Het veulen

De afbeelding is die van een 20ste-eeuwse terracotta-versie van tamilgod Aiyanar’s paard.

aiyanar horse tamil nadu terra cotta

Bodhidharma’s leraar was Prajña-dhāra. Beiden kwamen uit Zuid-India, en waarschijnlijk eerder uit wat vandaag Tamil-Nadu heet dan uit de deelstaat Andhra Pradesh. Prajñadhāra zou voorspeld hebben dat “er geen wegen (in China) zijn die mijn (spirituele) nazaten niet zullen belopen.” De woorden die worden herhaald in Andy Ferguson’s “Zen’s Chinese Heritage: The Masters and Their Teachings“, zijn zonder twijfel ontstaan in de geest van een chinese zennist uit de oudheid, want het citaat eindigt met een verwijzing naar de phoenix die met een enkele graankorrel alle “heiligen” en monniken in de tien windrichtingen kan voeden. Het India van Prajñadhāra — of we nu spreken over Andhra Pradesh of over Tamil Nadu — heeft weinig of niets met de phoenix, maar China wel, en hoe! En dus is Prajñadhāra’s “voorspelling” er een in de serie “hij zou het zomaar gezegd kunnen hebben.”
Bodhidharma arriveerde in het jaar 520 in China.

Dan zou de zesde zen-patriarch van China, Da-djèn Hwei-nèng* tegen zijn opvolger Nan-jwée Hwài-rang* gezegd hebben: “Prajñadhāra heeft voorspeld dat vanonder jouw voeten een veulen tevoorschijn zal komen dat iedereen in de wereld dood zal trappen. Hou dit in gedachten, maar praat er met niemand over.”

Er gaan dan heel wat eeuwen voorbij voordat er weer een beroemde uitspraak van een zennist komt die het paard als onderwerp heeft.
Een stanza die werd uitgesproken door de vietnamese zenmonnik Tuê Trung (1230-1291) eindigt met “Un poulain broute l’herbe.” (Een veulen graast.) We vinden het op pagina 60 van Philippe Langlet’s “les propos de l’éveillé Tuê Trung“, in 2015 uitgegeven in Parijs.

Om te begrijpen waarom de zuidindiase mythologie überhaupt terecht is gekomen in Vietnam, en waarom dat paard zoveel nadruk krijgt, moeten we inderdaad terug naar beide genoemde deelstaten van India.
Paardenverering vinden we in ieder geval in de religieuze canon van noord-India. Zo’n 2000 jaar geleden werd er al over geschreven. We vinden in het klassieke sanskriet het woord adhi-prasti-yuga (puntjes onder de s en de t, en een g die wordt uitgesproken als in ‘good’) wanneer er sprake is van paardenoffer. En verder wordt daar het woord paard gegeven als arvan, haya (in de Andhra-regio), en azva. Tamil-Nadu kent een dorpsgod met de naam Aiyanar die afgebeeld wordt op of naast zijn paard.
Specifiek “veulen” komen we tegen als “kishora” (of kishor).

Niettemin betekent “Kishora” ook “jongeman”. Dus wanneer Prajñadhāra het heeft over dat veulen dat iedereen dood zal trappen, dan denkt hij tegelijkertijd aan die Aiyanar op zijn paard, als aan de boeddhistische leerrede over de wereldheerser, een vreemdsoortige omschrijving van een toekomstige vorst die op overtuigende manier Boeddha’s dharma weer zal vestigen in zijn, de, “wereld”. We mogen best veronderstellen dat de onder de laatste doorklik genoemde Vatthu-gāthā (PTSF.183: 1002), de zang over een Groot Mens, behoorlijk oorspronkelijk is, maar dat de schrijver(s) van de Tsjákka-vátti Soetta (schrijf: Cakkavatti sūtta) er een schepje bovenop hebben willen doen met die wereldheerser.

Dan migreert Prajñadhāra’s raadselachtige uiting naar Vietnam, en daar zijn wel paarden, in de koelere streken, maar ze zijn toch niet de “stuff” waar dromen van gemaakt zijn, om Shakespeare te parafraseren.
In de geest van Tuê Trung is de betekenis van veulen (kishora) weliswaar doorgedrongen als “jongeman”, maar hij ziet hem nog niet ten strijde trekken. Eerder zal hij met zijn uiting “een veulen graast” gedacht hebben aan een jong mens, een verlichte in de zen-betekenis van het woord, die helemaal vrij is, een die gaat en staat waar hij wil, zonder voor een kar gespannen te kunnen worden.

