Roze pagoda

WatSamphran

This is colossal — zegt u dat wel — gaf een serie fotos van een roze toren waarlangs zich een draak naar boven slingert. Het gaat dan over Wat (= tempel) Samprán in Thailand. Onder de doorklik naar deze video zien we op 0:28min een standbeeld dat Quanyin moet voorstellen. En dus is het bouwwerk neergezet door Chinese Thai, en mogen we ons afvragen of er een monialengemeenschap leeft. Het kan zomaar zijn dat het complex leeg staat, en dat de bouwer nog steeds op zoek is naar Chinese monialen die zijn extra-ordinaire bouwexperiment willen gaan runnen.

 

Fantasiewereld in Bangkok

chira
bij afbeelding: Chira Chirapravati Na Ayudhya

Hoewel de lopende tentoonstelling van werk van thaise kunstenaars in de Bangkok Sombát Permpóen Gallery begin oktober 2016 afloopt is het best aardig hier een van de werken te tonen van Dzjiira Dzjiira-právati Na Ajóeddja. In de tentoonstelling onder de naam “Tribute” toont hij een van zijn meest succesvolle werken van kleurrijke fantasiefiguurtjes die fantasiedieren berijden.

Chira was op 6 mei 2014 nog van plan een eigen Mahanák gallery op te richten waar hij het werk van zijn familieleden en van hemzelf wilde tonen. Daar is voorlopig nog niet veel van gekomen, maar een plaats in een gezamenlijke tentoonstelling is ook niet gek.

sombat

De naam Na Ayudhya werd voor het eerst door koning Rama VI ingesteld en wordt gedragen door personen die verre, of verdere familie zijn van de koninklijke familie.

Koninklijke ploegceremonie

Een van de meer bekende verhalen uit het boeddhisme is dat van de ploeg-ceremonie. Zoals in Europa bij het begin van het zaaiseizoen “de baas” zelf de eerste voor trok, zo had het antieke India het voor gewoonte dat de koning iets dergelijks deed. Het gebruik van de eerste voor trekken door de koning toonde de betrokkenheid van de laatstgenoemde bij het welzijn van het volk, maar het werd ook gezien als een gunstig teken: als de koning de eerste voor trekt heb je in ieder geval ideale omstandigheden gecreëerd voor een gustige regen, groei, en oogst; wat kan een mens nog meer doen.

Prins Siddhártha, die Boeddha zou worden, werd, afhankelijk van verschillende jaartellingen, tussen de 2640 en 2582 jaar geleden geboren, gerekend vanaf 2016. “Wij” waren in India nog niet in beeld; “het boeddhisme” heeft het op geen moment over latere stromingen zoals het christendom en de islam.

In dat boeddhistische verhaal zat de nog heel jonge prins Siddhártha onder een boom toe te kijken hoe zijn vader zich van zijn jaarlijkse plicht kweet. De ceremonie duurde een tijdje, en waar de schaduw van alle bomen met de zon mee van oost naar west draaide, bleef die van de prins op zijn plaats, boven het kind, opdat hij het niet te warm zou krijgen. Opmerkzame boeren en priesters-celebranten zagen dat, en voorspelden dat dit een bijzonder kind was, dat nog bijzondere daden zou gaan verrichten.

Bij het verhaal moeten we bedenken dat het speelde in een tijd waarin er nog geen boeddhisme was. De dharma bestond wel al, maar alleen als filosofische onderstroom in de maatschappij. Die stroming zou Boeddha na zijn Ontwaken weer aan het oppervlak  brengen. Hij was op dat moment 35 of 36 jaar oud.
Zo gezien was de ploeg-ceremonie dan ook geen boeddhistische maar — zo sprak de strenge monnik — een brahmaanse (en nog geen hinduïstische). Doorheen heel India, en ook in zuid-Azië vinden er in de april-mei periode ploegceremonieën plaats, als teken van het aangebroken voorjaar, resp. als het begin van het zaai- en plantseizoen. Er wordt op verschillende plaatsen verschillende uitvoeringen aan gegeven.
Ook in Thailand werd begin mei een ploeg-festival gehouden, gebaseerd op de praktijken van de Khmer uit de oudheid die boeddhisme, volksgeloof, en hinduïsme mixten. In de Sanám Lwáng-streek in de buurt van Bangkok werd op 9 mei zo’n feest gehouden, de “koninklijke ploegceremonie”. Het verhaal over prins Siddhártha zal daar op de achtergrond meespelen, maar komt niet expliciet aan de orde. Nu, in 2016 werd het feest ingeluid door de kroonprins, uit naam van zijn vader. Er was sprake van “heilige stieren” (hinduïsme), en van de rijstgodin en de moeder-aarde-godin (volksgeloof). In 2019, vlak na zijn officiële kroning, ploegde de nu Rama-X genaamde opnieuw de eerste voor.

