Het veulen

De afbeelding is die van een 20ste-eeuwse terracotta-versie van tamilgod Aiyanar’s paard.

aiyanar horse tamil nadu terra cotta

Bodhidharma’s leraar was Prajña-dhāra. Beiden kwamen uit Zuid-India, en waarschijnlijk eerder uit wat vandaag Tamil-Nadu heet dan uit de deelstaat Andhra Pradesh. Prajñadhāra zou voorspeld hebben dat “er geen wegen (in China) zijn die mijn (spirituele) nazaten niet zullen belopen.” De woorden die worden herhaald in Andy Ferguson’s “Zen’s Chinese Heritage: The Masters and Their Teachings“, zijn zonder twijfel ontstaan in de geest van een chinese zennist uit de oudheid, want het citaat eindigt met een verwijzing naar de phoenix die met een enkele graankorrel alle “heiligen” en monniken in de tien windrichtingen kan voeden. Het India van Prajñadhāra — of we nu spreken over Andhra Pradesh of over Tamil Nadu — heeft weinig of niets met de phoenix, maar China wel, en hoe! En dus is Prajñadhāra’s “voorspelling” er een in de serie “hij zou het zomaar gezegd kunnen hebben.”
Bodhidharma arriveerde in het jaar 520 in China.

Dan zou de zesde zen-patriarch van China, Da-djèn Hwei-nèng* tegen zijn opvolger Nan-jwée Hwài-rang* gezegd hebben: “Prajñadhāra heeft voorspeld dat vanonder jouw voeten een veulen tevoorschijn zal komen dat iedereen in de wereld dood zal trappen. Hou dit in gedachten, maar praat er met niemand over.”

Er gaan dan heel wat eeuwen voorbij voordat er weer een beroemde uitspraak van een zennist komt die het paard als onderwerp heeft.
Een stanza die werd uitgesproken door de vietnamese zenmonnik Tuê Trung (1230-1291) eindigt met “Un poulain broute l’herbe.” (Een veulen graast.) We vinden het op pagina 60 van Philippe Langlet’s “les propos de l’éveillé Tuê Trung“, in 2015 uitgegeven in Parijs.

Om te begrijpen waarom de zuidindiase mythologie überhaupt terecht is gekomen in Vietnam, en waarom dat paard zoveel nadruk krijgt, moeten we inderdaad terug naar beide genoemde deelstaten van India.
Paardenverering vinden we in ieder geval in de religieuze canon van noord-India. Zo’n 2000 jaar geleden werd er al over geschreven. We vinden in het klassieke sanskriet het woord adhi-prasti-yuga (puntjes onder de s en de t, en een g die wordt uitgesproken als in ‘good’) wanneer er sprake is van paardenoffer. En verder wordt daar het woord paard gegeven als arvan, haya (in de Andhra-regio), en azva. Tamil-Nadu kent een dorpsgod met de naam Aiyanar die afgebeeld wordt op of naast zijn paard.
Specifiek “veulen” komen we tegen als “kishora” (of kishor).

Niettemin betekent “Kishora” ook “jongeman”. Dus wanneer Prajñadhāra het heeft over dat veulen dat iedereen dood zal trappen, dan denkt hij tegelijkertijd aan die Aiyanar op zijn paard, als aan de boeddhistische leerrede over de wereldheerser, een vreemdsoortige omschrijving van een toekomstige vorst die op overtuigende manier Boeddha’s dharma weer zal vestigen in zijn, de, “wereld”. We mogen best veronderstellen dat de onder de laatste doorklik genoemde Vatthu-gāthā (PTSF.183: 1002), de zang over een Groot Mens, behoorlijk oorspronkelijk is, maar dat de schrijver(s) van de Tsjákka-vátti Soetta (schrijf: Cakkavatti sūtta) er een schepje bovenop hebben willen doen met die wereldheerser.

Dan migreert Prajñadhāra’s raadselachtige uiting naar Vietnam, en daar zijn wel paarden, in de koelere streken, maar ze zijn toch niet de “stuff” waar dromen van gemaakt zijn, om Shakespeare te parafraseren.
In de geest van Tuê Trung is de betekenis van veulen (kishora) weliswaar doorgedrongen als “jongeman”, maar hij ziet hem nog niet ten strijde trekken. Eerder zal hij met zijn uiting “een veulen graast” gedacht hebben aan een jong mens, een verlichte in de zen-betekenis van het woord, die helemaal vrij is, een die gaat en staat waar hij wil, zonder voor een kar gespannen te kunnen worden.

* Da-djèn Hwei-nèng. Schrijf: Dajian Huineng
Nan-jwée Hwài-rang. Schrijf: Nanyue Huairang

Vincennes Pagode

vincennes

The Guardian had op 31 mei een artikel over de “Grande Pagode” nabij Parijs. In dit oorspronkelijk als Afrikaans paviljoen neergezet gebouw dat het Bois de Vincennes aantrekkelijker moest maken staat, zegt de krant, een “10 meter hoge Miró Boeddha”. Andere bronnen hebben het over een 9 meter hoog beeld.

