Peach-blossom spring

In de zaal, tijdens een veiling bij Sotheby’s in Hong Kong, kon een van de aanwezigen het niet laten een “this is crazy” te laten horen toen de hamer viel bij $30.960.000 voor “Peach-blossom Spring”, een rolschildering van de hand van Zhang Daqian (Chang Dai-chien 1899-1983). Het werk werd aangekocht door het Long Museum in Shanghai.

peachblossomspring

Reed heeft een afbeelding van het werk op de website, en heeft een vertaling van de tekst die rechtsonder staat. Daarin zegt de kunstenaar, in het laatste jaar van zijn leven:
I planted plums and built my house
beside the Twin Rivers;
As my years decline I always dread
the noise of public markets.
Whoever believes this is the place
that Achao once had reached,
Wrongly ways there is in the world
a Peach Blossom Spring.

Wie de Achao is in deze regels is niet helemaal duidelijk, maar het zou de hoofdrol kunnen zijn geweest in een Cantonese toneelproductie die in 1958 op de planken werd gezet onder de titel “Ah Chiu Is Getting Married / Achao Jiehun”. Op Taiwan, waar Zhang Daqian zich in 1978 uiteindelijk vestigde, is er, gezien de video die ervan online staat, een film van gemaakt.

Morning Sun geeft een biografie van de schilder. Bij een mislukte poging tot monnikschap gaf de abt hem de dharma-naam Dai-Chien, vandaag geschreven als Daqian. De naam verwijst naar de ongelimiteerde Mind, of staat van geest, en wordt beschreven met “de drieduizend keer oneindigheid” (three thousand times infinity).

zhang daqian

Het huis met tuin — “mansion” wordt het genoemd — dat Zhang in Taiwan bouwde noemde hij indachtig zijn boeddhistische begin en levenshouding “de Verblijfplaats van Illusie”. Daar overleed hij in het jaar dat “Peach-blossom Spring” gereed kwam, een met durf en gemak (zhì zai 21 maart 2016) geschilderd werk; wie kon Zhang nog wat maken, zo vlak voor het eind! Hij moet zich vrij gevoeld hebben om de perzikbloesem af te beelden onder een overdonderend blauwe wolkenmassa in een landschap met van die bergen die zo duidelijk naar oud model zijn vormgegeven.

Familiehuizen in Taiwan

In Taiwan zijn de laatste tientallen jaren de lage uit rode baksteen opgetrokken “familiehuizen” in rap tempo vervangen door goedkope schuurachtige architectuur met zwarte golfplaten wanden. Daar wordt al jaren tegen geprotesteerd, zonder veel resultaat. Op 4 maart liet de Taipei Times een foto zien van zo’n gerestaureerd familiehuis dat betreden wordt langs een ondiepe hal waar tegenover de deur ofwel het voorouderbeeld staat, danwel een beeld van Laozi of Boeddha. De betreder van het huis kan daarmee niet anders dan eerst een beschaafde buiging maken.

hakkahuis

Overigens is het hier getoonde huis er een zonder de twee bijgebouwen aan beide kanten die de zaak als het ware een voorplein geven. Dat is jammer. Het hier getoonde huis is er een in de Hakka-stijl.

De Hakka is een bevolkingsgroep uit Zuid-China en Taiwan, voornamelijk landbouwers, en wat betreft religie ook vaak nogal ecclectisch: we sluiten niks uit, dan missen we ook niks.

Op 25 mei 2020 werd met enig genoegen een krantenpagina geopend waarin een fotoreportage van bezienswaardigheden in en rond de stad Taichung. Deze prent van een familiehuis in traditionele stijl was daar bij. Het is met genoegen dat we kunnen constateren dat Taichung hier oog heeft gehad voor een bruikbare, ecologisch redelijk verantwoorde en traditionele bouwstijl die ze willen bewaren.