* Da-djèn Hwei-nèng. Schrijf: Dajian Huineng
Nan-jwée Hwài-rang. Schrijf: Nanyue Huairang

Musang

musang

In juni 2010 schreef Choe Chong-dae een artikel naar aanleiding van het boek “The Critical Biography of Musang Jeongjung, a new Zen (or Chan) sect of the Purified Masses“. Het zou de eerste kritische studie zijn geweest van het leven van Kim Hwa-sang (684-762) die na zijn intrede als zen-monnik in de koreaanse schrijfwijze de naam Moesang kreeg: “geen vorm”, “vormloos”. In het chinees heeft men het dan eerder over hsu k’ung (Wade-Giles transliteratie).

Of Musang inderdaad de achtste opvolger was van Bodhidharma — van Zuid-India terug naar Sichuan, China, in acht generaties? ’t kan — is uit een stuk geschiedschrijving van het ch’an (zen) gehaald die tot begin twintigste eeuw in de befaamde bibliotheekgrot te Mogao opgeslagen lag.

Op de afbeelding zien we Musang na zijn verlicht geraken. Ook anderen zeggen dat je boven de boomgrens een heel licht bewustzijn krijgt. Persoonlijk hield deze laaglander er hoofdpijn aan over, maar ’t kan, waarom niet.

Het leven van zo’n monnik wordt gemakkelijk geïdealiseerd, maar Musang moet een van diegenen zijn geweest die boven op zijn berg niet of slecht ondersteund werd(1): hij vulde zijn maag met boomschors en gras. Dat hij toch nog zo oud werd had hij waarschijnlijk te danken aan zijn vroege jeugd waarin hij als prinsenzoon in Korea uitstekend gevoed moet zijn geweest.

Nu zien we hoe Musang met een schedel in zijn hand dolblij met zijn bundeltje kleren in de andere hand de berg afholt om zijn weten over te dragen aan wie het horen wil — hij had de dood in de ogen gekeken en het overleefd. Beneden aan de berg werd hij beroemd, maar bleef een mysterieuze onbekende. Musang ging niet terug naar Korea, maar bleef in China waar zijn crematie-as werd gebruikt om een beeltenis van hem te maken.

In die geschiedschrijving die in de Mogao-grot werd aangetroffen, wordt de vraag gesteld of de kleding en de aalmoezenkom van Musang aan zijn opvolger werd doorgegeven of niet. Daar twijfelde de schrijver aan. Zo’n transmissie is een bewijs van officiële erkenning van de opvolger.

(1) Tijdens de eerste Jin-dynastie in China (266-420) werd de omgeving van Pyongyang gezien als een verbanningsoord. (“Righteous Rhethoric”, D. Declercq, Leiden 1993, p.183)

Japanse villas en tempels

Van fotograaf Yasuhiro Ishimoto zijn tot 3 oktober een aantal zwart-wit opnamen te zien in de tentoonstellingsruimte van The Huntington Library in San Marino, Californië. Zijn belangrijkste opdracht is het fotograferen van de 17de-eeuwse Katsura Imperial Villa geweest. Die serie kwam gereed in 1954.
Onwillekeurig ga je dan ook op zoek naar fotos die hij mogelijk van boeddhistische tempels gemaakt zou kunnen hebben. Dat blijkt dan niet het geval te zijn geweest.

ikko narahara

Bij die zoektocht kom je dan wel een plaat tegen van Ikko Narahara waar de zennis blij van kunnen worden.
Er zijn boeddhistische stromingen, dat wil zeggen, de officieel gewijdden, die vinden dat hollen met wapperende keuzen niet hoort, en daarvoor vinden ze rechtvaardiging in de monialen-regels. Maar omdat zennis geen naar oude snit gewijdden zijn, maar “iets anders”, lijken de laatstgenoemden zich daar weinig van aan te trekken.