140616

De afbeelding toont een van de oude muurschilderingen in Thailand.
Even over “vrijheid van meningsuiting”,  in Nederland en omstreken vertaald met “kunnen beledigen en er mee wegkomen”: De prent heeft humor. De drie figuurtjes in het blauw — dat denimblauw is de boerenkiel die zeker door de Karen-etniciteit wordt gedragen — liggen in een nogal grappige pose op hun knieën, handen in andjalii, samengevouwen. Daar mag om gelachen worden, net als om die muurschildering waarop de eigenaar van de olifant aan de staart van het beest hangt in een poging om hem tot stoppen te brengen. Lagge mag, maar ’t wordt nooit kwetsend.

Vincennes Pagode

vincennes

The Guardian had op 31 mei een artikel over de “Grande Pagode” nabij Parijs. In dit oorspronkelijk als Afrikaans paviljoen neergezet gebouw dat het Bois de Vincennes aantrekkelijker moest maken staat, zegt de krant, een “10 meter hoge Miró Boeddha”. Andere bronnen hebben het over een 9 meter hoog beeld.

Het Afrikaanse paviljoen werd in de 60-er jaren, tijdens een vrij grote influx van migranten uit Vietnam, Cambodja en andere Aziatische landen naar Frankrijk kwamen, aangekocht door het toenmalige “International Buddhist Institute” dat in 1968 werd gesticht door Jean Robert die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn naam veranderde in Jean Sainteny. Sainteny was het pseudoniem dat hij gekozen had tijdens het verzet, de Résistance in het Frans. In 1946 wordt deze politicus, die door zijn eerste huwelijk geliëerd was aan de familie van een toenmalige President, naar Tonkin en noord-Annam, d.w.z. naar Vietnam gestuurd, en onderhandelt daar met Hô Chi Minh. De overeenkomst die daar gesloten wordt staat bekend als “het akkoord Hô-Sainteny”.
Sainteny’s tweede echtgenote, Marguerite-Claude Badalo-Dulong (http://fr.wikipedia.org/wiki/Claude_Dulong), was als paleograaf en archivist geïnteresseerd in de religies van Azië, met name die van Vietnam waarheen ze haar echtgenoot begeleidde. Twee van haar boeken zijn “Asie jaune, Asie rouge” uit 1958, en “La dernière pagode” uit 1989.

Het Afrikaanse paviljoen werd omgebouwd tot Grande Pagode. Vandaar dat het er niet uit ziet naar wat je van een pagode zou verwachten. Onder het boeddhabeeld, zo zegt weer een andere bron, zijn sinds 19 mei 2009 Boeddha-relieken geplaatst die afkomstig zijn uit Wat Saket in Bangkok. Ze werden aan Frankrijk geschonken, en niet aan de Union bouddhiste de France die het gebouw huurt voor een 6500 euros per jaar. Nu, in 2015 is de Grande Pagode voor een niet onaanzienlijke som opgeknapt.
bouddha

Het woord “Miro-boeddha” is een beetje verwarrend, want het beeld werd niet gemaakt door de spaanse kunstenaar Joan Miró die leefde tussen 1893 en 1983, maar door de joegoslavische kunstenaar, in eerste instantie graveur, F.Mozès die leefde tussen 1927 en 1978. Hij kreeg van Miro toestemming om het beeld in 10 afzonderlijke stukken in diens atelier te vervaardigen.
Wat Mozès aan religieuze kunst vervaardigde waren toch in eerste instantie gravures met christelijke voorstellingen. Eigenaardig is dat nergens bekend lijkt te zijn wanneer Mozès zijn boeddhabeeld maakte. Wel is bekend dat hij voor het gezicht van Boeddha zijn echtgenote als model nam.

