “muzikale innovatie”. Zo bracht de Phnom Penh Post het nieuws. De “Khmer-identiteit” moest er ook een duwtje mee in de rug krijgen.
De categorieën waarin om de eerste prijs werd gestreden waren mohori (zowel gezongen als een vorm van gamelan), yike (gezongen en/of gedanst drama), smot (muzikale poezie) en hedendaagse muziek (bijvoorbeeld) — niet vergeten dat de koning een danser van opleiding is.

Tadao Ando

ando

Het blad Weltkunst, de juni 2014-uitgave, liet op pag. 86 een foto zien van een museumhal in het Amerikaanse Williamstown. De hal die tot het Sterling and Francine Clark Art Institute behoort herbergt werken uit het impressionisme. De door Tadao Ando ontworpen hal, hier bij avond te zien, ziet er zo van een afstandje tegelijkertijd spectaculair en transparant uit.

Leken zouden zich misschien niet aan bespiegelingen over architectuur moeten wagen, maar omdat wij er naar moeten kijken, er in moeten wonen, en er gebruik van moeten maken, mogen we er ook opvattingen over hebben, of we d’r wat aan vinden of niet.

hompukuji

Er wordt hier niet gezegd dat Tadao Ando een boeddhist is — geen idee, het schilderwerk in de door hem ontworpen tempel de Hompuku-ji lijkt wat te oranje om niet door het shinto beïnvloed te zijn geweest.

komyoji

Maar dan gebruikt hij in een nieuwe hal van de Komyo-ji, ook een Japans-boeddhistische tempel, weer onbewerkt en vergrijzend hout. Het oranjerood van de Hompuku-ji kan er gekomen zijn op verzoek van de opdrachtgever.

zaha hadid

En hoewel ik nogal onder de indruk ben van Zaha Hadid’s volumes en onverschrokken lijnen — zelden een rechte lijn, bijna altijd gebogen — is er toch geen groter verschil mogelijk tussen Ando en Hadid. Wil de eerste kennelijk dat je door, onder, en over zijn bouwwerk heen kan kijken naar het water, naar de mensen, naar de bomen, eist Zaha een waardering van de harde materialen waar haar gebouwen uit zijn opgetrokken, en waar de omgeving mee is geplaveid.
Beide opvattingen zijn zeer te waarderen, maar we moeten toch maar niet in een straat terechtkomen waar Zaha’s en Tadao’s werk naast elkaar staan; ze heffen elkaar zelfs niet op. Ze vertegenwoordigen ieder een heel verschillende manier van naar de wereld kijken.

MICHEL FOUCAULT EN HET BOEDDHISME

Naar aanleiding van drie paginas Foucault (1926 – 1984) in een recent nummer van Le Monde ga je onwillekeurig op zoek om te zien of de filosoof iets had met of tegen boeddhisme. Veel vinden we niet, maar het blad Libertaire geeft het transcript van een gesprek in 1978 tussen Foucault en een “bonze” (lelijk frans woord voor monnik) uit de Japanse Seion-(d)ji, een tempel die door de monnik als afwijkend van de norm wordt beschreven.

seionji foucault

De filosoof Michel Foucault kan het niet laten te doceren. In de eerste plaats heeft hij het over de rationaliteit van het westen (l’ occident). “… Dat wil niet zeggen dat het (de Japanse ingesteldheid) iets is dat zich tegenover de rationaliteit van het westen opstelt. …”

Daar gaat de ene wenkbrauw al iets omhoog. Als “het westen” al rationeel is, dan is het toch alleen binnen de latijnse invloedssfeer, en zeker niet binnen de germaanse en de daarvan afgeleidde Noordzee-cultuur.

En verder geeft Foucault de “bonze” een lesje boeddhisme. Daar gaat de tweede wenkbrauw: “Zoals u weet is zen in India geboren, heeft het zich in China ontwikkeld en is in de 13de eeuw in Japan aangekomen. Ik denk dus niet dat het helemaal Japans is. Rinzai (Linji) is een zen “bonze” die ik erg waardeer, en die is niet Japans. Hij is noch vertaler van soetras, noch de stichter van het chinese zen, maar ik vind hem een groot zen-filosoof. Het is iemand uit de 9de eeuw, nietwaar? Ik heb de Franse versie (van opgetekende uitspraken) van de hand van professor Demiéville gelezen, en hij, een Fransman, is een uitstekende specialist op het gebied van het boeddhisme.”