Korea in de 18de/19de eeuw

In 1861 maakte de koreaanse kaartenmaker/geograaf Kim Jeong-ho (kim djong-ho) een landkaart van het Joseon-rijk  (djosón) dat er alles aan gedaan had om heel Korea onder een koninkrijk samen te brengen. Er zijn nog zo’n twintig zwart-wit landkaarten van bijna 4 bij meer dan 6 meter bewaard gebleven, en drie ingekleurde waarvan er een in Korea zelf bewaard wordt, en twee in Wisconsin en Harvard in Amerika terecht zijn gekomen. De “koreaanse” landkaart wordt op 28 juni in Seoul ter veiling aangeboden. Dat maakte de Korea Herald bekend. We moeten maar hopen dat de kaart in het land blijft en niet ook aan de andere kant van de eendenvijver terecht komt.

sainam

Tijdens diezelfde veiling wordt ook een werk aangeboden van een leerling van schilder Kim Hong-do. Voor zover de krant er melding van maakte is het een deel van een achtdelig kamerscherm waarop 16 geleerden staan afgebeeld, “inclusief boeddhistische monniken”. Ze zitten, schrijft de journalist, te studeren tegen de achtergrond van een “magnifiek landschap”. Zo te lezen volgde de leerling daarmee de chinese school die er per traditie nadruk op legde dat de mens maar een miertje is in een overweldigend landschap. Op een ander werk dat ter veiling wordt aangeboden, “Sainam“, van de hand van Jeong Seon (djong son) zien we wat daarmee bedoeld wordt: je moet twee keer kijken voordat je een keer het figuurtje bijna middenonder in beeld ziet.

kim hong-do tiger under a tree
Toch is Kim Hong-do vandaag waarschijnlijk bekender dan Jeong Seon. Zijn “tijger onder een boom” heeft bijna de status van koekblikplaatje gehaald, evenals zijn “kat die naar een vlinder kijkt”. (zie onder)
Kim Hong-do (geb. 1745 – overl. ts 1806 en 1814) was niet echt bijbelvast waar het zijn religieuze voorkeur aanging. Heel bekend is zijn in 1776 gemaakte schildering op kamerscherm van de “negentien daoïstische onsterfelijken” geworden, u weet wel, die gelukzakken die nooit meer doodgaan en ergens tussen de wolken boven het Kunlun-gebergte leven. Ziet u hoe een van die onsterfelijken een os berijdt, en een ander achterstevoren op een ezel zit? Waar zou het zen (ch’an) die beelden nou vandaan hebben!
Die onsterfelijken moesten er wel wat voor over hebben om onsterfelijk te worden, onmenselijke ademhalingsoefeningen en een onmenselijk dieet, onderandere, maar dan heb je ook wat. En ja, inderdaad, China en Korea deelden en delen (tot de komst van de echte “import”) dezelfde levensovertuigingen: confucianisme, daoïsme en boeddhisme.

kim hong-do cat watching a butterfly

Kim Hong-do geloofde naar mijn mening nergens in, en was uiteindelijk alleen maar uit op aardige beelden. Zijn tekening van een koreaanse non, onderweg ergens naar toe, al reciterend — waarschijnlijk de naam van Amitābha Boeddha, Amidabul in het koreaans — is daar een van. Dat ze reciteert zien we aan de gebedskralen (māla) die ze in de hand houdt. Het is maar goed dat hier gezegd wordt dat er sprake is van een boeddhistische non, want de kledinggewoonten zijn sinds die 18de eeuw behoorlijk gewijzigd. Zouden we niet weten dat hier sprake is van een boeddhist, dan zouden we op basis van de hoofdbedekking alleen al kunnen denken aan een katholieke non; het katholicisme was tegen die tijd al kleintjes aanwezig op het schiereiland.

Een ander werk dat Kim Hong-do in opdracht van de koning maakte was de afbeelding van de drie Boeddhas die hij maakte met het oog op de ruimte in de Yongju-sa. We zijn inmiddels gewend om bij “drie Boeddhas” te denken aan de zogenaamde “tri-káya“, drie lichamen die samen de dharma– (leer), het sambhóga– (de staat van verlichting) en de nirmána-kaya (de (schijn-)gestalte van Boeddha verbeelden, maar hier had de koning opdracht gegeven de drie Boeddhas van het allereerste begin (Dī-pánkara), het heden (Saakja-moeni) , en de toekomst (Maitreya) uit te beelden. Dat komt niet zo vaak voor, en het toont aan dat men in die jaren meer gefocust was op de levende boeddha die over de aarde gaat, dan op min of meer abstracte concepten. Dat verklaart wellicht ook dat de drie hier afgebeelde Boeddhas er veel levendiger uitzien dan gebruikelijk is.