Schaduwpoppen

051215

In een leuk artikel in Taiwan Today lezen we over het schaduw-poppenspel van China/Taiwan. Vanuit Indonesië zijn we gewend geraakt aan de benaming wayang kulit, hoewel de taiwanese versie erg kleurrijk is en de kleuren ook door het doek zichtbaar zijn.
Boeddhisme is redelijk laat naar Taiwan gekomen; het “wayang kulit” uit die streken heeft dus geen verhalen uit het rijke boeddhistische leven. Wel werden de voorstellingen gegeven in of op de binnenplaatsen van tempels, niet alleen “daoïstische” tempels — ze zouden niet allemaal over deze ene kam geschoren moeten worden — maar vanaf een zekere tijd ook op de voorpleinen van de kleinere boeddhistische tempels van voor de Kuomintang-invasie.

(In)visible

Onder de titel “(In)visible” werd op 7 oktober door het Museum of Anthropology in Vancouver een tentoonstelling aangekondigd over de vele spirituele groeperingen en groeperinkjes die Taiwan rijk is. Die vaak hele kleine groepjes spelen voor wat betreft hun uiterlijke manifestatie leentjebuur bij de verschillende grote levensbeschouwingen. Een en ander wordt in Vancouver zichtbaar gemaakt door het werk van zeven hedendaagse kunstenaars van wie het werk mogelijk is gemaakt door “Spotlight Taiwan”.
161115
Een van die kunstenaars is Charwei Tsai van wie hier een beschreven lotusblad wordt getoond met, zegt het onderschrift, een lotus mantra.
De tentoonstelling zal overigens ook de al bekende volkskunst laten zien zoals het Atayal weven waarvan de overheidsinformatie ons laat weten dat de patronen als het ware berichten uitzenden naar de wereld om hen heen, inclusief naar de voorouders, de geesten en de goden.

Een ander voorbeeld van beschreven blad toont de Braziliaanse kunstenares Adriana Lehman die, zegt de zelfde bron als hierboven, voor het eerst een tentoonstelling heeft in Hong Kong, bij Lehmann Maupin.
maupin-1
Adriana gebruikt de inmiddels bekende gedroogde bodhi-bladen, het blad van de ficus religiosa waaronder Boeddha Ontwaakte. Onderaan het blaadje tekent ze een “lachende boeddha”, dus ze weet waar het blad voor staat (scroll even door naar beneden).
De rest van de decoratie is dan duidelijk sexueel getint. Daar mag je van een zekere kunstzinnige en filosofische elite in deze streken niets van zeggen, maar ik doe het dan toch maar: niets tegen sexualiteit, maar in dit kader is het bespottelijk en getuigt van gebrek aan culturele bagage, en van respect voor waar je niet bij kan. En waar je niet bij kan maak je dus maar belachelijk, een houding die we vaker tegenkomen in de wereld van de ongecultiveerde pummel.

Java jive

I love coffee, I love tea

Dat is de beginregel van een jazz-song die de “Java jive” probeerde te introduceren. Niet gelukt, maar de song zelf wel; het swingt zoetjes de ether door, klik op de link helemaal beneden.

tea

Het voorjaar is het beste seizoen voor de theepluk in China en Taiwan. In beide landen zijn er tempels die thee verbouwen, vooropgesteld dat ze beschikken over geschikte grond. Dat geldt natuurlijk ook voor andere landen zoals Japan. We spreken dan over de mahayana-tempels die geen leefregels aanhouden die zelf landbouw bedrijven verbieden.

In het recente verleden was het nog zo dat de wat meer gefortuneerde medemens in het voorjaar naar de tempeltuinen trok om een dagje, of een ochtendje te plukken, en na korte behandeling dan ook zelf je eigen “first flush” opdrinken. Vandaag mag de gewone toerist af en toe de velden in, onder leiding van.

A cuppa, cuppa, cuppa — aaaaah

Het lopende kanji

Chen Cheng-hsiung

chen2

In het oktober-nummer van Taiwan Review werd heel wat aandacht besteed aan de schilder Chen Cheng-hsiung die in 1953 geboren werd en vorig jaar overleed. Het artikel werd geïllustreerd met een impressie van roze voorjaarsbloemen, een kleur die altijd de aandacht trekt, maar een thema dat niet bepaald past bij de maand oktober.

