Vairocana en de mandorla

Op 19 december toonde de Joong Ang Daily een foto van een uit ijzer vervaardigd beeld van Vairocana Buddha (ook op deze en deze pagina). Het beeld staat in de Bórimsa-tempel in Jangheung in de streek Zuid-Jólla (schrijf Jeolla) van Zuid-Korea. Het werd in het jaar 858 gemaakt.

18193911
Er zijn twee opvallende zaken aan dit berichtje. Ten eerste wordt hier gesproken over een ijzeren beeld. Dat is opvallend omdat het mahāyāna-boeddhisme zoals dat vanuit China naar Korea migreerde naar voor-boeddhistische opvatting geen voorliefde heeft voor de combinatie ijzer en tempel, c.q. boeddhabeeld, hoewel er, wellicht bij gebrek aan nobeler metalen, in China wel een paar oude boeddhabeelden uit ijzer zijn te vinden.
Het tweede opvallende is dat de auteur van het stuk over Nationaal Erfgoed 117 spreekt over een “mandórla“, een aureool dat achter het hoofd van het boeddhabeeld bevestigd zou zijn geweest, maar dat inmiddels zoek is.
Het komt voor dat in Korea, achter beelden van Vairocana Buddha, voorzover het een alleenstaand beeld is, zo’n aureool te zien is. Maar zodra op de achtergrond de menigte zichtbaar is die volgens de Avatámsaka soetra aanwezig is wanneer deze boeddha op zijn lotustroon gezeten is — en hij zit er altijd op — dan vormen zij het aureool, en worden hun portretten niet in de schaduw gesteld door een versierd, rond of ovaal gevaarte.

Tempelbeschermers

everett-kennedy-brown

Bij een recent artikel over een tentoonstelling van zen kunstvoorwerpen in Tokyo, in de Neue Zürcher Zeitung verscheen de foto van een dakuiteinde van een van de traditionele tempels in Japan. Een andere foto toont zo’n decoratiestuk een beetje duidelijker, en The Hazel Files maakt ons duidelijk dat we hier te maken hebben met een chinees voorboeddhistisch idee dat via Korea naar Japan is gekomen en daar de naam “shoki” draagt. Een “shoki” is dan een wachter die er op toeziet dat geen kwaad het gebouw kan binnenkomen. We kennen het concept veel beter uit het volksreligie van China waar de vreeswekkende Heng en Hang op de toegangsdeur naar de tempel staan afgebeeld.

p1040231

Dat is de oplossing die gekozen is door levensbeschouwingen die in hun filosofie geen plaats hebben voor geweld. Je weet dat er lieden kunnen zijn die zo’n tempel betreden om er met het aanwezige brons weer uit te lopen. Tot ca 50 jaar geleden hielp het om een afschrikwekkend beeld boven de deur te bevestigen, als een herinnering aan het leerstuk dat zegt dat kwaad handelen levenslang achterna gezeten wordt door tenminste onrust. Nu werkt ook dat niet meer. Zoals we ook in de europese provincie inmiddels de achterdeur op slot moeten doen, en een huis niet onbeheerd kunnen achterlaten, zo moeten ook tempelbesturen nieuwe beschermingsmaatregelen vinden. Voorlopig komt dat neer op deuren op slot.

roof end

In contrast daarmee toonde de koreaanse krant de Dong-A op 3 oktober 2018 een fragment van een eindstuk waar we het hier over hebben. Hier is het geen angstaanjagende kop, maar meer een gezicht dat ‘The Smile of Silla’ wordt genoemd. Zo’n dakornament wordt in het koreaans een Sumak-sae genoemd. Omdat het een gezicht is met de ogen geopend kan het geen afbeelding van (een) boeddha zijn geweest, maar wat dan wel is in de plooien van de geschiedenis zoekgeraakt.

Het eindstuk moet ooit gezeten hebben op een van de gebouwen van de Yeong-myo-tempel die nu verdwenen is, en is vervangen door een tempelcomplex met de naam Hyeung-ryun-sa (-sa = tempel).
Het fragment werd in 1934 door iemand uit Japan gekocht in een antiekzaak in Gjong-djóe (schrijf: Gyeongju).