Hoewel Kim Hong-do de gunst van de regerende vorst had, is het niet zo goed met hem afgelopen. Tegen het eind van zijn leven verdween hij gewoon uit beeld, en niemand schijnt te weten waar hij is gestorven, hoe, en zelfs wanneer. Misschien wilde hij dat zo. Zou kunnen.

Itō Jakuchū

arton21579

Recentelijk is het “Colorful Realm: Japanese Bird-and-Flower Paintings” van de hand van Itō Jakuchū in het frans vertaald. Althans, de aankondiging van Les fleurs précieuses du jardin mystérieux doet vermoeden dat het over hetzelfde werk gaat. De engelse versie werd in 2012 uitgegeven door de University of Chicago Press, ter gelegenheid van een tentoonstelling in de (Washington?) National Gallery of Art, en de franse versie verscheen in 2015, waarschijnlijk in een particuliere uitgave van de auteur/vertaler Emilie Blacksanō Levraut, danwel bij de redacteur Philippe Picquier.

In beide boeken vertelt de introductie dat Itō Jakuchū (1716-1800) op zijn 39ste het vak van groenteman achter zich liet en (rinzai-)zenmonnik-cum-schilder werd.

Het boek bevat de 30 rolschilderingen van vogels en bloemen. In in ieder geval de engelse versie van het boek worden deze rolschilderingen aangevuld met een “triptiek” (leenwoord uit het katholicisme) waar Boeddha Sakyamuni (saakja-moenie) wordt geflankeerd door Manjushri bodhisattva op zijn olifant (links) en Mahā-sthama-prapta bodhisattva op zijn draak (rechts), een opstelling die typerend is voor in ieder geval het rinzai zen. Dit werk hoort thuis in de Shokoku-[d]ji in Kyoto, in principe een zen-tempel. Of het daar altijd aanwezig is, en altijd toegankelijk voor het publiek, is hier niet bekend.
ito jak
Zowel de engelstalige als de franstalige versie zullen de tekst hebben waarin Itō Jakuchū’s schildertechniek wordt besproken. Wat aan zijn werk opvalt is dat hij ook in wit op zwart schilderde, hetgeen in die tijd een unicum moet zijn geweest. De meeste mensen zullen toch eerder de uitbundig kleurrijke bloemen waarderen.

Frankenthaler

Op 27 december 2011 overleed kunstenares Helen Frankenthaler in de plaats Darien, in Connecticut, VS. Geboren werd ze op 12 december 1928, in Manhattan.

En in 1953 stichtten Peter Matthiessen, zennist “in his own rights”, zeg maar, en Harold L. Humes en George Plimpton de Paris Review, een tijdschrift voor de schone kunsten, met name voor de literatuur.
Helen Frankenthaler zou er een omslag voor ontwerpen, maar het is helemaal niet zeker of het ook ooit als zodanig is gebruikt. We komen er vandaag kopieën van tegen bij handelaren van kunstposters — zie de afbeelding.
frankenthaler

Helen Frankenthaler was met een aantal kunstenaars geïnteresseerd in het zen van Matthiessen, Kerouac en anderen. Een van haar werken heet “Buddha’s Court”, uitgevoerd in een vijftal kleurstellingen, en onderling iets afwijkend in vorm, en een ander heeft de titel For Hiroshige. Maar wezenlijk door het boeddhisme geïnspireerd kon ook zij niet zijn, half-half op de hoogte als zij en haar tijdgenoten waren.
Haar sterke kleurenpalet en de niet al te kinderachtige vormentaal zou eerder beïnvloed zijn geweest door een schilder als Jackson Pollock, die beslist niet zen-geïnspireerd mag worden genoemd, maar waar zennisten van zijn tijd hun praktijkopvatting van spontaan handelen aan spiegelden — “spontaan” is eerder daoïstisch naar aard dan boeddhistisch, maar daar zit zen niet altijd mee.

Helen Frankenthaler wordt een “abstracte expressionist” genoemd, er moest bij haar en anderen die in dezelfde geest werkten toch nog altijd wel iets uit gehaald kunnen worden, een herinnering aan een golfslag, de tricolore van Frankrijk of nog weer een ander thema.

Er zijn een paar blogs aan het werk van Helen Frankenthaler gewijd, bijvoorbeeld the three tomatoes, maar ook het Beliot blog en het blog van de New York Times.

