Lucretius – 3

Lucretius’ root guru

Dit serietje zou over Lucretius gaan, naar de mening van zijn vertaler Klaus Binder (“Über die Natur der Dinge”, Berlijn 2014) de laatste romeinse filosoof voor de intrede van, of overname door het christendom. Hij leefde op het scharnierpunt waarop Europa is gaan tellen in termen van “voor Christus” en “na Christus”.

Hier wordt een kleinigheid gezegd over het enige werk dat van Lucretius bewaard is gebleven, zij het dat een aantal passages van deze “de Rerum Natura” in de loop van de tijd verloren zijn gegaan.
Maar vooraleer daar aan te komen moeten we het eerst hebben over Lucretius’ inspiratiebron — root guru zouden de Tibetanen zeggen: Epicurus (341 – 270 vC).
Net zoals Michel de Montaigne (1533-1592) het in zijn Essais (La Pochotèque 2001) meer dan 110 keer over Lucretius heeft, en hem citeert, zo vermeldt deze franse filosoof de naam van Lucretius’ grote voorbeeld Epicurus ook, maar toch minder vaak: iets meer dan 60 keer.

De Montaigne citeert Epicurus nooit letterlijk, hij heeft een goedgevulde bibliotheek, maar de “300 volumes” die Epicurus tot aan zijn dood volgepend zou hebben, volgens Diogenes Laërtes (of Laërtius, ca 3de eeuw), staan niet op de plank. De Montaigne heeft zijn informatie over Epicurus van bovengenoemde Laërtes, van Cicero, en van Seneca.

In welke zin beïnvloedt Epicurus het denken van Lucretius? Daar moeten we De Montaigne op naslaan, en die was er vast van overtuigd dat de leer van Epicurus en die van de Stoa eigenlijk een en hetzelfde waren (Essais pp. 33, 339, 653, 784, 822). En dus hoeven we niet alles klakkeloos aan te nemen wat De Montaigne schrijft. Zouden beide filosofieën immers identiek zijn geweest, dan zou Epicurus de moeite niet hebben genomen om in 300 volumes een eigen filosofie te timmeren.

zinnelijkheid

Nogmaals, hoe beïnvloedde Epicurus Lucretius? Op pag. 676 zegt De Montaigne dat Epicurus’ “dogmas onreligieus zijn en gericht op de genietingen”. Op p. 888 van de Essais vinden we een mededeling dat Epicurus het niettemin eens gehad zou hebben over een god als scheppende kracht, maar de bron voor deze opvatting ontbreekt in genoemde Essais. Het onreligieuze in de tussen-aanhalingstekenspassage neemt Lucretius over. Over het religieuze, dus in dit geval Venus en de andere goden, gaan we het nog hebben.

wordt vervolgd

Lucretius – 4

Verder over Epicurus

Maar wat zijn dan die genietingen van Epicurus? Daarover spreekt De Montaigne zichzelf, of zijn bronnen, af en toe een beetje tegen. Hij heeft het over de “poltronesque” tuinen van Epicurus (Essais p. 833). In het Italiaans betekent poltrona onderandere iets dat (of wat) een prestigieuze lading heeft of draagt (carica di prestigio – Italië heeft een meubelmerk dat Poltronna Frau heet).

Op p.557 van zijn Essais souffleert Seneca Montaigne dat Epicurus zich niet voor zijn jicht liet behandelen omdat hij lijden ook wel lekker vond. Maar verder zegt De Montaigne “In navolging van Epicurus lijkt het me beter de zinnelijkheid te vermijden als ze grotere pijnen tot gevolg heeft” (Essais p.1191). Op p. 1342 is het dan weer van: “… de stroming van Epicurus die beschermer is van de zinnelijkheid”. Opvallend is dat Seneca meldt dat Epicurus regelmatig vastte, en dat hij, als hij dat niet deed, dan minder at dan de “12 ons per dag” die Metrodorus naar binnen werkte (Essais pp.1719, 1569). Dit, zo lezen we verder, om na dat vasten extra te genieten van de kost die hem voorgeschoteld werd.
Dit is een van de weinige, en indirecte, verwijzingen naar Epicurus’ verering van Venus. Het lijkt er op dat er geen manuscripten van deze denker zijn bewaard waarin Venus wordt genoemd. Alle filosofen en liefhebbers die het over deze Epicurus-Venusrelatie hebben baseren zich op de openingspassage in Lucretius’ “de Rerum Natura“. Het thema komt terug in de bovenaangekondigde pagina over Lucretius en religie.
In die tussentijd: Epicurus was een “hedonist” briest de redacteur van de wikipagina die een lemma over hem heeft gemaakt.