Chen Cheng-hsiung is een van die aziatische kunstenaars geweest die zich, sinds 1954, na het zien van een fotoboek, liet inspireren door de westerse kunst, en dan met name door de westerse abstractie. Hij studeerde en reisde in Europa en een van de kunstenaars die hij ontmoette was Karel Appel. Dat is niet zo heel bijzonder; Appel was een heel benaderbaar persoon, en mogelijk op zijn beurt benieuwd naar de achterliggende motieven in het traditionele aziatische werk.

Niettemin verliet Chen Cheng-hsiung de traditionele aziatische thematiek niet helemaal. Zo was hij erg geïnteresseerd in de volkskunst van de indigene Taiwanese volkeren, en in de “gewone” aziatische kunstuitingen, zoals getoond wordt in bovenstaande afbeelding waarop we het lopende kanji herkennen.
Hij moet bovendien “iets met boeddhisme” gedaan hebben, zoals dat heet. “Ieder schilderij van mij is gemaakt met de spontaniteit die wortelt in ononderbroken meditatie” is een van zijn uitspraken geweest. De uitspraak werd opgetekend door John T. Spike die een catalogus van Chen’s werk samenstelde.
Bij het woord meditatie hebben we het dan niet over wat in het westen bekend is geworden als meditatie: met gekruiste benen en gesloten ogen op een kussentje zitten, maar over wat we in het Sanskriet en Pali samadhi mogen noemen, een gebundelde staat van geest die doorloopt in het dagelijkse leven, die onherkenbaar is voor de buitenstaander, en onverklaarbaar door de meditator (meditator with a twist).

Een werk uit 1976 toont Chen’s “een lucht vol bloesems”. De uitdrukking “bloemen aan de lucht” is in het mahayana-boeddhisme heel beroemd geworden. Het staat voor de realisering dat niets dat waargenomen wordt een ultieme essentie heeft, dus vluchtig, zowat onbestaand is.
Maar verder gaan we geloof ik toch vergeefs zoeken naar rechtstreekse verwijzingen naar het boeddhisme in Chen Cheng-hsiung’s werk.

EERSTE TENTOONSTELLING TAIWANEES KUNSTBEZIT IN JAPAN

Voor het eerst in de moderne geschiedenis gaat het National Museum in Taipei, Taiwan een tentoonstelling organiseren in Japan. Dat meldde Taiwan Today op 28 mei.

In het Tokyo National Museum zullen tussen 24 juni en 15 september 231 stukken te zien zijn. Daarna gaat de tentoonstelling naar het Kyushu National Museum, van 7 oktober tot 30 november 2014.

Een van de schilderingen, “keizer Ming’s Reis Naar Shu”, dat tijdens de Song-dynastie (960-1279) gemaakt zou zijn, en dat de vlucht van keizer Xuanzong, ook genaamd Ming, naar de huidige Sichuan-provincie uitbeeldt, zal naar verwachting nog de meeste belangstelling trekken.
De afbeelding hier stamt niet van dit schilderij, maar toont de keizer tijdens een uitje in de bergen.
xuanzong06

Deskundigen wijzen er op dat met deze keizer een einde kwam aan de hoogtijdagen van de Tang-dynastie. In het jaar 819 wordt door confucianisten de aanval ingezet op het boeddhisme. De geleerde Bai Juyi — die overigens tijdens zijn latere jaren het boeddhisme meer ging waarderen dan van een confucianist verwacht kan worden — “ging over de rooie” bij het aanschouwen van een processie van boeddhistische top-monialen door de toenmalige hoofdstad: “(Ze) branden hun hoofd (met de minimaal drie moxa-brandmerken tussen kruin en voorhoofd) en roosteren hun vingers in groepen van tien of honderden.”
(Het als offerande aan Amitábha Boeddha branden van een vinger is nog lang in zwang gebleven, tot in de 20ste eeuw. Er valt veel tegen in te brengen, en vandaag mag het niet meer.)
Hij gaat verder met: “Ze ontdoen zich van hun (boven)kleding en strooien van ochtend tot avond met munten. Daarin bootsen ze elkaar na, en zijn bang om achter te blijven.”
(Tot vandaag is er onder rijke leken-boeddhisten nogal eens een wedstrijdje wie kan het grootste bedrag aan de tempel offeren.)
“Jong of oud”, schrijft Bai Juyi, “ze zijn er op uit om hun patrimonium op te offeren (in een wedstrijd offervaardigheid). Als er niet meteen een eind aan deze voorstelling gebracht wordt, en ze doorgaan met die transfer van relieken van de ene tempel naar de andere, dan kunnen we er op wachten dat er een gaat komen die het afhakken van armen of lichaamsdelen als een manier van eerbetoon zal gaan beschouwen.”

