Gauguin in de aandacht

gauguin wave 1888
Nu Jeroen Krabbé begonnen is aan zijn tv-serie over Paul Gauguin viel de afbeelding van een doek van deze schilder extra op.
Uit de boedel van de Rockefeller-familie, die rond 10 mei bij Christie’s werd geveild, viel Gauguin’s “golven” op dat hij schilderde in 1888, het jaar waarin hij een tijd doorbracht met Vincent van Gogh in Arles. Van Gogh schilderde Gauguin als de man “met de rode baret”, en Gauguin schilderde de kustlijn, voor of na zijn verblijf bij Van Gogh, met een stukje landmassa zo rood als een kroot, en een paar schetsmatig aangebrachte mensjes op de grens tussen land en water, waarbij je je mag afvragen of ze vluchten voor de de aanstormende golven, of gewoon aan het spelen zijn.

Gauguin wilde, zegt een biografie, “de ziel van de natuur” vastleggen, toch in een poging om zich af te wenden van het impressionisme. Niettemin gaat de aandacht van de kijker hier in eerste instantie naar de twee mensjes die als op een klassiek chinees naturalistisch werk bijna in het niet vallen in vergelijking met de overweldigende natuur.

De pogingen van Gauguin om die ziel van de natuur te pakken is naar mijn mening nooit geslaagd; zijn krachtigste werk toont mensen, en wel als raadselachtige wezens die niets prijs geven van wat hen bezighoudt, of in wier gemoed de schilder niet weet door te dringen — voor zover een mens dat ooit helemaal kan.
Allebei de kunstenaars, Van Gogh en Gauguin, waren zo ongelukkig als wat, en ik wil er van uitgaan dat het rood van de baret, en dat van de kustlijn een onbewuste uiting was van een gemoed in tumult.

Advertenties

Schilderijen die niet kunnen

775px-Caspar_David_Friedrich_013

Een paar jaar geleden wees ik er in andere e-pagina op dat de toch beroemde schilder Hiroshige het onderwerp dat hij aquarelleerde toch niet zo goed kende. Hij plaatste zijn gele vogel op een gele hibiscus. In het echte leven zou zo’n vogel met bloem en al naar beneden donderen.

Een paar weken na die bepaalde publicatie wees een kunstkenner er op dat Van Gogh’s zonnebloemen op een vaas ook niet kunnen: zo’n hoog en dik boeket past niet in de hals van de vaas, en de vaas zelf valt om onder het gewicht.

Kort geleden werd Caspar David Friedrich’s zeegezicht online getoond. Deze romanticus die leefde tussen 1774 en 1840. Geboren in Pommeren had hij de zee toch verschillende malen gezien, zou je vermoeden, maar hij kende zijn onderwerp niet. De uitsnede die hier getoond wordt is daarvan een bewijs: een mooi schip, een glad zeetje — dus geen wind — en toch bolle zeilen. De surrealist Salvador Dali had het kunnen schilderen, maar Dali zou het onderwerp bestudeerd hebben, en zou bewust een tegenstrijdig beeld hebben geleverd met het bewuste doel ons op het verkeerde been te zetten.

the-phantom-cart-1933

Kijk naar zijn “spookwagen” uit 1933 (er zijn minstens 5 versies); we zien dat de wagen en de kapotte pot op de voorgrond schaduwen op de grond werpen, maar toch klopt er iets niet.Is het de regenwolk links die in tegenstelling tot de wagen geen schaduw op de grond werpt, zeker niet op de stad in de verte? Nee, dat kan niet, want de zon schijnt vanuit de rechterkant van het doek. Je blijft kijken om te zien wat er aan de hand is. Dat maakt de kunst van deze toch wel een beetje rare meneer fascinerend.

