Koninklijke ploegceremonie

Een van de meer bekende verhalen uit het boeddhisme is dat van de ploeg-ceremonie. Zoals in Europa bij het begin van het zaaiseizoen “de baas” zelf de eerste voor trok, zo had het antieke India het voor gewoonte dat de koning iets dergelijks deed. Het gebruik van de eerste voor trekken door de koning toonde de betrokkenheid van de laatstgenoemde bij het welzijn van het volk, maar het werd ook gezien als een gunstig teken: als de koning de eerste voor trekt heb je in ieder geval ideale omstandigheden gecreëerd voor een gustige regen, groei, en oogst; wat kan een mens nog meer doen.

Prins Siddhártha, die Boeddha zou worden, werd, afhankelijk van verschillende jaartellingen, tussen de 2640 en 2582 jaar geleden geboren, gerekend vanaf 2016. “Wij” waren in India nog niet in beeld; “het boeddhisme” heeft het op geen moment over latere stromingen zoals het christendom en de islam.

In dat boeddhistische verhaal zat de nog heel jonge prins Siddhártha onder een boom toe te kijken hoe zijn vader zich van zijn jaarlijkse plicht kweet. De ceremonie duurde een tijdje, en waar de schaduw van alle bomen met de zon mee van oost naar west draaide, bleef die van de prins op zijn plaats, boven het kind, opdat hij het niet te warm zou krijgen. Opmerkzame boeren en priesters-celebranten zagen dat, en voorspelden dat dit een bijzonder kind was, dat nog bijzondere daden zou gaan verrichten.

Bij het verhaal moeten we bedenken dat het speelde in een tijd waarin er nog geen boeddhisme was. De dharma bestond wel al, maar alleen als filosofische onderstroom in de maatschappij. Die stroming zou Boeddha na zijn Ontwaken weer aan het oppervlak  brengen. Hij was op dat moment 35 of 36 jaar oud.
Zo gezien was de ploeg-ceremonie dan ook geen boeddhistische maar — zo sprak de strenge monnik — een brahmaanse (en nog geen hinduïstische). Doorheen heel India, en ook in zuid-Azië vinden er in de april-mei periode ploegceremonieën plaats, als teken van het aangebroken voorjaar, resp. als het begin van het zaai- en plantseizoen. Er wordt op verschillende plaatsen verschillende uitvoeringen aan gegeven.
Ook in Thailand werd begin mei een ploeg-festival gehouden, gebaseerd op de praktijken van de Khmer uit de oudheid die boeddhisme, volksgeloof, en hinduïsme mixten. In de Sanám Lwáng-streek in de buurt van Bangkok werd op 9 mei zo’n feest gehouden, de “koninklijke ploegceremonie”. Het verhaal over prins Siddhártha zal daar op de achtergrond meespelen, maar komt niet expliciet aan de orde. Nu, in 2016 werd het feest ingeluid door de kroonprins, uit naam van zijn vader. Er was sprake van “heilige stieren” (hinduïsme), en van de rijstgodin en de moeder-aarde-godin (volksgeloof). In 2019, vlak na zijn officiële kroning, ploegde de nu Rama-X genaamde opnieuw de eerste voor.

140616

De afbeelding toont een van de oude muurschilderingen in Thailand.
Even over “vrijheid van meningsuiting”,  in Nederland en omstreken vertaald met “kunnen beledigen en er mee wegkomen”: De prent heeft humor. De drie figuurtjes in het blauw — dat denimblauw is de boerenkiel die zeker door de Karen-etniciteit wordt gedragen — liggen in een nogal grappige pose op hun knieën, handen in andjalii, samengevouwen. Daar mag om gelachen worden, net als om die muurschildering waarop de eigenaar van de olifant aan de staart van het beest hangt in een poging om hem tot stoppen te brengen. Lagge mag, maar ’t wordt nooit kwetsend.

Ajanta

William Dalrymple maakte voor het oktober-nummer van New York Books een inventaris op van wat hij noemt De Grootse Galerij van Afbeeldingen uit de Oudheid, zijnde de Ájanta-grotten in midden-India. De NY Books illustreerde het artikel met inderdaad overbekende afbeeldingen.

In 1819 hadden Britten, op jacht in de “West Ghats” van centraal-India, hun cameras meegenomen en schoten ook plaatjes, in de Ájanta-grotten die deels hinduïstisch zijn, deels boeddhistisch, en deels jaïn. Daarna, in de winter van 1844 maakte de Brit majoor Robert Gill in de buurt van Madras (vandaag Chennai) een aantal opnamen, en reisde door naar Ájanta.