Het Silla-rijk is een lang leven beschoren geweest, van 57vC tot 935nC.

hogeljapan
In Japan, zo meldde Archaeology.org in december 2018, zijn nog meer hogels opgegraven, en wel op het terrein van een zevende-eeuwse tempel in de Shiga-prefectuur. Het bericht meldt dat ze veel lijken op die bloemvormige hogels die gevonden zijn op de ruïnes van de Hori-joe-dji en de Tsjoe-go-dji (Horyuji, Chuguji) in Nara. Ze werden blijkbaar in serie gemaakt, in mallen die door de bouwers werden bewaard voor later. Omdat niet bekend is of het Archaeology.org artikel lang online zal blijven is hier de afbeelding van het opgegraven stuk gegeven.

7 februari 2019
Om plaats te maken voor de bouw van een hotel in Kyoto dat gasten moet gaan herbergen die de Olympische Spelen gaan bezoeken is de Reine Land-tempel de Djok-jo-dji (schrijf: Jyokyo-ji) afgebroken. Archeologen zijn haastig aan de slag gegaan om onder de grond verdwenen artefacten op te duikelen, en ook hier werden hogels gevonden die de nok van de (eerste) tempel versierden.
hogelkyoto

NPR van 6 februari 2019 had er een reportage over. Opgraver Je-saki (Iesaki) draaide het ogenschijnlijk slechte bericht om: niet de afbraak van de tempel was zo’n punt, maar dat het afgebroken werd leverde toch maar mooi spullen op die behoorden tot de eerste tempel die in 1449 werd gebouwd, en in 1591 op bamboepalen werd gehesen om te verhuizen naar de plek van het nieuwe hotel.

Sjamanen in Korea

Er is begin november 2016 een rel ontstaan rond de zuidkoreaanse President. Mevr. Choi Soon-sil is een vertrouwelinge van President Park Geun-hye en wordt er van beschuldigd haar positie te hebben misbruikt. De westerse media hadden het in overgrote aantallen onmiddellijk over de “Rasputin” van Zuid-Korea, en noemden mevr. Choi Soon-sil een sjamaan. David Josef Volodzko maakte er in een Hong Kong-krant zelfs een “a cabal of fairies” van, zo moeilijk te vertalen met heksenkring van elfen.

Ku Yae-rin, schrijvend voor de Korea Herald van 2 november protesteerde tegen het gebruik van beide termen. Met name de aanduiding sjamaan — in het westen eerder gezien als een soort toverkol/krankzinnige — schoot in het verkeerde keelgat. Ku Yae-rin verzuimde echter de koreaanse aanduiding en omschrijving ervan te melden. In een Japan Times-artikel van 13/14 november werd een en ander ietsje duidelijker. Er blijkt hier geen sprake ten zijn van een mudang. Dat zijn vrouwen die wel wat kunnen, maar niet toveren, noch zijn ze gek. De foto in Japan Times roept eerder herinneringen op aan populair-daoïstische voedsel-offeringen waar bijna onveranderlijk het aanbieden en aansnijden van een gegrilde big aan te pas komt. Niettemin wordt Choi Soon-sil’s vader omschreven als iemand die zijn eigen religieuze groepering oprichtte die een combinatie zou zijn, of zijn geweest van boeddhisme, christendom en sjamanisme (volksdaoïsme).

151216

De hier getoonde foto lijkt in de dracht van de persoon een soort kopie te zijn van de kleding die gedragen wordt tijdens een eens-per-jaar boeddhistische ceremonie, het Bumpae-festival. Dergelijke vormen van leentjebuur komen vaak voor, zie bijvoorbeeld het fragment over de rituelen langs de theeroute in de chinese Yünnan-provincie.

Musang

musang

In juni 2010 schreef Choe Chong-dae een artikel naar aanleiding van het boek “The Critical Biography of Musang Jeongjung, a new Zen (or Chan) sect of the Purified Masses“. Het zou de eerste kritische studie zijn geweest van het leven van Kim Hwa-sang (684-762) die na zijn intrede als zen-monnik in de koreaanse schrijfwijze de naam Moesang kreeg: “geen vorm”, “vormloos”. In het chinees heeft men het dan eerder over hsu k’ung (Wade-Giles transliteratie).

Of Musang inderdaad de achtste opvolger was van Bodhidharma — van Zuid-India terug naar Sichuan, China, in acht generaties? ’t kan — is uit een stuk geschiedschrijving van het ch’an (zen) gehaald die tot begin twintigste eeuw in de befaamde bibliotheekgrot te Mogao opgeslagen lag.