ataraxia

Doorgaans wordt het latijnse woord, “ataraxia“, verbonden met de Venusverering, gezien als een volkomen samenvallen van subjecten onderling, als in “de daad”, of van subject en object, als in de mens die zich een voelt met de natuur, bijvoorbeeld.
De Montaigne heeft er een lemma over waaruit het begrip iets subtieler naar voren komt: “Ataraxia is een leven (condition de vie) dat vredig is, vervuld, ontdaan van de opwinding die we ontvangen uit opinies en wetenschap (of weetjes), waarvan we denken dat het dingen zijn.” (Essais 783)

wordt vervolgd

Lucretius – 5

VENUS BIJ EPICURUS EN LUCRETIUS

Komen we nu aan bij Venus en de godsdienst in Lucretius.
De vertalingen die Ida Gerhardt en Klaus Binder van de eerste passage in boek I geven luiden als volgt:
(Gerhardt, in hexameters) I.1-5. “Stammoeder der Aeneaden, van menschen en goden de weelde,
milde Venus, die onder des hemels kringende sterren
zeeën, wiegend de schepen, en landen, dragend de oogsten,
rijk vervult, daar door U al wat de levenskiem inhoudt
wordt ontvangen, geboren en opzendt naar het zonlicht:

I.35-40. Hem (Mavors, oftewel Mars), o godin, gelijk hij daar rust in uw zuiv’re omarming
….”

(Binder, in proza) 1-5. “Mutter der Aeneaden, der Menschen und der Götter Wonne, Venus, Spenderin des Lebens, du bist es, die unter den ruhig gleitenden Zeichen des Himmels das schiffetragende Meer, das fruchttragende Land belebt. Dir verdankt alles Belebte Empfängnis, den eersten Blick auf der Sonne Licht.

I.30-31. … da sich Mavors … oft niedersinken lässt in deinem Schoss …
I.35-40. … Und wie er so liegt, hingestreckt auf deinem heiligen Leib, umfange ihn, Göttin, ….”

De kunstgeschiedenis en de wereld van de oude talen (althans Grieks en Latijn) kennen de riviergod als een krachtige gespierde man die uitgestrekt ter aarde ligt. Dat is het beeld dat Klaus Binder heeft meegenomen in zijn zinsnede: “hingestreckt auf deinem heiligen Leib”. Venus is weliswaar een vrouw, maar ach, vrouwen geven geboorte, dus wat is er logischer dan Lucretius zo te vertalen, en te verbeteren, dat hier Venus de plaats heeft ingenomen van de riviergod, beiden niet als schepper, maar wel als mogelijkmaker.

Lucretius, en zijn root-guru Epicurus houden Venus voor de hoogste en eigenlijke godheid. Verderop in het werk van in ieder geval Binder zullen we zien dat hij speelt met de termen religio en superstitio (godsdienst en bijgeloof), om op die plaatsen gelijk maar even Lucretius te verbeteren. Hij vertaalt een aantal malen “religio” met Aberglaube (bijgeloof). In het volgende blogje wordt daar verder op ingegaan.

Op pag. 797 en elders in Montaigne’s Essais zien we dat er in zijn 16de eeuw in Zuid-Europa sprake is van “epicurische scholen” (sectes epicuriennes).
En zoals het werk van Plato de aanleiding is geweest voor een frans neo-platonisme, zo is het mogelijk dat er in Italië en Frankrijk neo-epicurismen zijn ontstaan. Kijken we naar Botticelli’s “geboorte van Venus” en naar zijn nymphen van het voorjaar die dansen ter ere van diezelfde Venus, dan kan de geleerdenwereld mooi zeggen dat Sandro het neo-platonisme vertegenwoordigde, maar het lijkt er op dat een grote Renaissance-familie en opdrachtgever als die van de Medici behoorlijk libertair was en — beïnvloed door een soort neo-epicurisme — Botticelli de gelegenheid heeft gegeven schilderijen te maken die in geen enkele kathedraal opgehangen konden worden.
Een andere renaissance-schilder als Corregio (1489-1534) lijkt in zijn nogal wulpse verbeelding van Leda en de Zwaan eveneens het zintuiglijke van Epicurus te hebben omarmd; en brengt daarmee impliciet tribuut aan de godin Venus.