De oudst bekende fotos, dus die van het jachtpartijtje, werden voor het eerst in 1829 gepubliceerd door de Royal Asiatic Society in Calcutta (Kolkata). Die uitgave zette een aantal mensen in beweging die naar Ájanta toe wilden om er te kijken en souvenirs te scoren. In 1838 klaagt Dr James Bird dat monumenten worden beklad, dat muurschilderingen worden losgepulkt om mee naar huis te nemen, en dat een Indiër die hier een boterham in zag voor een kleine vergoeding toegang tot de grotten verleende en hand- en spandiensten verichtte.
ajanta

Kort daarna nam archeoloog en kunsthistoricus James Fergusson de verdediging van de Ájanta-grotten op zich. Hij maakte een inventaris van de grotten, met een soort huisnummers, en liet majoor Gill, die tevens kunstenaar was, getrouwe kopieën van de muurschilderingen maken voordat ze zouden verdwijnen.
In 1866 werden de Gill-kopieën naar Londen verscheept voor een tentoonstelling in het Crystall Palace, maar toen de grote brand uitbrak die van het Glazen Paleis niets meer overliet, werden ook deze kopieën verwoest. Gill ging terug naar Ájanta, begon de hele zaak opnieuw te kopieëren, en stierf daar in het jaar 1875. Na hem werd de taak overgenomen door John Griffiths van de Bombay School of Art. Griffiths zou aan het werk blijven tussen 1872 en 1885. Het meest opmerkelijke is dat Griffiths’ werk ook naar Londen werd gestuurd, en ook in de vlammen omkwam, nu bij een brand in het Victoria & Albert Museum. Merkwaardigerwijs geeft het V&A allerlei informatie, maar dit is kennelijk zo’n drama geweest dat niemand er meer aan herinnerd wil worden. Wanneer die brand was, het grote publiek hoeft het niet te weten.

Griffiths werd in 1916 opgevolgd door de kaligrafie-kunstenaar Kempo Arai die Rabindranath Tagore zou leren met het penseel om te gaan. Of Tagore de kunst onder de knie kreeg is hier niet bekend, maar Arai spendeerde vervolgens enkele jaren aan het eveneens kopiëren van de muurschilderingen. Hij echter zond ze naar Japan waar ze in de Tokyo Imperial University werden ondergebracht. En ook deze collectie kopieën ging er aan, en wel tijdens de Taisho- of Kantó-aardbeving in 1923.
ajanta2

In 1984 ontmoet de heer Dalrymple Walter Spink die al jaren naast de grotten woonde, in het “resthouse”. Spink’s eerste publicatie over de grotten zag het licht in 1954. Deel 7, Spink’s laatste deel van “Ajanta: History and Development”, zegt de heer Dalrymple, is nu gereed, juist op het moment dat deel 6 van de persen rolt (bij Brill in Leiden).
Nauwelijks bereid iets aan te nemen van niet-landgenoten lijken een aantal van Spink’s theorieën over het ontstaan van de grotten in India debat te hebben losgemaakt, en wanneer ze debatteren, berg je dan maar. Maar het lijkt er toch niet op dat vanuit India een andere (serie) publicatie(s) over Ajanta op stapel is gezet.

Een charmante passage vinden we in de heer Dalrymple’s artikel wanneer hij Walter Spink citeert die, naar hij zegt, Boeddha citeert: “je kunt het pad niet belopen zolang je niet zelf het pad bent geworden”. Boeddha zou deze wijsheid zijn mede-monniken, mede-voettocht-gezellen hebben toegevoegd. ’t Is een charmant gezegde, maar ’t staat nergens in enigerlei vroege canon(1).

Niettemin, de heer Spink’s kennis met betrekking tot Ájanta lijkt zo verpletterend te zijn dat geen enkele andere auteur, met uitzondering van enkele makers van fotoboeken, zich aan het onderwerp lijken te hebben gewaagd, althans niet in een van de westerse talen.

Sinds 2013 zijn de grotten gesloten; men heeft geen oplossing kunnen vinden voor de schade die doorsijpelend regenwater aanbrengt. Een nieuwe collectie kopieën, maar nu naar het schijnt voor een belangrijk deel in 3-D uitvoering is opgesteld in een nabijgelegen tentoonstellingsgebouw. De actuele inhoud van de grotten, althans de muurschilderingen, is gedoemd om op redelijk korte termijn te verdwijnen.

(1): maar wellicht wel in latere zen-collecties waar de auteurs zich vooral bezig hielden met de geest van de dharma, zeggen ze, niet met de letter.
Dat “samenvallen met”, een vervoeging of verbuiging van hinduïstische en daoïstische concepten, is geen kenmerk van Boeddha’s leer. Integendeel. Een niet-boeddhistische asceet probeerde een geleerde bhikkhuni en tijdgenote van Boeddha met woorden te vangen: Het Ene, wat is dat. Het antwoord was dat alle fenomenen er zijn op basis van (enigerlei vorm van) voeding. Dat wil zeggen dat niets ontstaat uit niets, en dat er een veelheid aan voorwaarden moet zijn om iets te doen ontstaan en voortduren, en dat er dus geen Eén, geen Eén Iets, geen Eén Oorzaak, geen Eén Onderhouder (en dus ook geen samenvallen) kan zijn. Boeddha stemde in met deze analyse en herhaalde hem op een ander moment zelf.