Op de afbeelding zien we Musang na zijn verlicht geraken. Ook anderen zeggen dat je boven de boomgrens een heel licht bewustzijn krijgt. Persoonlijk hield deze laaglander er hoofdpijn aan over, maar ’t kan, waarom niet.

Het leven van zo’n monnik wordt gemakkelijk geïdealiseerd, maar Musang moet een van diegenen zijn geweest die boven op zijn berg niet of slecht ondersteund werd(1): hij vulde zijn maag met boomschors en gras. Dat hij toch nog zo oud werd had hij waarschijnlijk te danken aan zijn vroege jeugd waarin hij als prinsenzoon in Korea uitstekend gevoed moet zijn geweest.

Nu zien we hoe Musang met een schedel in zijn hand dolblij met zijn bundeltje kleren in de andere hand de berg afholt om zijn weten over te dragen aan wie het horen wil — hij had de dood in de ogen gekeken en het overleefd. Beneden aan de berg werd hij beroemd, maar bleef een mysterieuze onbekende. Musang ging niet terug naar Korea, maar bleef in China waar zijn crematie-as werd gebruikt om een beeltenis van hem te maken.

In die geschiedschrijving die in de Mogao-grot werd aangetroffen, wordt de vraag gesteld of de kleding en de aalmoezenkom van Musang aan zijn opvolger werd doorgegeven of niet. Daar twijfelde de schrijver aan. Zo’n transmissie is een bewijs van officiële erkenning van de opvolger.

(1) Tijdens de eerste Jin-dynastie in China (266-420) werd de omgeving van Pyongyang gezien als een verbanningsoord. (“Righteous Rhethoric”, D. Declercq, Leiden 1993, p.183)

Kim Hong-do

In een artikel over een tentoonstelling in het Dongdaemun Design Plaza in Seoul deed de koreaanse krant JoongAng Daily van 8 augustus verslag van een tweetal schilders van wie werk te zien is tijdens deze door de Seoul Design Foundation georganiseerde opstelling.
An Gyeon, actief tussen ongeveer 1440 en 1470, was een van de landschapschilders in de absoluut traditionele stijl.
kim hong-do yeombulseoseung

De andere kunstenaar van wie de JoongAng twee werken toonde, Kim Hong-do, die leefde tussen 1745 en 1806 schilderde vanuit zijn boeddhistische gemoed. Beslist ontroerend is zijn schildering op textiel, de Yeom-bul-seo-seung, De Oude monnik die de Naam van Boeddha reciteert. Kijk naar dat nekkie, dat is toch absoluut treffend weergegeven!

Eigenlijk mogen we niet “nekkie” zeggen. Hong-do plaatst de monnik op een wolk, waarmee hij maar wil aangeven dat deze tijdens dit leven al een fors eind op weg is om na zijn dood in Amitabha Boeddha’s Gelukzalige Land aan te komen teneinde daar, met Boeddha als directe leraar, supersnel door te stoten naar volledige verlichting.

Shink-wangsa

Omdat Kim Hong-do’s werk in de aandacht van kunstkenners blijft, is er in 2018 onderzoek gedaan naar de prent van een tempel waarvan het poortgebouw op palen boven een heel nauw dal is gebouwd, en het hoofdgebouw zo’n beetje tegen de bergwand aankleeft. De afbeelding toont een monnik met wandelstok (links) die zich door de in Korea zo geliefde en vereerde bergen op weg begeeft naar deze tempel. De Donga Ilbo (ilbo = krant) publiceerde op 19 september 2018 een artikel waarin we lezen dat wat Kim Hong-do (Kim = de achternaam; Hong-do de voornaam) de “Sansaguiseungdo” noemde, de Shink-wangsa is, een kleine tempel in de Hwang-hae-provincie.
Kort daarna werd het werk geveild. Van wie het werk was, werd niet bekend gemaakt.