Hierna meer

Lucretius – 6

LUCRETIUS, GELOOF EN BIJGELOOF

Het laatste blogje in deze serie over Lucretius gaat over geloof en bijgeloof, en hoe oud die discussie wel is. De termen “religio” en “superstitio” komen doorheen heel hoofdstuk I in “De Rerum Natura” voor. En we zien hoe Ida Gerhardt en Klaus Binder daar op verschillende manieren mee omgaan: braaf volgen wat er staat zonder de achterliggende filosofische discussie te kennen — Gerhardt, en eigenwijs vóór de auteur gaan staan en hem verbeteren — Binder.

Als voorbeeld een van de weinige citaten van Lucretius zoals de Montaigne die in het Latijn heeft opgetekend (Essais p. 811). Daar zien we dat Lucretius in I,101 schrijft:
Tantum religio potuit suadere malorum.”
Montaigne vertaalt het met “Tant la réligion a pu inspirer de méfaits.” (Hoezeer [of tot in hoeverre] de religie de inspiratiebron is kunnen zijn voor kwade handelingen [of het kwade].)

Gerhardt vertaalt het met: “Zóóveel boosheid vermocht de godsdienst aannemelijk te maken.”
Haar corrector, zie het eerste blogje: “Zooveel ellende heeft zelfs in de godsdienst kunnen bestaan.”
Binder: “Zu derart Bösem konnte Aberglaube raten.” (Tot zoveel [of, dergelijk] kwaad kan bijgeloof leiden.)

We zien hoe hier de verschillende vertalers moeite hebben met het latijn “malorum“. Zelfs Montaigne vertaalt het niet met “malheur“, ongeluk, maar hij komt op de proppen met een “méfaits“: kwade handelingen, of ‘kwaad’. Gerhardt maakt er “boosheid” van, haar corrector komt met “ellende”, en Binder noemt het “het kwade, het boze”.

Wat interessanter is, is de overweging waarom Binder heeft gekozen om “religio” in de meeste gevallen te vertalen met “Aberglaube“. In zijn inleiding tot “Über die Natur der Dinge” zegt hij de Essais van Michel de Montaigne te kennen, en wat hierin te vinden is over Lucretius (en Epicurus).
De Montaigne laat zijn citaat voorafgaan door een passage uit Plutarchus, en wel “de superstitione” f.123 (“over bijgeloof”). Hij herinnert ook aan Herodotus die over hetzelfde onderwerp schreef (H.VII,114).
Met medeneming van de overtuiging dat Venus de ware godin van Epicurus, dus van Lucretius was — ze “voerde … de creaturen terug naar het licht des levens“, vertaalt Binder (I.225-230) –, concludeert de laatste dat verering van alle andere goden die in “de Rerum Natura” vermeld staan “dus” neerkomt op bijgeloof: Aberglaube.
Dat “Aberglaube” (superstitio) er in het origineel niet staat vermag voor Binder geen belemmering te vormen. Lucretius maakte foutjes, en Klaus verbetert ze.

Het woord “superstitio“, bijgeloof, komt overigens wel in het Lucretius-origineel voor, en wel in I.105. Dan is er sprake van “bijgelovige angsten”, maar die worden opgewekt door de praatjes van dichters, niet door godgeloof.

Concluderend kunnen we zeggen dat de discussie geloof – bijgeloof nogal oud is, dat ze zich per definitie niet kan beperken tot geloof of ongeloof in de god van de joden, christenen en moslims, maar dat het in die oude tijd over andere namen ging. Dat helpt een beetje bij het relativeren van zware onderwerpen als deze.
Wie weet wat over 500-1000 jaar de aanduiding geloof of bijgeloof krijgt. Wellicht is de discussie dan al uitgewaaid als een kaarsje in de wind.