De “bonze” antwoordt met: “Het lijkt er op dat de meeste Japanse specialisten denken dat het zenboeddhisme zijn oorsprong heeft in China, eerder dan in India.”

Foucault krabbelt terug: “Dat zen uit India stamt is misschien een beetje mythologisch. Waarschijnlijk is dat gedaan om zen een koppeling te verlenen aan Boeddha. Het zen is in India niet erg invloedrijk (important). En zeker, het heeft zich in de 7de eeuw in China, en in de 8ste eeuw in Japan sterk ontwikkeld, nietwaar?”

En zo gaat dat nog een poosje door, onderandere over de lichaamshouding tijdens zazen die naar de mening van Foucault iets zegt over de relatie tussen het lichaam en de wereld, een thema voor een man die, hoewel volledig geaccepteerd — zolang men zich “normaal” presenteert is er in Frankrijk weinig aan de hand — zich geen moment niet bewust zal zijn geweest van zijn homosexuele geaardheid, en dus van de manier waarop de wereld naar hem kijkt, en hoe hij zich naar die wereld wil verhouden. Collega-filosoof Frédéric Gros wordt in het Le Monde artikel in dat verband geciteerd met “le souci de soi grec, austère et exigeant” (het ik-denken van het antieke Griekenland: streng en veeleisend). En dus verklaarde Foucault zijn analyse over de zazen-houding als zijnde universeel: de meditator is zich bewust van de buitenwereld en wenst met zijn zithouding die buitenwereld een signaal te geven, want dat doe ik ook, dus doet iedereen dat.

De meditatoren onder de boeddhisten weten dat er sprake is van een contemplatie — als er al contemplatie is — op de wereld ín het lichaam, en dat de lichaamshouding die daarvoor gebruikt wordt alleen maar een middel is om die observeringen te vergemakkelijken; al zwemmend doe je ook wat kennis op, maar ’t is toch anders, toch iets beperkter in omvang, en zeker minder vergaand in doel.

Een monnik vraagt Foucault: “Wat denkt u over de verspreiding van het westerse denken en zijn universaliteit?”

Foucault: “…. Europa is de geboorteplaats van de universaliteit. ….”

De zeventiger jaren van de vorige eeuw worden nu beschreven als een tijd van cultureel relativisme. Michel Foucault vormde duidelijk een uitzondering op die regel, ook al heeft hij vernieuwend werk verricht op een heel aantal sociaal-maatschappelijke terreinen.

Kijken we goed naar het hele gesprek tussen Michel Foucault en de monnik dan zien we dat Foucault meent dat hij iets waardevols heeft over te dragen, en we zien dat de monniken zich als objectieve observators opstellen die proberen te toetsen wat anderen kennelijk al naar voren hebben gebracht: hoe zit dat in elkaar, die Europese cultuur; zijn ze echt zo of zo, denken ze allemaal dit of dat.
In zijn schrijven en denken valt het niet op dat Michel Foucault uit dat Japan iets heeft meegenomen, anders dan de overtuiging dat Indoloog Paul Demiéville ongetwijfeld gelijk had. Uit het transcript, kennelijk het enige verslag over Foucault’s reis naar Japan, blijkt niet dat hij vragen heeft gesteld, of zich als luisteraar heeft opgesteld. Daarin was hij een kind van zijn werelddeel. Hij was en is geen uitzondering.

EERSTE TENTOONSTELLING TAIWANEES KUNSTBEZIT IN JAPAN

Voor het eerst in de moderne geschiedenis gaat het National Museum in Taipei, Taiwan een tentoonstelling organiseren in Japan. Dat meldde Taiwan Today op 28 mei.

In het Tokyo National Museum zullen tussen 24 juni en 15 september 231 stukken te zien zijn. Daarna gaat de tentoonstelling naar het Kyushu National Museum, van 7 oktober tot 30 november 2014.