Tot vandaag zijn de fabels en legenden over het lichaam offeren om de hongerige tijger te voeden, of het verhaal over prins Visvántara (Vessántara) die zonder brommen zelfs zijn vrouw en kinderen weggaf, populair, ook al wordt er geen letterlijk gevolg meer aan gegeven. Deze verhalen zijn eerder een aansporing tot generositeit en de begeleidende gelijkmoedigheid waarmee geven wat je dierbaar is gepaard zou moeten gaan. Dat hebben latere generaties schavuiten in hun oor geknoopt, en vandaag ontkomen we er soms niet aan het incassobureau of de prinsemarij in te schakelen. Generositeit is een ding; je zonder reactie laten bestelen een ander.

© Copyright 2014 CorbisCorporation
CHOU MENG-TIEH

Een onvoorzichtige belangstellende vroeg in 1983 aan de dichter Chou Meng-tieh of hij een tachtig-plusser was. Een toch al wat droevige Chou antwoordde dat hij zich in zijn 63ste levensjaar bevond.

De Taipei Times bracht op 9 maart het bericht dat de dichter Chou Meng-tieh op 1 mei op de leeftijd van 92 was overleden aan longontsteking. Chou zou posthuum presidentiële eer te beurt vallen.

Dzjow Mung (of meng)-tjee (spelling = ongeveer) was binnen zijn taalgebied een bekendheid, maar daarbuiten niet. Zijn paar bundels zijn in geen van de westerse talen vertaald, en alleen een Taiwanese overheids-site heeft een lang en doorwrocht artikel aan deze dichter besteed van wie nu wordt gezegd dat hij een boeddhist was. Maar eigenlijk, net zoals de Japanse dichter Basho alles was, en ook een beetje zen, zo heeft Chou zich door de hele voorgeschiedenis van het Chinese denken en schrijven laten inspireren. Zijn werk, voor zover Taiwan Info daar inzage in geeft, ademt de wabi sabi-sfeer van het theezettende zen uit Japan.

Chou was geïnspireerd door de Zhuangzi (Chuang Tzu), en door de Ijing (I Ching). De Zhuangzi hielp hem aan zijn artiestennaam: meng = droom, en tieh = vlinder. U kent ongetwijfeld het verhaal uit de Zhuangzi waarin een man droomt dat hij een vlinder is, en bij het ontwaken niet meer weet wat hij is, een man of een vlinder. De laatste woorden van dit verhaal worden zelden of nooit meegegeven, hoewel ze toch de essentie van het daoïsme behelzen: “Dit wordt de Tansformatie der Dingen” genoemd”.

Dat Chou, ook al wordt dat niet vermeld, het een en ander meekreeg uit de japanse cultuur is voor zijn generatie maar normaal. Nadat de Meiji Taiwan hadden ingenomen dienden alle scholieren Japans te leren. Tegelijkertijd wenste de Meiji-keizer aansluiting te vinden bij de cultuur van het westen. Spullen, boeken en kunst-voorwerpen werden “met wagon-ladingen”, schreef iemand, over Japan uitgestort. En er werd vertaald bij het leven. Zo viel Flaubert’s Madame Bovary tussen Chou’s handen. Hij las het verschillende keren. En ook worstelde hij zich door de werken van Shakespeare. Er zijn Japanse studenten en oud-studenten die het eerste vers van Enrique Banchs’ (Buenos Aires 1888 – 1968) beroemde gedicht Guerpo kennen:

Entra la aurora en el jardín; despierta
los cálices rosados; pasa el viento
y aviva en el hogar la llama muerta,
cae una estrella y raya el firmamento;

(Nee, u vertaalt het maar zelf; woordenboek erbij, uurtje werk)