 

 

Korea in de 18de/19de eeuw

In 1861 maakte de koreaanse kaartenmaker/geograaf Kim Jeong-ho (kim djong-ho) een landkaart van het Joseon-rijk  (djosón) dat er alles aan gedaan had om heel Korea onder een koninkrijk samen te brengen. Er zijn nog zo’n twintig zwart-wit landkaarten van bijna 4 bij meer dan 6 meter bewaard gebleven, en drie ingekleurde waarvan er een in Korea zelf bewaard wordt, en twee in Wisconsin en Harvard in Amerika terecht zijn gekomen. De “koreaanse” landkaart wordt op 28 juni in Seoul ter veiling aangeboden. Dat maakte de Korea Herald bekend. We moeten maar hopen dat de kaart in het land blijft en niet ook aan de andere kant van de eendenvijver terecht komt.

sainam

Tijdens diezelfde veiling wordt ook een werk aangeboden van een leerling van schilder Kim Hong-do. Voor zover de krant er melding van maakte is het een deel van een achtdelig kamerscherm waarop 16 geleerden staan afgebeeld, “inclusief boeddhistische monniken”. Ze zitten, schrijft de journalist, te studeren tegen de achtergrond van een “magnifiek landschap”. Zo te lezen volgde de leerling daarmee de chinese school die er per traditie nadruk op legde dat de mens maar een miertje is in een overweldigend landschap. Op een ander werk dat ter veiling wordt aangeboden, “Sainam“, van de hand van Jeong Seon (djong son) zien we wat daarmee bedoeld wordt: je moet twee keer kijken voordat je een keer het figuurtje bijna middenonder in beeld ziet.

kim hong-do tiger under a tree
Toch is Kim Hong-do vandaag waarschijnlijk bekender dan Jeong Seon. Zijn “tijger onder een boom” heeft bijna de status van koekblikplaatje gehaald, evenals zijn “kat die naar een vlinder kijkt”. (zie onder)
Kim Hong-do (geb. 1745 – overl. ts 1806 en 1814) was niet echt bijbelvast waar het zijn religieuze voorkeur aanging. Heel bekend is zijn in 1776 gemaakte schildering op kamerscherm van de “negentien daoïstische onsterfelijken” geworden, u weet wel, die gelukzakken die nooit meer doodgaan en ergens tussen de wolken boven het Kunlun-gebergte leven. Ziet u hoe een van die onsterfelijken een os berijdt, en een ander achterstevoren op een ezel zit? Waar zou het zen (ch’an) die beelden nou vandaan hebben!
Die onsterfelijken moesten er wel wat voor over hebben om onsterfelijk te worden, onmenselijke ademhalingsoefeningen en een onmenselijk dieet, onderandere, maar dan heb je ook wat. En ja, inderdaad, China en Korea deelden en delen (tot de komst van de echte “import”) dezelfde levensovertuigingen: confucianisme, daoïsme en boeddhisme.

kim hong-do cat watching a butterfly

Kim Hong-do geloofde naar mijn mening nergens in, en was uiteindelijk alleen maar uit op aardige beelden. Zijn tekening van een koreaanse non, onderweg ergens naar toe, al reciterend — waarschijnlijk de naam van Amitābha Boeddha, Amidabul in het koreaans — is daar een van. Dat ze reciteert zien we aan de gebedskralen (māla) die ze in de hand houdt. Het is maar goed dat hier gezegd wordt dat er sprake is van een boeddhistische non, want de kledinggewoonten zijn sinds die 18de eeuw behoorlijk gewijzigd. Zouden we niet weten dat hier sprake is van een boeddhist, dan zouden we op basis van de hoofdbedekking alleen al kunnen denken aan een katholieke non; het katholicisme was tegen die tijd al kleintjes aanwezig op het schiereiland.

Een ander werk dat Kim Hong-do in opdracht van de koning maakte was de afbeelding van de drie Boeddhas die hij maakte met het oog op de ruimte in de Yongju-sa. We zijn inmiddels gewend om bij “drie Boeddhas” te denken aan de zogenaamde “tri-káya“, drie lichamen die samen de dharma– (leer), het sambhóga– (de staat van verlichting) en de nirmána-kaya (de (schijn-)gestalte van Boeddha verbeelden, maar hier had de koning opdracht gegeven de drie Boeddhas van het allereerste begin (Dī-pánkara), het heden (Saakja-moeni) , en de toekomst (Maitreya) uit te beelden. Dat komt niet zo vaak voor, en het toont aan dat men in die jaren meer gefocust was op de levende boeddha die over de aarde gaat, dan op min of meer abstracte concepten. Dat verklaart wellicht ook dat de drie hier afgebeelde Boeddhas er veel levendiger uitzien dan gebruikelijk is.