Het Afrikaanse paviljoen werd in de 60-er jaren, tijdens een vrij grote influx van migranten uit Vietnam, Cambodja en andere Aziatische landen naar Frankrijk kwamen, aangekocht door het toenmalige “International Buddhist Institute” dat in 1968 werd gesticht door Jean Robert die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn naam veranderde in Jean Sainteny. Sainteny was het pseudoniem dat hij gekozen had tijdens het verzet, de Résistance in het Frans. In 1946 wordt deze politicus, die door zijn eerste huwelijk geliëerd was aan de familie van een toenmalige President, naar Tonkin en noord-Annam, d.w.z. naar Vietnam gestuurd, en onderhandelt daar met Hô Chi Minh. De overeenkomst die daar gesloten wordt staat bekend als “het akkoord Hô-Sainteny”.
Sainteny’s tweede echtgenote, Marguerite-Claude Badalo-Dulong (http://fr.wikipedia.org/wiki/Claude_Dulong), was als paleograaf en archivist geïnteresseerd in de religies van Azië, met name die van Vietnam waarheen ze haar echtgenoot begeleidde. Twee van haar boeken zijn “Asie jaune, Asie rouge” uit 1958, en “La dernière pagode” uit 1989.

Het Afrikaanse paviljoen werd omgebouwd tot Grande Pagode. Vandaar dat het er niet uit ziet naar wat je van een pagode zou verwachten. Onder het boeddhabeeld, zo zegt weer een andere bron, zijn sinds 19 mei 2009 Boeddha-relieken geplaatst die afkomstig zijn uit Wat Saket in Bangkok. Ze werden aan Frankrijk geschonken, en niet aan de Union bouddhiste de France die het gebouw huurt voor een 6500 euros per jaar. Nu, in 2015 is de Grande Pagode voor een niet onaanzienlijke som opgeknapt.
bouddha

Het woord “Miro-boeddha” is een beetje verwarrend, want het beeld werd niet gemaakt door de spaanse kunstenaar Joan Miró die leefde tussen 1893 en 1983, maar door de joegoslavische kunstenaar, in eerste instantie graveur, F.Mozès die leefde tussen 1927 en 1978. Hij kreeg van Miro toestemming om het beeld in 10 afzonderlijke stukken in diens atelier te vervaardigen.
Wat Mozès aan religieuze kunst vervaardigde waren toch in eerste instantie gravures met christelijke voorstellingen. Eigenaardig is dat nergens bekend lijkt te zijn wanneer Mozès zijn boeddhabeeld maakte. Wel is bekend dat hij voor het gezicht van Boeddha zijn echtgenote als model nam.

YEN TU, het zen van Vietnam

Than Nien News had op 28 juli 2014 een artikel over de berg Yen Tu in Vietnam. In een gebied dat ca 2800 hectare land beslaat staan een aantal pagodas en tempels waarvan de meeste werden gebouwd tijdens het bewind van koning Yen Tu, de zoon van Tran Nhan Tong (1258 – 1308) die monnik werd en in 1299 de Truc Lam (bamboebos) zen-lineage stichtte. De Truc Lam is tot vandaag de grootste boeddhistische stroming in Vietnam.

Dit bericht gaat een ietsje vooraf aan een artikel over Albert de Pouvourville die in 1894 een boek schreef over de kunst van Zuidoost Azië, en meer bepaald die van Vietnam. Dat artikel is verschenen op het engelstalige Words in picture blog.
1-hq_towers_PYLL yen tu
De foto toont de omwalling en toeganspoort tot het Yen Tu-complex. Boeddhisten in Vietnam gaan ervan uit dat Tran Nhan Tong boeddhaschap heeft behaald (naar de maatstaven van het mahāyāna). Zijn relieken worden bewaard in de Hue Quang Kim-toren op het genoemde complex. In 2007 werd er een nieuwe bronzen pagoda gebouwd, de Dong (Thien Truc)-pagoda. Het gevaarte weegt 70 ton en is het zwaarste van alle pagodas die het land nog herbergt.

De Pouvourville volgend moet allereerst geconstateerd worden dat de grenzen in Indo-China in zijn dagen, en in de eeuwen daaraan voorafgaand niet liepen zoals ze vandaag lopen, en dat er best wel eens koningen zullen zijn geweest die belasting hieven over import-export, maar dat op plaats A graven, op plaats B vervaardigen, en op plaats C verkopen en gebruiken een stuk eenvoudiger moet zijn geweest dan vandaag.
Al voor de officiële geschiedschrijving van Annam (een deel van Indo-China) plaatsvond werden en voorwerpen uit metaallegeringen vervaardigd.
De Pouvourville (L’Art Indo-Chinois, p. 165 e.v.) noemt vindplaatsen van koper als Myduc, Thanhaodao, Tulong (dat vandaag deel uitmaakt van de Halong-baai), en Baolac, allemaal in Vietnam. Hij beschrijft hoe nog aan het eind van de 19de eeuw alle voorwerpen, inclusief sieraden, van metaal door families, dorpen en streken bijeen werden gebracht en in een smeltvat gegooid (ibid p. 199), waarna ieder “bronzen” voorwerp dat met deze legering werd gegoten telkens weer een andere samenstelling had. In ieder geval wist de gever dat in de zo uit een samengebracht aantal metalen voorwerpen gegoten gong of andere voorwerp of decoratief object “iets van mij” zat, en dat heeft er heel lange tijd voor gezorgd dat metaaldiefstal, althans van ceremoniële voorwerpen, eenvoudigweg niet bestond.