Theekommen

kohei nakamura

Ippodo Gallery in New York opent een dezer dagen een tentoonstelling met werk van onderandere Keiji Ito, Hiromi Itabashi, Kohei Nakamura, Kyusetsu Miwa XII, Chozaemon Ohi XI, Tetsu Suzuki, en Shiro Tsujimura.
Wanneer we kijken naar wat ze maken op het gebied van theekommen, dan valt toch op hoe weinig ontwikkeling er is in de keuze van materialen, vormen, en technieken (raku). Het blijft stijlvol, maar een geringe vernieuwing zou toch een verademing zijn. Alleen Kohei Nakamura laat een theeset zien dat in decoratie enigszins van het bekende pad afwijkt.

Hemel en hel in San Antonio

amidatriade

Een betere illustratie van het westerse denken in tegengestelden — goed vs slecht — had het San Antonio Museum of Art in de VS niet kunnen geven. Op 16 juni 2017 opende een tentoonstelling onder de titel “Heaven and Hell: Salvation and Retribution in Pure Land Buddhism“. Het museum had zich voorgesteld het mahāyanistisch-boeddhistische concept van “Pure Land” te illustreren, een van de belangrijke stromingen van het boeddhisme in Japan.
Ter illustratie werd de hier getoonde triade online gebracht van een Amitābha Boeddha (Amidá in het japans) met flankerende beelden van de twee bodhisattvas Kannon (Ava-loki-teesh-vara in het hybride Sanskriet) en Seishi (Mahā-stháma-prápta eveneens in het hybride Sanskriet).

Het “Pure Land” is dan in de ogen van de tentoonstellingmakers in San Antonio een “hemel”, en waar er een hemel is, daar móet dús ook een hel zijn — het dualisme volgens de oude Grieken, de bijbel en de koran.

Pure Land is een vertaling van het hybride Sanskriet-woord “soekháá-vati” (géén klemtoon op –va), en “hel” is in principe een vertaling van de verzamelnaam, eveneens in het hybride Sanskriet, dóer-gati (ook op –ga géén klemtoon).
Soekháá-vati (officieel Sukhavati) valt in twee delen uiteen: sukha– staat voor geluk of gelukzaligheid, en –vati staat voor een bestaanssfeer: plek van opperst geluk. Geabstraheerd kunnen we het voorstellen als de staat van geest na het behalen van (een vorm van) verlichting.

Dóer-gati (officieel Durgati) valt ook in twee delen uiteen: dur– (afgeleid van duh, ongeluk, lijden, staat voor onfortuinlijk, en –gati betekent hetzelfde als –vati, dus: onfortuinlijke bestaanssfeer.

De beide leerredes (sūtra) over Amitābha Boeddha hebben het uitgebreid over Sukhavati, maar niet over Durgati. Het oude boeddhisme en enkele overige nieuwere boeddhistische stromingen spreken wel over Durgati, en dan over een soort ongelukkig tussenbestaan waar de mens (na de dood) terecht komt die ’t verknoeid heeft, een staat waarin hij er, zeg maar, nog eens over na kan denken, en goede voornemens kan formuleren, om daarna weer door te stomen naar een betere zijnstoestand.

We kunnen zeggen dat dit alles — van het mensenleven naar Durgati naar Sukhavati — zich in dit ene leven van ons kan voordoen: we begonnen zo goed, als babytje, sloegen daarna hier of daar misschien de plank goed mis, gingen een beetje zitten miezemuizen, en kwamen er daarna weer bovenop. Zo moeten we hemel en hel in het boeddhisme zien, met uitzondering van het Pure Land (Reine Land) boeddhisme waar die helse toestand helemaal ongewenst en overbodig wordt geacht. Ze wijzen dit concept van Durgati ferm van de hand.  “San Antonio” heeft de Reine Landboeddhisten uit de buurt dus geen dienst bewezen met hun lollige titel over de hemel en de hel.
Boeddhisten zijn dan ook niet of nauwelijks bereid te gaan kijken naar tentoonstellingen over boeddhistische kunst, ten eerste niet omdat we het niet zo nodig vinden dat datgene waarvoor we opperst respect hebben wordt geprofaniseerd, of wanneer kapotte beelden juist mooi gevonden worden omdát ze kapot zijn, en ten tweede niet omdat we telkens weer in de stress schieten wanneer een of andere lolbroek zelf iets boeddhistisch’ gaat zitten bedenken.

Tentoonstelling Brisbane

books

Op dit moment is er in Brisbane, Australië een tentoonstelling gaande onder de titel 8th asia pacific triennial of contemporary art. Hoe dynamisch dat deel van de wereld is, spat van de verschillende paginas over de tentoonstelling af. Het Brisbane museum heeft de tentoonstelling vergezeld laten gaan van een zo te zien fraai uitgegeven boek; de hier getoonde foto van sledehonden is waarschijnlijk gemaakt door een kunstenaar uit Kalmikië, een van de deelnemers.

De First Art Newspaper had een artikel over de gebeurtenis. Daarin was onderandere sprake van de Zuidkoreaanse kunstenares Haegue Yang die, sinds ze in Berlijn woont, is geïntegreerd onder de germaanse naam Heike.

yang

In Brisbane hangt haar installatie met jaloezieën (“luxaflex”) die elegant, zegt een artikel in Artforum, zijn opgehangen in de ruimte.
Anders dan we zouden kunnen vermoeden heeft Haegue/Heike hierbij niet gezocht naar een soort betekenis zoals ‘we kunnen er doorheen kijken, maar moeilijk’, of ‘ze belemmeren het zicht’, of ‘ze verbergen iets, hoewel ternauwernood’. Aan de hand van het Artforum-artikel moeten we vaststellen dat ze eerder heeft nagedacht over de materialiteit: dit is van plastic, en dat is van metaal.
Of Haegue/Heike’s installatie haar zal overleven, daarvan ben ik niet zeker. En dat geldt overigens ook voor andere conceptuele kunst en installaties. Ze hebben erg veel woorden nodig om nog enigszins een ‘arty’ indruk achter te laten. Dat lijkt voorlopig gestaafd te worden door de ontdekking in een van België’s steden waar al te conceptuele straatkunst eenvoudigweg is verdwenen, verwijderd door bewoners die het niet vonden, of het op een andere manier konden gebruiken. Mogen ze dat zomaar doen, straatkunst weghalen? Nee, natuurlijk niet, maar ze doen het.