MICHEL FOUCAULT EN HET BOEDDHISME

Naar aanleiding van drie paginas Foucault (1926 – 1984) in een recent nummer van Le Monde ga je onwillekeurig op zoek om te zien of de filosoof iets had met of tegen boeddhisme. Veel vinden we niet, maar het blad Libertaire geeft het transcript van een gesprek in 1978 tussen Foucault en een “bonze” (lelijk frans woord voor monnik) uit de Japanse Seion-(d)ji, een tempel die door de monnik als afwijkend van de norm wordt beschreven.

seionji foucault

De filosoof Michel Foucault kan het niet laten te doceren. In de eerste plaats heeft hij het over de rationaliteit van het westen (l’ occident). “… Dat wil niet zeggen dat het (de Japanse ingesteldheid) iets is dat zich tegenover de rationaliteit van het westen opstelt. …”

Daar gaat de ene wenkbrauw al iets omhoog. Als “het westen” al rationeel is, dan is het toch alleen binnen de latijnse invloedssfeer, en zeker niet binnen de germaanse en de daarvan afgeleidde Noordzee-cultuur.

En verder geeft Foucault de “bonze” een lesje boeddhisme. Daar gaat de tweede wenkbrauw: “Zoals u weet is zen in India geboren, heeft het zich in China ontwikkeld en is in de 13de eeuw in Japan aangekomen. Ik denk dus niet dat het helemaal Japans is. Rinzai (Linji) is een zen “bonze” die ik erg waardeer, en die is niet Japans. Hij is noch vertaler van soetras, noch de stichter van het chinese zen, maar ik vind hem een groot zen-filosoof. Het is iemand uit de 9de eeuw, nietwaar? Ik heb de Franse versie (van opgetekende uitspraken) van de hand van professor Demiéville gelezen, en hij, een Fransman, is een uitstekende specialist op het gebied van het boeddhisme.”

De “bonze” antwoordt met: “Het lijkt er op dat de meeste Japanse specialisten denken dat het zenboeddhisme zijn oorsprong heeft in China, eerder dan in India.”

Foucault krabbelt terug: “Dat zen uit India stamt is misschien een beetje mythologisch. Waarschijnlijk is dat gedaan om zen een koppeling te verlenen aan Boeddha. Het zen is in India niet erg invloedrijk (important). En zeker, het heeft zich in de 7de eeuw in China, en in de 8ste eeuw in Japan sterk ontwikkeld, nietwaar?”

En zo gaat dat nog een poosje door, onderandere over de lichaamshouding tijdens zazen die naar de mening van Foucault iets zegt over de relatie tussen het lichaam en de wereld, een thema voor een man die, hoewel volledig geaccepteerd — zolang men zich “normaal” presenteert is er in Frankrijk weinig aan de hand — zich geen moment niet bewust zal zijn geweest van zijn homosexuele geaardheid, en dus van de manier waarop de wereld naar hem kijkt, en hoe hij zich naar die wereld wil verhouden. Collega-filosoof Frédéric Gros wordt in het Le Monde artikel in dat verband geciteerd met “le souci de soi grec, austère et exigeant” (het ik-denken van het antieke Griekenland: streng en veeleisend). En dus verklaarde Foucault zijn analyse over de zazen-houding als zijnde universeel: de meditator is zich bewust van de buitenwereld en wenst met zijn zithouding die buitenwereld een signaal te geven, want dat doe ik ook, dus doet iedereen dat.

De meditatoren onder de boeddhisten weten dat er sprake is van een contemplatie — als er al contemplatie is — op de wereld ín het lichaam, en dat de lichaamshouding die daarvoor gebruikt wordt alleen maar een middel is om die observeringen te vergemakkelijken; al zwemmend doe je ook wat kennis op, maar ’t is toch anders, toch iets beperkter in omvang, en zeker minder vergaand in doel.

Een monnik vraagt Foucault: “Wat denkt u over de verspreiding van het westerse denken en zijn universaliteit?”

Foucault: “…. Europa is de geboorteplaats van de universaliteit. ….”

De zeventiger jaren van de vorige eeuw worden nu beschreven als een tijd van cultureel relativisme. Michel Foucault vormde duidelijk een uitzondering op die regel, ook al heeft hij vernieuwend werk verricht op een heel aantal sociaal-maatschappelijke terreinen.