Een van de schilderingen, “keizer Ming’s Reis Naar Shu”, dat tijdens de Song-dynastie (960-1279) gemaakt zou zijn, en dat de vlucht van keizer Xuanzong, ook genaamd Ming, naar de huidige Sichuan-provincie uitbeeldt, zal naar verwachting nog de meeste belangstelling trekken.
De afbeelding hier stamt niet van dit schilderij, maar toont de keizer tijdens een uitje in de bergen.
xuanzong06

Deskundigen wijzen er op dat met deze keizer een einde kwam aan de hoogtijdagen van de Tang-dynastie. In het jaar 819 wordt door confucianisten de aanval ingezet op het boeddhisme. De geleerde Bai Juyi — die overigens tijdens zijn latere jaren het boeddhisme meer ging waarderen dan van een confucianist verwacht kan worden — “ging over de rooie” bij het aanschouwen van een processie van boeddhistische top-monialen door de toenmalige hoofdstad: “(Ze) branden hun hoofd (met de minimaal drie moxa-brandmerken tussen kruin en voorhoofd) en roosteren hun vingers in groepen van tien of honderden.”
(Het als offerande aan Amitábha Boeddha branden van een vinger is nog lang in zwang gebleven, tot in de 20ste eeuw. Er valt veel tegen in te brengen, en vandaag mag het niet meer.)
Hij gaat verder met: “Ze ontdoen zich van hun (boven)kleding en strooien van ochtend tot avond met munten. Daarin bootsen ze elkaar na, en zijn bang om achter te blijven.”
(Tot vandaag is er onder rijke leken-boeddhisten nogal eens een wedstrijdje wie kan het grootste bedrag aan de tempel offeren.)
“Jong of oud”, schrijft Bai Juyi, “ze zijn er op uit om hun patrimonium op te offeren (in een wedstrijd offervaardigheid). Als er niet meteen een eind aan deze voorstelling gebracht wordt, en ze doorgaan met die transfer van relieken van de ene tempel naar de andere, dan kunnen we er op wachten dat er een gaat komen die het afhakken van armen of lichaamsdelen als een manier van eerbetoon zal gaan beschouwen.”

Tot vandaag zijn de fabels en legenden over het lichaam offeren om de hongerige tijger te voeden, of het verhaal over prins Visvántara (Vessántara) die zonder brommen zelfs zijn vrouw en kinderen weggaf, populair, ook al wordt er geen letterlijk gevolg meer aan gegeven. Deze verhalen zijn eerder een aansporing tot generositeit en de begeleidende gelijkmoedigheid waarmee geven wat je dierbaar is gepaard zou moeten gaan. Dat hebben latere generaties schavuiten in hun oor geknoopt, en vandaag ontkomen we er soms niet aan het incassobureau of de prinsemarij in te schakelen. Generositeit is een ding; je zonder reactie laten bestelen een ander.

LINJI-CHAN / ZEN IN JAPAN

De Yomiuri Shimbun, respectievelijk de Japan News van 19 maart 2014 had een verhaal over een figuur behorend tot de Kofukuzan Kencho Kokoku Zenji-denominatie van de, althans in oorsprong, Chinese Linji zen-lijn. De Linji-lijn wordt in Japan rinzai genoemd. Deze Kofukuzan-enzovoorts-lineage is genoemd naar de Kencho-ji, dat wil zeggen, naar de eerste, door Chinese migrant-monniken gestichtte zentempel in Japan.
De informatie over de Kencho-ji zegt dat de zeven juniperussen die op het tempelterrein worden aangetroffen oorspronkelijk werden geplant door de stichtende monnikengemeenschap, hetgeen die bomen meer dan 750 jaar oud maakt.

120px-Lanxi_Daolong

De aartsvader van deze lijn, die in Japan bekend staat als Rankei Doryu heette oorspronkelijk, toen hij nog in de Chinese provincie Sichuan woonde Lanxi Daolong.

“The Illustrated Encyclopedia of Zen Buddhism” van de hand van Helen Josephine Baroni heeft een lemma over de Kencho-tempel, maar geeft geen informatie over de zenvisie die daar beleefd werd en wordt.
Heinrich Dumoulin schrijft in zijn “Zen Buddhism: Japan”, in 2005 uitgegeven door World Wisdom met op de flap een afbeelding van Lanxi Daolong / Rankei Doryu, dat de Kencho-ji naar architectuur werd gebouwd als een kopie van die op de berg “Ching” (Xing) in China. Ching/Xing was “een van de vijf bergen van chan (= zen)”.