De kroon

rama6
Op 3 maart maakte Art Daily bekend dat “Chinese kunstwerken van onschatbare waarde” waren ontvreemd uit het kasteel van Fontainebleau. Niettemin bevond zich onder die Chinese kunstvoorwerpen de niet-chinese kroon van de Thaise koning die door een ambassadeur naar Thailand mee terug naar huis was genomen als geschenk aan keizer Napoleon de Derde. Zo werd het gesteld, ook in de Art Newspaper, en ook in Shanghai Daily van 3 maart. De laatste krant had er een foto bij waarop alle relatiegeschenken die aan Napoleon-III waren overhandigd staan afgebeeld, van een chinees cloisonné-vat tot olifanten-slagtanden uit Siam/Thailand.

Onder de kop “Napoléon III ontvangt de Siamese ambassadeurs” laat l’Histoire par l’image weten dat Rama IV’s gezanten op 27 juni 1861 te Fontainebleau werden ontvangen. Er is dus geen sprake van een uit Siam/Thailand meegebrachte (gegapte) kroon, maar van een speciaal voor de ontvangst van Siamese gezanten gemaakt relatiegeschenk dat Rama VI noch zijn voorgangers zelf ooit op het hoofd gehad zal hebben. Niettemin is het natuurlijk jammer dat het foetsie is.

Alle bronnen citeren curator Jean-François Hébert over die kroon van de koning, en zo gaat dat met nieuws: als het maar vaak genoeg herhaald wordt legt een gewoon mens al gemakkelijk het hoofd in de schoot en denkt ‘het zal dan wel waar zijn’.
We zien ook een voorbeeld van inclusief denken, hetgeen een wereldwijd fenomeen is overigens: onze koningen dragen kronen, dus koningen op andere werelddelen dragen ook kronen, want als ze geen kronen zouden dragen dan waren het geen koningen.
Rama-VI gaf zijn eigen kroon niet aan de derde Napoleon; hij keek wel uit; daarmee zou hij het koninkrijk aan Frankrijk hebben overgedragen, en zoals we weten is Siam/Thailand nooit gekoloniseerd geweest.

Er is nog een eigenaardigheid aan van die kroontjes waarvan ook in andere landen voorbeelden te zien zijn, of ze nu uit Thailand komen of uit Holland: ze zijn zo klein, zegt de museum-bezoeker; die mensjes hadden hele kleine hoofdjes. Neen. Die mensjes maakten zo’n relatiegeschenkje met opzet klein opdat de ontvanger het niet op zijn hoofd kon zetten en dan denken dat hij nu koning X over land Y was.

Maha-jánaka

Ter gelegenheid van de verjaardag van de Thaise koning wordt tussen 29 november en 6 december, de dag, een animatie van “het verhaal van Maha-(d)jánaka” in een van Bangkok’s filmhuizen vertoond, en wel in het Major Cineplex. Wie vanuit Thailand dit blog volgt zou kunnen besluiten eens te gaan kijken.

mahajanaka-jataka

“Het verhaal van Maha-(d)jánaka” staat op een van de paginas van Sacred Texts. Het is een zogenaamde (d)játaka, een Geboorteverhaal. Dat wil zeggen, een verhaal, een legende of mythe over de verondersteld voorgaande levens van Sakyamuni of Gáutama of Gótama Boeddha.
Het verhaal heeft geen tegenhanger in de Nepalese Ávadána, en daarmee mag aangenomen worden dat het in de verschillende Mahayana-stromingen onbekend is.