Kijken we goed naar het hele gesprek tussen Michel Foucault en de monnik dan zien we dat Foucault meent dat hij iets waardevols heeft over te dragen, en we zien dat de monniken zich als objectieve observators opstellen die proberen te toetsen wat anderen kennelijk al naar voren hebben gebracht: hoe zit dat in elkaar, die Europese cultuur; zijn ze echt zo of zo, denken ze allemaal dit of dat.
In zijn schrijven en denken valt het niet op dat Michel Foucault uit dat Japan iets heeft meegenomen, anders dan de overtuiging dat Indoloog Paul Demiéville ongetwijfeld gelijk had. Uit het transcript, kennelijk het enige verslag over Foucault’s reis naar Japan, blijkt niet dat hij vragen heeft gesteld, of zich als luisteraar heeft opgesteld. Daarin was hij een kind van zijn werelddeel. Hij was en is geen uitzondering.

© Copyright 2014 CorbisCorporation
CHOU MENG-TIEH

Een onvoorzichtige belangstellende vroeg in 1983 aan de dichter Chou Meng-tieh of hij een tachtig-plusser was. Een toch al wat droevige Chou antwoordde dat hij zich in zijn 63ste levensjaar bevond.

De Taipei Times bracht op 9 maart het bericht dat de dichter Chou Meng-tieh op 1 mei op de leeftijd van 92 was overleden aan longontsteking. Chou zou posthuum presidentiële eer te beurt vallen.

Dzjow Mung (of meng)-tjee (spelling = ongeveer) was binnen zijn taalgebied een bekendheid, maar daarbuiten niet. Zijn paar bundels zijn in geen van de westerse talen vertaald, en alleen een Taiwanese overheids-site heeft een lang en doorwrocht artikel aan deze dichter besteed van wie nu wordt gezegd dat hij een boeddhist was. Maar eigenlijk, net zoals de Japanse dichter Basho alles was, en ook een beetje zen, zo heeft Chou zich door de hele voorgeschiedenis van het Chinese denken en schrijven laten inspireren. Zijn werk, voor zover Taiwan Info daar inzage in geeft, ademt de wabi sabi-sfeer van het theezettende zen uit Japan.

Chou was geïnspireerd door de Zhuangzi (Chuang Tzu), en door de Ijing (I Ching). De Zhuangzi hielp hem aan zijn artiestennaam: meng = droom, en tieh = vlinder. U kent ongetwijfeld het verhaal uit de Zhuangzi waarin een man droomt dat hij een vlinder is, en bij het ontwaken niet meer weet wat hij is, een man of een vlinder. De laatste woorden van dit verhaal worden zelden of nooit meegegeven, hoewel ze toch de essentie van het daoïsme behelzen: “Dit wordt de Tansformatie der Dingen” genoemd”.

Dat Chou, ook al wordt dat niet vermeld, het een en ander meekreeg uit de japanse cultuur is voor zijn generatie maar normaal. Nadat de Meiji Taiwan hadden ingenomen dienden alle scholieren Japans te leren. Tegelijkertijd wenste de Meiji-keizer aansluiting te vinden bij de cultuur van het westen. Spullen, boeken en kunst-voorwerpen werden “met wagon-ladingen”, schreef iemand, over Japan uitgestort. En er werd vertaald bij het leven. Zo viel Flaubert’s Madame Bovary tussen Chou’s handen. Hij las het verschillende keren. En ook worstelde hij zich door de werken van Shakespeare. Er zijn Japanse studenten en oud-studenten die het eerste vers van Enrique Banchs’ (Buenos Aires 1888 – 1968) beroemde gedicht Guerpo kennen:

Entra la aurora en el jardín; despierta
los cálices rosados; pasa el viento
y aviva en el hogar la llama muerta,
cae una estrella y raya el firmamento;

(Nee, u vertaalt het maar zelf; woordenboek erbij, uurtje werk)