Hoewel Kim Hong-do de gunst van de regerende vorst had, is het niet zo goed met hem afgelopen. Tegen het eind van zijn leven verdween hij gewoon uit beeld, en niemand schijnt te weten waar hij is gestorven, hoe, en zelfs wanneer. Misschien wilde hij dat zo. Zou kunnen.

Koreaanse tempelbellen

Árirang liet ons op 5 mei kennis maken met een in 1952 opgericht familiebedrijf in Zuid-Korea waar de befaamde tempelbellen worden vervaardigd. Wie het engels redelijk machtig is zal geen problemen hebben met de ondertiteling bij de video waarin de eigenaars-bedrijfsleiders van Seongjongsa (ongeveer: soeng djong sá) zowel over de productie als over de bedrijfsvoering praten.

korean temple bell
Het blijkt dat deze koreaanse belllen bestaan uit een binnen- en een buitenbel die ieder apart gegoten zijn en daarna in elkaar geschoven worden. Dat geeft ze een unieke klank.

Een van de aardige gegevens is dat dit bedrijf een exacte kopie heeft gemaakt van de zogenoemde Emille Bell uit de Silla-periode van Korea, een periode die liep van het jaar 57 vC tot 935 nC. Oorspronkelijk heette deze heel beroemde bel, die in zijn origineel niet meer geluid mag worden, de “Divine Bell”.

¹üÁ¾ÁÖÁ¶. ¼ºÁ¾»ç ÃæºÏ Áøõ. Park HYun Koo/ 2018.01.04
10 januari 2019:

Twee koreaanse kranten, waaronder de Korea Herald gingen op 10 januari opnieuw in op het fenomeen tempelbellen en hoe en door wie ze gemaakt worden.

Kim Bo-gyung illustreerde zijn artikel rijkelijk met mooie en duidelijke fotos, en zoals hier vorige maand werd geschreven over een koreaanse tempel waarvan het plafond in de ceremoniële hal is voorzien van mantrische tekens, hier in het Sanskriet, zo zien we op een van de fotos in de Korea Herald dat tenminste een van de nieuwe bellen is voorzien van een mantra of mantrische klank, notabene het woord, of de klank “Om” die we zo goed kennen uit de Himalaya-religie, uit het Om mani padme hum. Het is dus mogelijk dat deze bel naar een tempel gaat waar de esoterie wordt beleefd, het milgyo. Met name de kleine [d]Jing-ák-stroming met zijn drie vertakkingen zou daar een order voor geplaatst kunnen hebben.

Lee Ufan

In de bespreking van Lee Ufan’s werk merkte de redacteur van Lisson Gallery op dat de kunstenaar’s werk zich bevindt op de grens van “doen en niet-doen”, zeg maar, wu-wei, een daoïstish concept, en in principe vreemd aan het boeddhisme.

lee-ufan-dialogue-works-on-paper-drawings-watercolors-etc-watercolor openingsbod 28.000

Deze week werd Ufan’s Dialogue uit 2014 geveild. We gaan maar niet meer in op de prijzen die hier gehaald worden; moderne kunst, en zeker ook aziatische moderne kunst is de tulpenbollenhandel van deze eeuw geworden. Of toch maar wel: € 157,500.

Lee Ufan, Koreaan die in 1963 werd geboren, is een van de niet zovelen die in Japan aan de slag zijn gegaan. Daar is hij een van de vertegenwoordigers van de avantgardistische Mono-ha-school, de Objecten-school geworden. Op zijn eigen manier heeft hij iets met boeddhisme, hoewel die manier veel overeenkomt met die waarop de meeste beeldende kunstenaars met het onderwerp omgaan: ze separeren een onderwerp uit de hele collectie en bouwen dat op hun eigen manier uit.

Lee Ufan lijkt het japanse, en niet zozeer boeddhistische concept van ruimte tot een thema te hebben gemaakt: “de lege ruimte ligt in het centrum van Lee Ufan’s werk”, schrijft de Lisson-redacteur (wanneer wíj ‘ruimte’ schrijven hebben we het altijd over ‘lege ruimte’, maar dat lijken niet alle culturen met ons te delen.) Het japanse woord voor ruimte is yohaku. De japanse bespreker van yohaku vertaalt het met “witte ruimte”, maar waarschijnlijk zitten we er met “lege ruimte” niet al te ver naast.