Hiroshima en Nagasaki-herdenking

We zijn met z’n allen gewend geraakt aan schilderijen als Picasso’s Guernica, en aan de manshoge schilderijen van veldslagen uit het verleden die onze musea en vergaderzalen “sieren”. Niettemin viel een verhaal van Matthew Pennington in Japan Today van 15 juni een beetje rauw op het dak.
enhanced-buzz-28592-1300743263-0
Op 13 juni opende in het American University Museum in Washington de “Hiroshima-Nagasaki Atomic Bomb Exhibition”. Mogelijk zijn de verschillende fotos die vlak na het vallen van de atoombommen werden genomen al wijd en zijd de wereld overgegaan, maar diverse schilderijen over het thema zullen nu voor het eerst zijn samengevoegd.

En overigens is dit de eerste keer na 20 jaar dat Amerika zo’n tentoonstelling toont. Het land zelf heeft het gebruik van dit wapen afgezworen, maar het kan goed zijn dat men hiermee probeert andere landen die de A-bom nog hebben, of er een of meer willen maken, een impliciet bericht te sturen: doe het niet.

De afbeelding die hier getoond wordt is die van een schilderijtje van Horikoshi Susumu die in augustus 1945 zes jaar oud was. Het is een van de minder schrikwekkende afbeeldingen waarvan een aantal zijn samengevoegd op een internet-pagina die het werk laat zien van amateur-kunstenaars die in 1945 kind of dertig-minner waren.

Het bericht van Matthew is te vinden op http://www.japantoday.com/category/national/view/japanese-art-on-atomic-bombings-exhibited-in-washington

EERSTE TENTOONSTELLING TAIWANEES KUNSTBEZIT IN JAPAN

Voor het eerst in de moderne geschiedenis gaat het National Museum in Taipei, Taiwan een tentoonstelling organiseren in Japan. Dat meldde Taiwan Today op 28 mei.

In het Tokyo National Museum zullen tussen 24 juni en 15 september 231 stukken te zien zijn. Daarna gaat de tentoonstelling naar het Kyushu National Museum, van 7 oktober tot 30 november 2014.

Een van de schilderingen, “keizer Ming’s Reis Naar Shu”, dat tijdens de Song-dynastie (960-1279) gemaakt zou zijn, en dat de vlucht van keizer Xuanzong, ook genaamd Ming, naar de huidige Sichuan-provincie uitbeeldt, zal naar verwachting nog de meeste belangstelling trekken.
De afbeelding hier stamt niet van dit schilderij, maar toont de keizer tijdens een uitje in de bergen.
xuanzong06

Deskundigen wijzen er op dat met deze keizer een einde kwam aan de hoogtijdagen van de Tang-dynastie. In het jaar 819 wordt door confucianisten de aanval ingezet op het boeddhisme. De geleerde Bai Juyi — die overigens tijdens zijn latere jaren het boeddhisme meer ging waarderen dan van een confucianist verwacht kan worden — “ging over de rooie” bij het aanschouwen van een processie van boeddhistische top-monialen door de toenmalige hoofdstad: “(Ze) branden hun hoofd (met de minimaal drie moxa-brandmerken tussen kruin en voorhoofd) en roosteren hun vingers in groepen van tien of honderden.”
(Het als offerande aan Amitábha Boeddha branden van een vinger is nog lang in zwang gebleven, tot in de 20ste eeuw. Er valt veel tegen in te brengen, en vandaag mag het niet meer.)
Hij gaat verder met: “Ze ontdoen zich van hun (boven)kleding en strooien van ochtend tot avond met munten. Daarin bootsen ze elkaar na, en zijn bang om achter te blijven.”
(Tot vandaag is er onder rijke leken-boeddhisten nogal eens een wedstrijdje wie kan het grootste bedrag aan de tempel offeren.)
“Jong of oud”, schrijft Bai Juyi, “ze zijn er op uit om hun patrimonium op te offeren (in een wedstrijd offervaardigheid). Als er niet meteen een eind aan deze voorstelling gebracht wordt, en ze doorgaan met die transfer van relieken van de ene tempel naar de andere, dan kunnen we er op wachten dat er een gaat komen die het afhakken van armen of lichaamsdelen als een manier van eerbetoon zal gaan beschouwen.”

Tot vandaag zijn de fabels en legenden over het lichaam offeren om de hongerige tijger te voeden, of het verhaal over prins Visvántara (Vessántara) die zonder brommen zelfs zijn vrouw en kinderen weggaf, populair, ook al wordt er geen letterlijk gevolg meer aan gegeven. Deze verhalen zijn eerder een aansporing tot generositeit en de begeleidende gelijkmoedigheid waarmee geven wat je dierbaar is gepaard zou moeten gaan. Dat hebben latere generaties schavuiten in hun oor geknoopt, en vandaag ontkomen we er soms niet aan het incassobureau of de prinsemarij in te schakelen. Generositeit is een ding; je zonder reactie laten bestelen een ander.