Van de hand van Martin Collcutt verscheen “Five Mountains – The Rinzai Zen Monastic Institution in Medieval Japan“, uitgegeven als een “Harvard East Asian Monographs 85”.
Five Mountains wordt in het Japans gegeven als gozan. Het lijkt er niet op dat nog in China de praktijk op deze Vijf Bergen erg van elkaar verschilde; de keizer wenste zich enkel in alle uithoeken van het rijk een tempel die zijn heil en dat van zijn dynastie op het programma had staan. Een uitzondering mag misschien gemaakt worden voor de combinatie zen (chan) en Amitabha Boeddha-verering. Die combinatie werd vanuit China meegenomen naar Japan en is daar bekend geworden onder de naam Obaku-zen.
In Japan is de zen-praktijk van Lanxi/Rankei uiteindelijk aangevuld met tendai- en shingon-riten.

Wanneer E. Steinilber-Oberlin in 1929/1930, met assistentie van Kuni Matsuo, door Japan trekt om kennis te maken met het boeddhisme, komt hij op een dag aan in een Obaku-zen-tempel. Daar maakt hij kennis met de Rinzairoku (“herinneringen van of aan Linji“, de aartsvader van rinzai). En daarin leest hij het befaamde ” … als je op je weg Boeddha tegenkomt, dood hem! Als je op je weg de patriarchen tegenkomt, dood hen! Als je op je weg heiligen (arhats) tegenkomt, dood hen! Zonder aarzelen! Dat is de enige weg naar bevrijding!
Steinilber-Oberlin (Les Sectes bouddhiques japonaise, v.a. p. 126) interpreteert het als een afwerpen van traditionele opvattingen, van dogmas.
Da’s alvast niet slecht. De ware betekenis ligt in het objectloze zazen: zodra er in de meditatie concepten opduiken die zich met beeld en woord opdringen: dood ze! Dat wil zeggen, bemoei je d’r niet mee.

Het beeldje

Op 19 maart werd dus bekendgemaakt dat een houten beeldje, een hoofd, was ontdekt binnenin een ander, groter houten beeld van Lanxi Daolong / Rankei Doryu. Het stelt diezelfde Lanxi/Rankei voor, en is waarschijnlijk het enige overgebleven houten beeld uit de Kamakura-periode die liep van 1192 tot 1333. De rest van wat in die periode zou zijn gemaakt lijkt bij branden verloren te zijn gegaan. Dat zegt men.

foto: Deze groothoek opname van de Kennin-ji is niet online te vinden.
kenninji

Het betreffende grote beeld, (niet het kleintje dat er in verborgen zat) dat in 1676 werd gemaakt ter herdenking van de 400ste overlijdensdag van Lanxi/Rankei, staat nu in de Seirai-in, een subtempel op het terrein van de Kennin-ji in Kyoto.
eisai2
Deze Kennin-ji werd in 1202 gebouw voor de zenmonnik Yosai die beter bekend staat als Eisai (1141-1215). Yosai/Eisai was een leerling van Lanxi/Rankei. Nadat hij de Kencho-ji had gesticht verhuisde Lanxi/Rankei naar Kennin-ji en werd daar hoofdabt.

Dus wat we voorzichtig mogen veronderstellen is dat er een klein compleet standbeeld is geweest van Lanxi/Rankei, dat het kapot is gegaan, of gedeeltelijk verbrand, dat men niet wist wat met het restantje aan te vangen, en dat men het daarom maar respectvol in het grote beeld heeft “begraven”. Zo! beleefd en respectvol gebleven, geen slecht karma geaccumuleerd, maar opgeruimd staat netjes.
En nu is het dan tevoorschijn gekomen en moet men er iets mee. Museum dan maar.

Rasheed Araeen — Nul is niet niets
rasheed

Zero doesn’t mean nothing (Nul betekent niet niets), zegt kunstenaar Rasheed Araeen aan het begin van deze videoclip. Het herinnert de boeddhist aan de moeite die de eerste Chinese generaties, dus aan het begin van de westerse jaartelling, én de eerste Europese generatie, dus eind 19de eeuw, heeft gehad met het concept van sunyatá, ledigheid. Alles is sunya, is het devies.
Is er dan niks? is de verbaasde vraag. Juist omdat alles sunyá is, in constante veranderlijke flux, met niets eeuwigs onveranderlijks, juist daarom is er alles. Ware de wereld tot stand gekomen met alleen maar eeuwige onveranderlijkheden, dan zou de planeet in de Big Bang zijn blijven steken. Maar omdat die flux er is, is er evolutie gekomen, en soms revolutie.