Alexander Calder

Onderandere de gerestaureerde Black widow van de Amerikaan Alexander Calder, gemaakt in 1948, met een vaste stek in het “Instituto de Arquitetos do Brasil” in São Paulo is sinds 9 november te zien in Londen, in Tate Modern.

sans titre 1964 calder

Tijdens zijn jaren in Parijs, tussen 1926 en 1933, ontmoette deze flierefluiter die niets bijzonder moeilijk vond onderandere Mondriaan en Van Doesburg. Mondriaanser dan Calder’s hier getoonde schilderij “zonder titel” uit 1964, kunnen we ’t waarschijnlijk niet krijgen. Dat wil zeggen dat Calder de herinnering aan het werk van Piet heeft bewaard, of hem wellicht heeft bezocht nadat de laatste zich in New York had gevestigd. Calder overleed in New York, dus zo’n weerzien is helemaal niet uit de lucht gegrepen.

Voor zover mijn herinnering reikt werd nog voordat het Centre Pompidou in 1977 in Parijs helemaal klaar was een tentoonstelling ingericht met Calder’s mobiles, de beweegdingen waar hij nog het meest bekend om is geworden. Grappig genoeg vermeldt het Centre Pompidou op de website wel een overzichtstentoonstelling uit 2009, maar niet die eerste.

Hoe dan ook, dat bezoek aan Calder’s tentoonstelling was best lollig. Men had daar een mevrouw ingehuurd om de mobiles in beweging te houden. Na de opening van de tentoonstelling, waar natuurlijk “iedereen” aanwezig was, werd het een beetje stil in die zaal, en toen dan ook een jonge Holländerin de ruimte betrad schoot een norse madame tevoorschijn en wapperde bij ieder object met een opgevouwen krant om het ding in beweging te krijgen. Die norsheid was niet echt in de geest van de kunstenaar, maar amusant was het wel.

Overigens zou Calder’s bekendheid wel eens dezelfde grond kunnen hebben gehad als die van de uitgeweken Hollanders: als het in den vreemde succes boekt moet ’t wel goed zijn, en ons nationale prestige opkrikken.
Van Gogh, die zo Frans was geworden dat hij met zijn broer Frans sprak en schreef, Van Doesburg (Does voor intimi), en Mondriaan, die er geen van drieën over dachten terug te keren naar het vaderland hadden dat aura van beroemdheid in den vreemde. De onzen hadden toch maar succes in het buitenland. En dan hebben we het nog niet over de eveneens uitgeweken De Kooning en Appel wier werk op veilingen record-opbrengsten opbrengen.

Natuurlijk vinden we Ger van Elk, Rob Scholte, en Herman Brood, om er maar een paar te noemen ook prima, maar ja, ze hebben dat speciale aura uit verre streken niet om zich, ze hebben onze naam niet of nauwelijks in het buitenland gevestigd.

Dergelijk snobisme vanwege het toekijkende publiek is nu eens niet specifiek nederlands. Ook in de boeddhistische wereld zien we dat het zo werkt. De eerste Amerikaanse leerling van Ajahn Cha, een thaise meditatiemeester, kreeg pas erkenning in Engeland, een Engelsman maakt het de laatste jaren pas in Australië, een Australiër “zit” al tientallen jaren in Thailand als een van de bekendere abten — en denkt er niet over naar ’t vaderland terug te keren.
De Tibetanen hebben er een gezegde over: de beste guru woont drie valleien verderop.

De Zwarte Eeuw

Nu ook de Vermeerzaal in het Rijksmuseum in een carrousel-beeld online te zien is, tegen tenminste één pikzwarte wand, valt des te meer op hoe die generatie het toch prachtig vond om zwart op zwart te schilderen. Kijk ook naar de twee voorgestelde aankopen, de Rembrandt-portretten van een uitgedost bruidspaar in zwart.
gogh2
Het contrast met de 19de/20ste eeuwse schilders kan toch niet groter zijn. Zelfs wanneer je geen fan bent van Vincent van Gogh (o, foei toch) is het opgelucht ademhalen bij een zelfportret tegen een lichte achtergrond.