Wanneer we kijken naar een bespreking in The Nation, dan heeft Lee het over Boeddha, en Boeddha is voor hem “een ambigu medium”. Hij gaat dan verder, min of meer in de gedachtengang van het Huayen (Chin.) of Kegon (Jap.) boeddhisme, wanneer hij zegt dat “… de wereld onthult (zichtbaar, ervaarbaar) is vanwege Boeddha’s aanwezigheid.” En Boeddha kan iedereen zijn die “toont dat de wereld in hem doordringt en zo tegelijkertijd de wereld van de [ervaarbare, materiële] realiteit is als die van de cognitie (het kennen-ervaren).”  De Avatámsaka sutra (Huayen Jing) zegt in het boek Eulogies on Mt. Sumeru: The emptiness of inherent nature is Buddha. Het goed mogelijk dat de kunstenaar hier het yohaku, de “witte” ruimte, samenbrengt met de cognitie die op zijn apex Boeddha is.

De uitspraak herinnert even aan de kunstenaar die ooit een witte sneeuwhaas in een witbesneeuwde omgeving penseelde nadat hij als het ware die haas en die sneeuw was geworden: de cognitie die van binnenuit de buitenkant weergeeft die tegelijkertijd innerlijk en uiterlijk is.

Een redacteur van Art Asia Pacific merkt op dat de gemiddelde amerikaanse beschouwer van het werk van Lee Ufan associaties krijgt met esoterisch boeddhisme of zen, maar de kunstenaar zelf zegt blij te zijn dat ze, Amerikanen, in zijn bijzijn het getoonde op een nogal “rechtstreekse manier” beschouwen.

Het meest opvallende is nog wel dat een van Lee’s landgenoten, althans een Koreaan, schrijvend in een Magazine over, of vanuit, de streek Gwangju Lee Yufan’s werk niet alleen ziet als representatief voor de kern van de oosterse filosofie, maar ook meent dat boeddhisme de vraag “Wie ben ik” stelt. Dat valt op, dan heb ik de afgelopen ca 50 jaar toch iets gemist in het boeddhisme, en dan maar denken dat het, althans in het Huayen/Kegon-boeddhisme (een mahāyāna-stroming) gaat over de relatie van objecten onderling, van subjecten onderling, en van subject en object. Die vraag, wie ben ik, is daar niet aanwezig, er is eerder de constatering: ik ben er nu, het heeft geen nut te vragen naar het waarom en het wie, maar het heeft wel nut te kijken naar het hoe, en onder welke omstandigheden de fenomenen even stabiel zijn (zodat ik ze kan zien of ondergaan), maar ze vooral voortdurend veranderen, waardoor er geen moment de gelegenheid is om ‘wie ben ik’ te zeggen.

En dat allemaal naar aanleiding van een paar blauwe verfstrepen op wit papier, à raison van € 157,500.

  • Japan Times (https://www.japantimes.co.jp/culture/2020/03/25/arts/lee-ufan-different/#.XpbgMZlcLIU) van 25 maart 2020 publiceerde een artikel van John L. Tran. John had het over het typisch japanse concept van lege ruimte en zegt daar dan van “The part where nothing is painted makes the viewer aware of space, turning the entire exhibition space into a work of art, not just the part that was painted”, … (het deel waar niets geschilderd is maakt de beschouwer opmerkzaam op ruimte, en daarmee wordt de hele tentoonstellingsruimte veranderd in ruimte, een kunstwerk, niet alleen maar dat wat beschilderd is.)
    We gunnen John zijn bewondering en blijdschap van harte, maar het blijft interpreteren. Als ik ’t goed heb wordt ruimte in het japans ma genoemd, en maakt integraal deel uit van wat op het doek of papier wordt neergezet. Dat wil zeggen dat niet alleen de voorstelling van belang is, maar ook hoe die voorstelling in zijn (niet-)omgeving staat is voorwerp van beschouwing; die ruimte is ook “iets”.