Terug naar Chou Meng-tieh en zijn minder gelukkige leven. Door een huwelijksmakelaar op zijn 7de toegewezen aan een meisje van 11 kreeg het paartje 10 jaar later zijn eerste van drie kinderen. Het werd niettemin niks, met dit echtpaar.
In 1921 geboren als Chou Chi-shu ging hij het nationalistische leger in, en trok zonder vrouw en kinderen in 1948 met het verslagen leger mee naar Taiwan. Daar werd hij de uitzondering op de regel dat iedere Chinees een familie heeft; Chou had er geen. In het leger op Taiwan had Chou niks te doen, hij las alles wat los en vast zat.
Meer dan 20 jaar bracht hij daarna door als boekhandelaar in een stalletje onder een brug, met amper klanten, levend van een miniem pensioentje. Een keer in de week gooide Chou de zaak dicht, deed boodschapjes en dronk thee met een paar vrienden. Ze moeten het over de schrijverij hebben gehad; dat heb je nog in Taiwan, zelfs onder “het volk”. Iedereen mag intellectueel zijn, mits Kongzi’s (Confucius’) vermaningen over bescheidenheid en betamelijkheid maar in acht worden genomen. Men mag laten doorschemeren dat er enige kennis over dit en dat is, maar als een west-Europeaan bij wijze van spreken boven op een tafel staan brullen en je helemaal leeg laten lopen wordt daar met open mond bestudeerd: goeie genade! Maar goed, misschien moeten we dat ook eens gaan proberen.

Taiwan Info geeft een paar voorbeelden van Chou’s dichten dat, zoals gezegd, zowel geïnspireerd is door de Klassieken als door de westerse literatuur, voor zover hij de westerse literatuur kende. En de boeddhistische connectie is er in de titel Onder de Bodhiboom, een van zijn weinige bundels. Chou werkte langzaam, zo heeft hij eens gezegd.

Het gedicht “De hengelaar” (een boeddhist hengelt niet, slaat zeker niet zomaar voor de lol een haak door de bek van een vis) werd aanvankelijk niet erg gewaardeerd door Chou’s vrienden. Melancholie mag, maar ’t moet niet te gek worden:

Aan het uiteinde van mijn wortels
weef ik triestigheid:
naar een koninkrijk vissen?
met een hengel zonder haak?

Een ander gedicht was helemaal geïnspireerd door de Ijing:

Plotseling straalt gelach vanuit
de stenen muur, diep, stilletjes
reikend naar de drie lijnen
van mannelijke kracht
de lijnen van het taichi-trigram,
je penseelt ze dun.

Er is geen publicist die ze niet dik aanzet, die drie lijnen. Chou wenste in die dunne penseelstreken zowel het yang als het yin te behouden. Yang en yin zijn overigens niet boeddhistisch, en eigenlijk ook niet daoïstisch. Meer als aparte denkrichting ontwikkeld, tot mensen het wel een aardig idee vonden, die combinatie van dik en dun, licht en donker.

DHARMA DRUM EN FENG SHUI

Het nieuws dat de Dharma Drum Foundation, een als chan (zen) instituut opgerichtte boeddhistische organisatie op Taiwan met enkele vestigingen overzee zelf regelmatig brengt haalt op een of andere manier de nieuws-vergarende zoekmachines niet. De eigen DDM-nieuwsdienst doet het rustig aan: drie maanden later is het verhaal ook nog lezenswaard.
Niet zo lang geleden had Taiwan Net een kort artikel van de hand van een enthousiaste bezoeker aan het “Dharma Drum Mountain World Center for Buddhist Education“, ooit gesticht door de inmiddels overleden meester Sheng Yen die de leiding over de organisatie in handen heeft gegeven aan zijn twee eerste leerlingen. Het is een van de twee voorbeelden van een tweehoofdige leiding die ik ken, en in beide gevallen kan gesproken worden van een success story.

De bezoeker aan het DDM onderwijsinstituut was niet alleen enthousiast over de architectuur, maar ook over de ligging, en wanneer zo iemand de ligging van een gebouw beschrijft komt er vaak een weinig feng shui aan te pas, de kunst van het gebruik maken van de winden en de wateren. En verwijzingen naar feng shui hebben onveranderlijk blije bijval vanuit omstanders, en in dit geval lezers.