Die keus voor het zwart van de Vermeer/Rembrandt-tijd is religieus geïnspireerd geweest. Daar mogen we niet te veel over zeggen, want er zijn gevoeligheden. Dat in later eeuwen het kleurenpalet steeds lichter is geworden heeft niet alleen te maken met nieuwe en andere pigmenten, maar ook met een geleidelijkaan loslaten van de religieuze cultuur van de Gouden Eeuw die, kijken we naar Rembrandt en Vermeer, eigenlijk de Zwarte Eeuw genoemd zou moeten worden.
zilveren roos
Overigens zien we op het familieportret van Dirck Bas uit 1635 burgemeester te Amsterdam, dat het rechts afgebeelde paar dezelfde soort zilveren roos rond de taille draagt als Rembrandts bruidspaar. Je zou kunnen denken dat Dirck Bas het portret heeft laten maken ter gelegenheid van het huwelijk van een van zijn kinderen, en dat die rozen de standaard-uitrusting waren die bij een bruids- en bruidegomskostuum hoorde. Of die sierraden dan in de familie werden gehouden en uitgeleend voor zo’n hoogtijdag — zoals prinsesjes vandaag het diadeempje van illustere voorgangsters mogen dragen –, dat is informatie die wellicht elders bekend is, maar niet hier. In ieder geval zien we op een paar zuidnederlandse bruiloftschilderijen uit die tijd dat de bruid versierd was met papieren rozen, maar dan in het haar, niet op de kleding.

Ja, ik wil wijst er op dat op portretten van bruidsparen uit die tijd de echtgenoot zijn gade aan de rechterkant houdt, zoals in Frans Hals’ Huwelijksportret van Isaac Abrahamsz. Massa en Beatrix van der Laen.
Zo ook met Rembrandt’s “joodse bruidje”, zijn bovengenoemde portretten van Maerten Soolmans en Oopjen Coppit die Nederland wil aanwerven, en bovengenoemd familieportret van Dirck Bas.

vroeghe brabancon judith leyster 1643
Nog zo’n dingetje. In een documentaire over verschillende buurten in Parijs klom de pastoor van de St. Eustachius-kerk met de reporter en cameraman het dak van zijn kerk op. Helemaal bovenaan, daar waar de kijker vanaf de grond geen duidelijk zicht meer heeft op wat er afgebeeld is, had de glazenier zich uitgeleefd in florale motieven, zoals dat heet. Temidden van de artisjokken en de rozen zat in een hoek van een van de ramen een witte roodgeaderde tulp. Heel mooi.

Op zoek naar ander material kom je dan een paar dagen later een schilderijtje (zie afbeelding) tegen van Judith Leyster die ons in 1643 liet weten dat we hier te maken hebben met de “vroeghe Brabançon”, zo’n tulp die in die tijd waarschijnlijk een vermogen kostte. Hadden Antoine Sollignac of André Rioust, de glazeniers van de St. Eustache die in 1637 werd opgeleverd een tuintje waar ze tulpen kweekten? Dan moeten ze schat-hemeltje rijk zijn geweest.

De pastoor, die zich nooit eerder zo bewust was geweest van die glazen helemaal bovenin, vond op de dag van de tv-opnamen de handtekening van genoemde Sollignac, hoewel onder een van de andere voorstellingen, niet onder die van de “vroeghe Brabançon”. Dat er “Sollignac” staat kunnen we lezen in Guy-Michel Leproux’s Recherches sur les peintres-verriers parisiens de la Renaissance: 1540-1620.

Al in de 12de eeuw was de “peintre-verrier” of “maître vitrier”, glasmaker, zo levensnoodzakelijk voor de bouw van kerken dat er sinds die tijd een straat naar deze vaklieden werd vernoemd. Neemt niet weg dat ze in hun beroep kwetsbaar waren. Er kwam zelfs zo rond de 16de eeuw een wet waarin stond dat ze 20 tot 30 “sous” boete te betalen hadden indien er een raam brak of niet goed in het lood gemonteerd was.