Identiteit

 

banksy b10Nu we dan weten wie Banksy “echt” is, en hoe hij heet, Robin Gunningham volgens een britse krant (“Unmasked at last: First picture of Banksy, graffiti outlaw wanted for art terrorism”) kunnen we verder met ons leven, of ook niet. Banksy Unmasked houdt de spanning er nog even in.

Maar ook dat heeft er niets mee te maken, eigenlijk net zo weinig als de dansvoorstellingen die een koreaans gezelschap begin maart verzorgde waar aan de hand van oude waterverfjes over gugak zo’n zes avonden zijn gevuld.

gugak1

De Joongang Daily van 2 maart berichtte dat het werk van de 18de-eeuwse kunstenaar Shin Yun-bok een zo natuurgetrouw mogelijke dansversie heeft gekregen. Althans werken over de muziek en dans die gugak heet (goegak – g’s als in ‘good’), zijn naar kleding en danshoudingen zo exact mogelijk nagebootst door dansers van het National Gugak Center. De afbeeldingen hier zijn uit de prent “Dans met twee zwaarden”, een nogal onboeddhistisch thema, maar allà.

gugak

De danseressen die de schilder weergaf worden gisaeng (of kisaeng) genoemd, en verder zien we onderaan op de prent musici die het soort hoed dragen die we tijdens de 2 maart 2016 “kunst of kitsch” uitzending tegenkwamen op een japanse vaas, hetgeen zou kunnen betekenen dat japanse keramiek-ateliers die voor de export werkten ook hiervoor koreaanse vaklui, in dit geval schilders inhuurden.

National Museum of Korea

Het National Museum of Korea gaat met ingang van dit jaar een bijzondere tentoonstelling inrichten met stukken die met behulp van de nieuwste restauratie-methoden zijn opgeknapt.
De Korea Times van 8 februari meldde dat ter gelegenheid van Boeddhadag op 14 mei 2016 voor 26 weken de rolschildering “Hanging Painting of Bukjangsa Temple” getoond zal worden. Het werd in 1688 geschilderd op een ondergrond van hennep.

bukjangsa

Jaehyuk Art beschrijft de schildertechniek en de gebruikte kleuren een beetje, niet de content. Op dat blog wordt opgemerkt dat de boeddhistische schilders “rode en groene pigmenten” gebruikten voor de afbeelding van Boeddha’s bovenkleding en de halos rond zijn hoofd.

Dat rood gebruikt werd voor Boeddha’s kleding — en overigens ook voor die van seniores in het monnikschap — is in Oost-Azië min of meer vanzelfsprekend, het is na de eerste periode waarin met boombast geverfde stukken oranje opdroogden de gebruikelijke kleur geworden, althans voor seniores, althans bij bijzondere gelegenheden. Het gebruik van de kleur groen is dan weer minder vanzelfsprekend. Dat moet een oplossing zijn geweest voor de vervanging van bijvoorbeeld donkerblauw. Vergelijk het met Van Gogh’s slaapkamermuur die lila was, maar naar blauw is vervaagd.

Wat content betreft stelt de schildering Sakyamuni (Gáutama, Gótama) Boeddha voor. Aan zijn voeten zitten de twee monniken die hem zeer na stonden, en die door het zen, overigens zonder daar bewijzen voor aan te dragen, de aartsvaders van hun meditatiepraktijk genoemd worden. Links zien we Ānanda (de jongere), en rechts Kásyapa of Kássapa (de oudere).

Dan wordt hij geflankeerd door twee bodhisattvas (verlichtte of verlichtende wezens) — hetgeen ons eveneens vertelt dat we hier met de mahāyana-invulling van het boeddhisme te maken hebben. Links zien we een figuur die een lotus vasthoudt. Dat is Samantabhádra die samen met zijn broeder Manjushri de belangrijkste bodhisattvas zijn uit het Hwa’om-boeddhisme, de leer die gebaseerd is op de Avatámsaka soetra.

De Avatámsaka-lijn legt er de nadruk op dat het hele universum gevuld is met (afschaduwingen van) boeddas die ieder voor zich precies hetzelfde verkondigen, in hun eigen “boeddhaland”, in hun eigen streektaal, met de beeldtaal die daarbij hoort.

Helemaal rechts- en links bovenaan zien we dan nog twee figuurtjes, en het zou zomaar kunnen dat dit het echtpaar is dat opdrachtgever is geweest voor het vervaardigen van deze rolschildering.