Terug naar Chou Meng-tieh en zijn minder gelukkige leven. Door een huwelijksmakelaar op zijn 7de toegewezen aan een meisje van 11 kreeg het paartje 10 jaar later zijn eerste van drie kinderen. Het werd niettemin niks, met dit echtpaar.
In 1921 geboren als Chou Chi-shu ging hij het nationalistische leger in, en trok zonder vrouw en kinderen in 1948 met het verslagen leger mee naar Taiwan. Daar werd hij de uitzondering op de regel dat iedere Chinees een familie heeft; Chou had er geen. In het leger op Taiwan had Chou niks te doen, hij las alles wat los en vast zat.
Meer dan 20 jaar bracht hij daarna door als boekhandelaar in een stalletje onder een brug, met amper klanten, levend van een miniem pensioentje. Een keer in de week gooide Chou de zaak dicht, deed boodschapjes en dronk thee met een paar vrienden. Ze moeten het over de schrijverij hebben gehad; dat heb je nog in Taiwan, zelfs onder “het volk”. Iedereen mag intellectueel zijn, mits Kongzi’s (Confucius’) vermaningen over bescheidenheid en betamelijkheid maar in acht worden genomen. Men mag laten doorschemeren dat er enige kennis over dit en dat is, maar als een west-Europeaan bij wijze van spreken boven op een tafel staan brullen en je helemaal leeg laten lopen wordt daar met open mond bestudeerd: goeie genade! Maar goed, misschien moeten we dat ook eens gaan proberen.

Taiwan Info geeft een paar voorbeelden van Chou’s dichten dat, zoals gezegd, zowel geïnspireerd is door de Klassieken als door de westerse literatuur, voor zover hij de westerse literatuur kende. En de boeddhistische connectie is er in de titel Onder de Bodhiboom, een van zijn weinige bundels. Chou werkte langzaam, zo heeft hij eens gezegd.

Het gedicht “De hengelaar” (een boeddhist hengelt niet, slaat zeker niet zomaar voor de lol een haak door de bek van een vis) werd aanvankelijk niet erg gewaardeerd door Chou’s vrienden. Melancholie mag, maar ’t moet niet te gek worden:

Aan het uiteinde van mijn wortels
weef ik triestigheid:
naar een koninkrijk vissen?
met een hengel zonder haak?

Een ander gedicht was helemaal geïnspireerd door de Ijing:

Plotseling straalt gelach vanuit
de stenen muur, diep, stilletjes
reikend naar de drie lijnen
van mannelijke kracht
de lijnen van het taichi-trigram,
je penseelt ze dun.

Er is geen publicist die ze niet dik aanzet, die drie lijnen. Chou wenste in die dunne penseelstreken zowel het yang als het yin te behouden. Yang en yin zijn overigens niet boeddhistisch, en eigenlijk ook niet daoïstisch. Meer als aparte denkrichting ontwikkeld, tot mensen het wel een aardig idee vonden, die combinatie van dik en dun, licht en donker.

LINJI-CHAN / ZEN IN JAPAN

De Yomiuri Shimbun, respectievelijk de Japan News van 19 maart 2014 had een verhaal over een figuur behorend tot de Kofukuzan Kencho Kokoku Zenji-denominatie van de, althans in oorsprong, Chinese Linji zen-lijn. De Linji-lijn wordt in Japan rinzai genoemd. Deze Kofukuzan-enzovoorts-lineage is genoemd naar de Kencho-ji, dat wil zeggen, naar de eerste, door Chinese migrant-monniken gestichtte zentempel in Japan.
De informatie over de Kencho-ji zegt dat de zeven juniperussen die op het tempelterrein worden aangetroffen oorspronkelijk werden geplant door de stichtende monnikengemeenschap, hetgeen die bomen meer dan 750 jaar oud maakt.

120px-Lanxi_Daolong

De aartsvader van deze lijn, die in Japan bekend staat als Rankei Doryu heette oorspronkelijk, toen hij nog in de Chinese provincie Sichuan woonde Lanxi Daolong.

“The Illustrated Encyclopedia of Zen Buddhism” van de hand van Helen Josephine Baroni heeft een lemma over de Kencho-tempel, maar geeft geen informatie over de zenvisie die daar beleefd werd en wordt.
Heinrich Dumoulin schrijft in zijn “Zen Buddhism: Japan”, in 2005 uitgegeven door World Wisdom met op de flap een afbeelding van Lanxi Daolong / Rankei Doryu, dat de Kencho-ji naar architectuur werd gebouwd als een kopie van die op de berg “Ching” (Xing) in China. Ching/Xing was “een van de vijf bergen van chan (= zen)”.