Met het front van het gebouw naar het zuiden, zo schreef deze persoon, lijkt de linkerflank van de berg op een groene draak met opgeheven kop, of op een antieke bel die in de lucht hangt. En de rechterflank van de berg geeft de indruk een witte tijger te zijn, met gebogen hoofd.
De traditionele feng shui-leer is heel specifiek over die positie van deze draak en tijger, en dan moet de witte tijger ook nog een beetje lager zijn dan de groene draak. Ga d’r maar aan staan om zo’n plek te vinden.

Nu is het voor vlaklanders bijna onmogelijk herkenbare vormen te zien in bergtoppen. Eerder zijn we geneigd de wolken aan de lucht aan te wijzen als een schaap, een paard, een paddestoel, en wat al niet.

De bevolking van Taiwan heeft de feng shui-concepten behouden, of na de oorlog geïmporteerd, zoals die in het antieke China ontstonden. En zo zien we dat het DDM-gebouw aan de oostzijde wordt geflankeerd door de groene draak, en aan de westkant door de witte tijger.

Waarom is dat een gunstig teken? Omdat de regen, zegt het feng shui, vanuit het oosten aan komt waaien. Dus dat het water dat de rijstvelden en de theeplantages voedt als het ware van de bergflanken, vanaf de groene draak, neerdaalt. En vanuit het westen valt, volgens diezelfde feng shui-leer als eerste het najaar te bespeuren, dan brengt de witte tijger de eeste kou, gevolgd door sneeuw, vandaar wit.
Bij die eenvoudige verklaring moesten we het maar houden, want de discussies over al die bijzondere draken en tijgers is uitgebreid, complex, en al snel niet meer te volgen.
We moeten alleen onthouden dat Chinese parabels, fabels en meteorologische kennis niet ophield bij de grenzen, maar dat ze zich bijvoorbeeld ook manifesteerden in Korea waar de sjamaan zingt dat de witte tijger in feite de “10.000 mijlen bergpas” is. Een toelichting(1) zegt dat die bergpas in werkelijkheid een bergkam is.
Kan dat? Een bergpas van 10.000 mijl? Nee, dat kan niet (en een bergkam is ook nooit 10.000 mijl lang). Hoe oud is dat lied van die sjamaan? Wel, er is het verhaal over de reis die de Chinese monnik Xuanzang in de zevende eeuw naar “India” maakte. Het verhaal gaat dat deze heen-en-terug-reis 10.000 mijl was. Nameten wordt een beetje moeilijk.
Maar ’t kan ook zijn dat de sjamaan minder plat-nuchtere gedachten had over die “10.000 mijl”. ’t Kan ook zomaar zijn dat er de doortocht door dit leven mee bedoeld wordt. En dan begint een reis van 10.000 mijl, een enorme onderneming, natuurlijk pas zodra je de eerste stap hebt gezet. Tot die tijd is het geen reis, geen enorme onderneming.

Moeten we geloven in die feng shui-principes — die niet tot het boeddhisme behoren? Jein, zou de Duitser zeggen: enige bescherming tegen al te koude winden, en een paar hellingen waarvan het water naar beneden loopt zijn nooit weg. Maar als bewoner van vlakke streken zit je ‘dr toch een beetje mee. Feng shui is dus niet universeel.
JRS-DWsa-10
Kan als laatste gezegd worden dat de buitenwand van een Koreaanse tempel vaak een afbeelding heeft van een tijger, geen witte, maar toch. Ook dat is een concept dat vanuit China is aan komen waaien, en in Korea, wellicht meer dan elders, staat die tijger voor de spirit, het karakter, de eigenheid van de berg. Hoewel er in Korea ook het verhaal is over “San Shin”, de berggeest, die vergezeld wordt van een tijger.
Bovendien, zo wordt gezegd, beschermt de tijger de mens tijdens zijn tempelbezoek tegen de dood, en staat het dier de doden bij. Dus dat is meegenomen, hoewel het goed mogelijk is dat veel bezoekers en bewoner van de verschillende tempels die betekenis niet meer kennen, en de schildering laten aanbrengen, gewoon, omdat het gebruikelijk is en vertrouwd aandoet.

Noot 1: B.C.A. Walraven, Muga, the songs of Korean Shamanism, Dordrecht 1985, p. 153/4