Het eerste Franse manuscript, zo wordt gezegd, werd ooit in Den Haag aangetroffen. In Frans potjeslatijn blijkt dit een geschreven overeenkomst te zijn tussen twee adellijke broers die plechtig zweren elkaar bij te zullen staan mocht een derde broer een van hen aanvallen.
Zo ongeveer moeten we het begin van de Mahajánaka játaka zien: Twee broers zijn eerst elkaars beste vrienden, maar na verloop van tijd trekt de een tegen de ander ten strijde. We vinden hier ook een parallel in de Hindu Mahábháratha, in de figuur van Árjuna.

Een andere figuur die in de Mahajánaka játaka voorkomt is god Sakka (Skr.: Sakra), als het ware de VIP van buiten de Boeddha-Dharma die uit respect voor Boeddha’s leer hand- en spandiensten verricht, althans dingen mogelijk maakt.

Wanneer de Mahajánaka játaka spreekt over “500 discipelen” van een voor-boeddhistisch asceet, dan is dat het moment waarop we leren dat “500”, ook in die configuratie voorkomend in de boeddhistische canon, met name in de Lotus Soetra, eenvoudigweg “veel” betekent.

Het verhaal gaat dan dat een prins die de toekomstige Boeddha is, niet tot de Khattiya-kaste behoort (Skr.: ksatriya). Dat is opmerkelijk. De kleine prins is als wees opgenomen door een brahmin, mag spelen met khattiya-jongetjes, maar is zelf geen khattiya. Was koning papa een brahmin? Of was hij afkomstig uit een van de grensgebieden van het toenmalige India waar het begrip kaste niet gold?
In ieder geval zal de boeddhistische gemeenschap dit gegeven meenemen in de filosofie dat in deze manier van rangen en standen-denken niet des boeddhas is.

En waarom is de Mahajánaka játaka zo beroemd in Thailand? Omdat de kleine prins naar Suvanna-bhúmi trok. De Thai neemt graag aan dat Sunvanna-bhúmi Thailand is, ook al zegt de Játaka dat de prins naar de hoofdstad Mithila ging, volgens velen een stad op de grens van Nepal en India.

Om een lang verhaal kort te maken, de bodhisatta, de toekomstige Boeddha loopt bij zijn vrouw weg (zoals Gáutama Boeddha wegtrok nadat zijn zoon geboren was), waarop de achterblijvende echtgenote van smart onmachtig neervalt. En terwijl de bodhisatta de bosjes induikt en er vandoor rent, om later naar de “Himavat” te trekken, de Himalayas, neemt de onbestorven weduwe het leven op van rsi, ziener in de hindu-betekenis van het woord. Ze trekt zich terug in een árama (of ashram), een parkachtige omgeving die voor religieuzen bestemd is, wijdt zich daar aan de verschillende meditaties, en is voorbestemd om zich te voegen in de wereld van Brahma die in het boeddhisme een niet-menselijke grootheid is als Sakka, en in het hinduïsme ofwel een grote godheid danwel het Al of een soortgelijk begrip.
Let wel, het Kleine Voertuig waar deze (d)játaka-collectie toe behoort kan het niet over zijn hart verkrijgen om vrouwen toekomstig boeddhaschap toe te dichten, in een ander blog heb ik er op gewezen dat de als respons op de Játka geschreven mahayana Ávadana daar ‘heel anders in staat’, zoals dat heet.

Deze Mahajánaka játaka toont sporen van hindu-invloeden, met name in de vermelding van de twee genoemde goden. Maar ook de passage waarin gezegd wordt dat de koningin het leven van rsi gaat leiden is hinduïstisch naar zijn aard. Waar het Thaise boeddhisme, naar het oude Khmer-voorbeeld, nog wel wat hindu-invloeden heeft — zo heeft de huidige koning nog steeds brahmaanse purohita, familiepriesters — heeft de monniksleiding te lande geen bezwaren tegen het groot maken van dit Geboorteverhaal, én omdat het een les is over broederliefde, én omdat het de vastberadenheid van de prins toont die door roeien en ruiten gaat om het doel van verlichting te bereiken, én omdat het de gedweeheid des vrouws toont waar de koningin wel flauwvalt van verdriet, maar haar lot accepteert en er het beste van maakt. Met dat van die koningin hoeven we het vandaag niet altijd eens te zijn. Al te goed is buurmans gek.