Van de hand van Martin Collcutt verscheen “Five Mountains – The Rinzai Zen Monastic Institution in Medieval Japan“, uitgegeven als een “Harvard East Asian Monographs 85”.
Five Mountains wordt in het Japans gegeven als gozan. Het lijkt er niet op dat nog in China de praktijk op deze Vijf Bergen erg van elkaar verschilde; de keizer wenste zich enkel in alle uithoeken van het rijk een tempel die zijn heil en dat van zijn dynastie op het programma had staan. Een uitzondering mag misschien gemaakt worden voor de combinatie zen (chan) en Amitabha Boeddha-verering. Die combinatie werd vanuit China meegenomen naar Japan en is daar bekend geworden onder de naam Obaku-zen.
In Japan is de zen-praktijk van Lanxi/Rankei uiteindelijk aangevuld met tendai- en shingon-riten.

Wanneer E. Steinilber-Oberlin in 1929/1930, met assistentie van Kuni Matsuo, door Japan trekt om kennis te maken met het boeddhisme, komt hij op een dag aan in een Obaku-zen-tempel. Daar maakt hij kennis met de Rinzairoku (“herinneringen van of aan Linji“, de aartsvader van rinzai). En daarin leest hij het befaamde ” … als je op je weg Boeddha tegenkomt, dood hem! Als je op je weg de patriarchen tegenkomt, dood hen! Als je op je weg heiligen (arhats) tegenkomt, dood hen! Zonder aarzelen! Dat is de enige weg naar bevrijding!
Steinilber-Oberlin (Les Sectes bouddhiques japonaise, v.a. p. 126) interpreteert het als een afwerpen van traditionele opvattingen, van dogmas.
Da’s alvast niet slecht. De ware betekenis ligt in het objectloze zazen: zodra er in de meditatie concepten opduiken die zich met beeld en woord opdringen: dood ze! Dat wil zeggen, bemoei je d’r niet mee.

Het beeldje

Op 19 maart werd dus bekendgemaakt dat een houten beeldje, een hoofd, was ontdekt binnenin een ander, groter houten beeld van Lanxi Daolong / Rankei Doryu. Het stelt diezelfde Lanxi/Rankei voor, en is waarschijnlijk het enige overgebleven houten beeld uit de Kamakura-periode die liep van 1192 tot 1333. De rest van wat in die periode zou zijn gemaakt lijkt bij branden verloren te zijn gegaan. Dat zegt men.

foto: Deze groothoek opname van de Kennin-ji is niet online te vinden.
kenninji

Het betreffende grote beeld, (niet het kleintje dat er in verborgen zat) dat in 1676 werd gemaakt ter herdenking van de 400ste overlijdensdag van Lanxi/Rankei, staat nu in de Seirai-in, een subtempel op het terrein van de Kennin-ji in Kyoto.
eisai2
Deze Kennin-ji werd in 1202 gebouw voor de zenmonnik Yosai die beter bekend staat als Eisai (1141-1215). Yosai/Eisai was een leerling van Lanxi/Rankei. Nadat hij de Kencho-ji had gesticht verhuisde Lanxi/Rankei naar Kennin-ji en werd daar hoofdabt.

Dus wat we voorzichtig mogen veronderstellen is dat er een klein compleet standbeeld is geweest van Lanxi/Rankei, dat het kapot is gegaan, of gedeeltelijk verbrand, dat men niet wist wat met het restantje aan te vangen, en dat men het daarom maar respectvol in het grote beeld heeft “begraven”. Zo! beleefd en respectvol gebleven, geen slecht karma geaccumuleerd, maar opgeruimd staat netjes.
En nu is het dan tevoorschijn gekomen en moet men er iets mee. Museum dan maar.

Rasheed Araeen — Nul is niet niets
rasheed

Zero doesn’t mean nothing (Nul betekent niet niets), zegt kunstenaar Rasheed Araeen aan het begin van deze videoclip. Het herinnert de boeddhist aan de moeite die de eerste Chinese generaties, dus aan het begin van de westerse jaartelling, én de eerste Europese generatie, dus eind 19de eeuw, heeft gehad met het concept van sunyatá, ledigheid. Alles is sunya, is het devies.
Is er dan niks? is de verbaasde vraag. Juist omdat alles sunyá is, in constante veranderlijke flux, met niets eeuwigs onveranderlijks, juist daarom is er alles. Ware de wereld tot stand gekomen met alleen maar eeuwige onveranderlijkheden, dan zou de planeet in de Big Bang zijn blijven steken. Maar omdat die flux er is, is er evolutie gekomen, en soms revolutie.